Chronologie van een opstand (2011)

Donderdag 27 januari 2011

Ik merkte dat er iets aan de hand was in Egypte. Ik kwam van Zafrana aan de Rode Zee naar Beni Suef in het Nijl­dal. Beni Suef is een provincie­stad zoals er zoveel zijn in Egypte, eentje zonder toeristen. Vlakbij liggen de pyramiden van Meidum en van Dahsur maar die zijn gemakkelijk in een dag te bezoeken vanuit Caïro. Geen toeristen, geen toeristen­bussen maar wel oproer­politie en transport­wagens van de politie in de straten en de agenten waren snauweriger dan gewoonlijk. Ik merkte het op maar trok er geen conclusie uit.

Vrijdag 28 januari 2011

’s Ochtends bel ik Phyllis W. Ze woont in Rehab City en ik zal bij haar logeren. Mijn mobieltje, dat gewoonlijk in het Arabisch communiceert, reageert deze keer in onberispe­lijk Engels ‘unable to connect’. De receptionist van het hotel meldt dat ook de vaste telefoon­lijnen en het inter­net niet functioneren. Geen tele­com­verbinding; er is iets aan de hand en het is ernstig. Het is vrijdag en als er iets gebeurt in Egypte, dan op vrijdag.

Ik bezoek de pyramide van Meidum en die van Dahsur en dan is het vier uur en rijd ik naar Caïro want ik wil graag voor het donker bij Phyllis komen. Het platte­land gaat geleide­lijk over in de stad, de dorpen klitten aaneen, de weg wordt breder en gaat over in de boule­vard langs de Nijl: zo is de entree van Caïro. Rehab City is een satelliet­stad ten oosten van Caïro en om er te komen moet ik de Nijl­brug van de ring­weg nemen. Er komen auto’s van de oprit naar beneden, tegen de rij­richting in, en de chauffeurs zwaaien ‘afgesloten’. Dus rijd ik naar de volgende brug, al Gamaa. Ook afgesloten. Dan komt de Galaa brug en daarop is een grote menigte demonstranten maar de brug lijkt open. Ik rijd lang­zaam de brug op tussen de demon­stranten door, passeer een verlaten transport­wagen van de oproer­politie en kom uit de menigte. Aan de andere kant van de brug staat de politie en het zijn geen heren. Er ketst iets op het asfalt, links en rechts: de politie schiet, op mij. Daar houd ik niet van. De demon­stranten zijn wel heren, ze maken ruimte zodat ik kan keren en ze stellen zich op tussen mij en de politie. “U kunt niet naar de oost­oever. Alle bruggen zijn afgesloten. Neem een hotel aan deze kant van de Nijl.” Ze brengen me naar het dichtst­bijzijnde hotel en dat is het Novotel waar een kamer honderd­vijftig dollar per nacht kost (maar dan heb je ook wat; ik heb nog nooit zo duur maar ook nooit zo luxe geslapen). Het personeel is volkomen van slag: ik mag mijn motor niet parkeren en ik mag niet naar binnen naar de receptie. De enige die kalm is, is de bell boy, de bagage­jongen; hij loodst me naar de receptie en daarna naar het parkeer­terrein. ‘Er is hier voor het hotel gevochten’ legt hij uit. Dat is te zien: er ligt veel glas en kapotte beeld­schermen en er is een kiosk omgetrokken. Op de stoep zit een jongen met een bloedende hoofd­wond. Ik heb vooral last van het traan­gas dat van de over­zijde van de rivier komt aan­drijven.

’s Avonds wil ik de stad in maar mag van de bewaking het hotel niet uit. Dat neem ik niet: “Luister eens, ik betaal geen honderd­vijftig dollar om in een gevangenis te zitten.” Het is wat heen en weer gepraat maar dan mag ik toch naar buiten maar niet naar rechts “want daar wordt gevochten” en wel naar links “want daar is het rustig”. Dus ga ik naar links want een afspraak moet je nakomen. Om de hoek van het hotel staat een kiosk waar een blikje Fanta vier pond kost tegen veertien in het hotel. De eigenaar: “Het is verschrikkelijk, meneer, er is chaos.” Hij moet niet klagen, hij is bijna uit­verkocht; opstand maakt dorstig. Ik volg de Nijl in de richting van de Zesde Oktober brug. Aan de over­kant staat een gebouw in brand; de vlammen lekken uit de ramen. Iemand legt uit: “Dat is het gebouw van de Nationale Democratische Partij, de partij van Mubarak.” Uit het gebouw klinken explosies; denkelijk ont­ploffende computers. Van verder weg, meer naar het zuiden, hoor ik geweer­vuur. Dat is ‘naar rechts’, daar liggen de volks­wijken van centraal Caïro waar de mensen wonen in brokkelige appartement­gebouwen langs smalle straten, werk­loos, sappelend en zonder vooruit­zichten. Ik steek de brug over. Het verkeer is er gestremd door geparkeerde auto’s, op de fly-over staat een uitgebrand busje van de oproer­politie maar verder is er niets aan de hand. De Cornische voor het brandende partij­gebouw, beneden de fly-over, is het domein van de demon­stranten en het leger. Er staan pantser­wagens en tanks maar de sfeer is tamelijk ontspannen. De soldaten hangen in de mangaten, roken sigaretten, en de demonstranten zitten op de tanks. Af en toe geeft een tank­commandant opdracht de motor laten razen om de mensen af te schrikken en wat ruimte te scheppen. Er gebeurt verder eigenlijk niets. Op de fly-over staan de toeschouwers van het spektakel; veel jongemannen maar ook ouderen met kinderen op de schouders. Stoere kerels laten zich foto­graferen met een buitgemaakt politie­schild. Er wordt druk gediscussieerd, zoals dat gaat in de Arabische wereld: op hoge toon maar zonder hand­tastelijk­heden. Na een tijdje houd ik het voor gezien en ga terug naar mijn hotel. Volgens zeggen zal Mubarak op de tele­visie de natie toespreken. Die toe­spraak komt inderdaad, tegen een uur ’s nachts. Mubarak is te laat, te laat om de groeps­dynamiek voor te blijven. Ik vroeg de jongens die mij naar het Novotel loodsten “wat willen jullie?” Zij: “Wij willen vrijheid, recht en welvaart.” Niemand noemt Mubarak. Maar later, op de brug zeiden de mensen “We want to bring the tyrant down” en die mensen waren geen over­gekookte jongeren. Mubarak is te laat en hij gebruikt de verkeerde toon. Hij spreekt de natie toe, “niet als presi­dent maar als Egypte­naar.” Dat is niet handig: er is opstand en de mensen willen geen Egypte­naar horen maar de presi­dent. De telefoon­verbindingen werken niet en ook het inter­net niet maar Nile TV zend de toe­spraak van de presi­dent uit en laat ook beelden van de opstand in de stad en elders zien. In Suez zouden doden zijn gevallen. In Alexandrië wordt hevig gevochten. Het is allemaal te zien op Nile TV. CNN en de BBC nemen hoofdzakelijk de beelden van Nile TV over. Een interes­sant station is Press TV. Dat is Iraans. Dat station probeert subtiel een relatie te leggen tussen de opstand en de pro-Amerikaanse en pro-Israëlische poli­tiek van Egypte. Het kantoor van Al Jazeera is door de regering gesloten. Dat is een compli­ment (Al Jazeera heeft al veel van die compli­menten gehad) en geeft aan hoe ernstig de toestand wordt gezien want Arabische regiems zijn als de dood voor Al Jazeera.

Zaterdag 29 januari 2011

Honderd­vijftig dollar per nacht kan ik niet betalen en boven­dien heeft het Novotel geen kamers meer beschik­baar; alles is vol­geboekt. De receptionist legt me uit hoe naar Rehab City te komen: de Zesde Oktober­brug over, dan Ramses Street volgen tot voorbij Nasr City en daarna Suez Road, vijftien kilo­meter, dan naar rechts; daar is Rehab City. De Zesde Oktober­brug is nog steeds gestremd maar de volgende brug is open en vandaar kom ik ook op Ramses Street, de verkeers­slag­ader van centraal Caïro. Er ligt veel glas op het weg­dek, er staan uit­gebrande transportbusjes van de oproer­politie en demon­stranten steken in grote drommen de weg over. Mubarak was te laat met zijn toe­spraak maar ook de demon­stranten hebben de tijd tussen de vingers laten glippen. In de nacht heeft het leger de stad ingenomen. Op Ramses Street staan lange collones tanks en er staan tanks en pantser­wagens voor het gebouw van Egypt Telecom en de staats­gebouwen en voor de hoofd­kwartieren van de strijd­krachten langs Suez Road. Toch hangt er geen dreigende sfeer; de mensen laten de soldaten met rust en de soldaten de mensen. Na vijftien kilometer Suez Road wijst een bord naar Rehab City. Rehab City is omgeven door een hek­werk, heeft bewaakte toe­gangen en een eigen veiligheidsdienst, groene plant­soenen en midden­bermen met exotische bomen, twee shopping malls en een food court. Het is een stad voor de Egyptische upper middle class, voor expats, Saoedis en Koeweitis en mede­werkers van de American University in Caïro (AUC). Phyllis woont er ook. De telefoon doet het weer, het net­werk is busy omdat iedereen belt met iedereen maar het lukt me erdoorheen te komen en Phyllis te zeggen dat ik er ben.

In de loop van de middag bereikt de onrust van Caïro Rehab City. Er cirkelt een leger­helikopter boven de stad en bij de voor­naamste toegangs­weg staan pantser­wagens. In Rehab City wonen de mensen die iets te verliezen hebben, waar­onder generaals. De onrust van Rehab City wordt vooral veroor­zaakt door de geruchten­machine. Er zouden voedsel­tekorten komen. In en in de wijde omgeving van Rehab City groeit niets eetbaars en alles moet worden aan­gevoerd. Er is een run op de super­markten; lange rijen bij de kassa’s, winkel­wagens volgeladen met yoghurt, dozen aard­beien en vooral wc-papier. Dat is waar de wel­gestelden behoefte aan hebben. Brood is uitverkocht en ook de sigaretten en de bel­kaarten. Met Phyllis lunch ik bij Tota – ‘international cuisine’ – en daar is helemaal geen tekort aan iets. Er zouden plunde­raars in aan­tocht zijn, ‘bedoeïenen’ zouden over het hek zijn geklommen, en daarom sluiten winkels de deuren. Er zijn files van zenuw­achtig rond­rijdende bewoners die iedereen aan­raden vooral naar huis te gaan en de deur op slot te doen. Mall 1 zou al geplunderd zijn maar Phyllis en ik zijn er een kijkje gaan nemen en er is helemaal niets geplunderd; Mall 1 is gewoon gesloten op de apo­theek na. Er zijn burger­wachten gevormd van jongens met knuppels en ijzeren pijpen en er zijn weg­blokkades opgezet. Die burger­wachten, dat is nog het zorge­lijkst; dat kan gemakkelijk uit de hand lopen en de geruchten omzetten in realiteit. Er ontstaan geruchten naar aan­leiding van de geruchten – de jongens zouden zich bewapend hebben met molotow cocktails – en er komen nieuwe geruchten. De Amerikaanse ambassade zou burgers aan­raden vooral het nieuws via de web­site te volgen maar het inter­net functioneert niet. Buiten­landers zouden geëvacueerd worden maar het vlieg­veld is gesloten. Turkish Airlines zou Turken helpen het land te verlaten maar ook andere nationaliteiten mee­nemen naar Istanboel. Phyllis is de spil in het geruchten­netwerk van de AUC. Ze belt en ze wordt gebeld. “Marc en Clarence zijn al vertrokken!” Het is allemaal gekte voor niks, het zou dood­stil kunnen zijn in Rehab City als de mensen zich niet gek lieten maken. In de loop van de middag houden de geld­automaten er mee op – ik heb nog geld kunnen opnemen – en dat wakkert de geruchten­machine nog meer aan. Er is een uitgaans­verbod ingesteld maar niemand houdt zich daar­aan. Iedereen is te zenuw­achtig, wil zien wat er gebeurt en geruchten delen.

Zondag 30 januari 2011

Voor het nieuws zijn wij in Rehab City afhankelijk van Nile TV, CNN, de BBC en Press TV en al die stations zenden voort­durend dezelfde beelden uit van straten volgepakt met demon­stranten en vragen hun verslag­gevers ter plaatse bezorgd “hoe is het daar bij jou?” Het bericht van de evacuatie zou verspreid zijn door Al Jazeera met de Amerikaanse ambas­sade als bron maar het kantoor van Al Jazeera is gesloten. Natuur­lijk worden Middle East watchers en andere pis­kijkers geïnterviewd: wat is er aan de hand, hoe komt dit, wat zijn de gevolgen? Er is heel veel onzin, ook gevaarlijke onzin. Volgens zo’n piskijker van CNN zou de opstand te maken hebben met de pro-Amerikaanse politiek: “Die traangas­granaten zijn van Amerikaanse makelij!” Die opinie wordt vervolgens als feit verkondigd door Press TV en die haalt weer een opstande­ling voor de camera die vast en zeker is geïnformeerd over de her­komst van die granaten en boos uitroept “de granaten zijn geleverd door de Amerikanen aan het regime van Mubarak om ons te onder­drukken!” Dat beeld wordt later weer door CNN over­genomen. Zo wordt nieuws gemaakt. Het is echt onzin: Egypte­naren zijn, als alle Arabieren, idolaat van de Verenigde Staten; Amerika is het culturele baken voor het Midden Oosten. Een andere verklaring: het zou hier gaan om een islamis­tische opstand. De vlam is niet voor niets op vrijdag pas echt in de pan geslagen: de mensen gaan eerst naar de moskee om de imam aan te horen en handelen daarna. Maar daarmee is het nog geen islamis­tische opstand. De Moslim Brotherhood heeft zich pas na lang aarzelen achter de demon­stranten gesteld; gisteren (zaterdag) maakte Nile TV daar­van melding en de Moslim Brotherhood heeft zich vooral geschaard (en verborgen) achter Mohammed El Baradei die bij de gewone Egypte­naren krediet schijnt te hebben.

Wie wil weten wat de brand­stof is voor de opstand hoeft niet bij die pis­kijkers te rade; die kan het de mensen zelf vragen en een beetje ervaring met het dage­lijks leven in Egypte helpt ook erg. Het is heel simpel: de mensen hebben er schoon genoeg van op de huid te worden gezeten en te worden beroofd door de politie en de veiligheids­diensten. Ik had zelf voort­durend last van die ellendelingen die mij verordon­neren dat ik niet die weg mag nemen en niet daar mag parkeren, die met de vingers knippen “passport!” en vragen om bakshees. Tien jaren geleden was ik ook in Egypte en er is wat dat betreft niets veranderd. Schoenpoetser Khumsan uit Luxor, toen: “Ze willen dat ik hun schoenen poets maar ze betalen niet!” Het is alleen maar erger geworden. Bij de monumenten zijn de souvenir­verkopers achter hek­werken gedrongen. Dat is natuurlijk heel fijn voor de toeristen maar niet voor de verkopers. Die moeten geld schuiven naar de touroperators en de politie om aan de bak te kunnen komen. Die souvenir­verkopers zijn razend. Het zijn mijn vrienden niet maar zoiets doe je mensen niet aan. Iemand geeft me een aardig voor­beeld van de Egyptische realiteit. Het is tegenwoordig voor motor­rijders in Egypte verplicht om een helm te dragen en dat is verplicht omdat de zoon van Mubarak een helmen­fabriek is begonnen. Het doet er niet toe of dat verhaal waar is; het gaat er om dat Egypte­naren zo hun werkelijk­heid beleven. Ik sta achter hun opstand. Zo lang ze van mijn motor afblijven, natuurlijk.

Maandag 31 januari 2011

Het uitgaans­verbod is nog steeds van kracht, zelfs vervroegd naar drie uur ’s middags, maar nie­mand houdt zich er aan. De rijen voor de bakkers­winkels zijn korter dan gisteren. De aan­voer van groenten lijkt normaal. Telefoon­kaarten van Vodacom zijn hele­maal niet meer te krijgen. Wel die van Nile Telecom. Ik ga met Phyllis lunchen bij Tota waar we andere expats treffen.

De geruchten­machine draait nog steeds op volle toeren. De elek­triciteit en de water­voorziening zouden worden afgesloten om de mensen onder druk te zetten. Phyllis’ appartement heeft drie toiletten: een voor Phyllis zelf, een voor de gast en een voor de meid en die toiletten moeten gespoeld kunnen worden. Expat Nicole: “Ik heb het bad laten vol­lopen maar ja, toen wilde ik douchen en heb het bad weer leeg laten lopen.” Er zou een run op batte­rijen zijn. Jeff raadt aan alle op­laders in te zetten “want je weet niet welke je nodig hebt”. Het zijn de zorgen en de maat­regelen van de wel­gestelden. Er zijn geruchten over evacuatie. Amerikaanse ambte­naren die geen essen­tiële taak in Egypte hebben wordt dringend gevraagd het land te verlaten. “Phyllis, ben jij een Amerikaanse ambte­naar zonder essentiële taak?” Phyllis: “Ik werk voor de Amerikaanse Universiteit van Caïro maar dan ben ik nog geen Amerikaanse ambte­naar en ik vind mijn werk heel essen­tieel. Ik ga het land alleen uit als de ambassade mijn ticket betaalt en als mijn salaris wordt gegarandeerd.” Ik: “Phyllis, zijn je katten eigenlijk Amerikaans staats­­burger?” Phyllis: “Ze zijn in Singapore geboren en dus volgens mij geen Amerikaans staatsburger.” Ik: “Als jij geëva­cueerd wordt zal ik ze voor je afmaken.” Zo houd je elkaar een beetje bezig. In Rehab City is de rust min of meer terug. Er zouden pantser­wagens in de stad zijn gesigna­leerd en ze zouden nu bij gate 13 staan. Phyllis en ik gaan daar een kijkje nemen maar er is niets te zien. Na lang zoeken vind ik sporen van rups­banden in het asfalt.

De televisie laat nog steeds dezelfde soort beelden zien: demon­stranten met vlaggen en span­doeken, schreeuwende jongeren op de schouders, een leger­fficier die de zijde van de demon­stranten heeft gekozen. Het enige dat ik ervan leer is dat ook downtown Caïro niemand zich aan het uitgaans­verbod houdt hoewel het leger heeft gedreigd met maat­regelen. Er wordt een demon­stratie aangekondigd voor de volgende dag waar zeker een miljoen mensen worden verwacht. ’s Avonds laat de televisie andere beelden zien. Burgers en soldaten beschermen het Egyptisch Museum tegen plunderaars. Een winkel­centrum is geplunderd en in de as gelegd. Een winkel­eigenaar wordt geïnterviewd en die man is zichtbaar geschokt en radeloos: “Ik weet niet wat ik moet beginnen; het was alles wat ik had.” Tragisch slacht­offer van de strijd om de macht. Het enige levens­teken van het regiem op de televisie is de installatie van een nieuwe regering. Mubarak neemt stram de loyaliteits­verklaringen van de ministers in ontvangst. Het is toneel als uit het communistisch tijdperk. Er is een vice­president benoemd, Osman Suleiman, een kleurloos heer­schap met een ranzig verleden in het veiligheids­domein. Mubarak jaagt daar­mee de mensen nog meer tegen zich in het harnas.

Dinsdag 1 februari 2011

Phyllis en ik zouden graag naar de demon­stratie op het Tahrir plein gaan maar hoe kom je daar? Ik wil niet op de motor, dat lijkt me te gevaar­lijk. De bus van Rehab naar Heliopolis rijdt niet en het is maar de vraag of de metro van Heliopolis naar Ramses rijdt. Wij kunnen niet naar die demon­stratie en zijn veroordeeld tot de televisie. Die laat overigens interes­sante beelden zien van soldaten die demonstranten op weg naar het Tahrir plein helpen. Lang­zaam schuiven de panelen: het leger kruipt dichter naar de burgers toe. Zou Mubarak ook naar de televisie kijken? ’s Middags krijgt Phyllis een telefoontje van een collega. Die is wel naar het Tahrir plein geweest, gewoon met de taxi. Er zou ook een demon­stratie geweest zijn in Rehab City, voor Mall 1. Phyllis: “Verdomme, we hebben alles gemist!”

’s Avonds houdt Mubarak een toe­spraak tot het Egyptische volk. Hij laat weten nooit van plan te zijn geweest zich verkies­baar te stellen voor een volgende termijn als president. Uit heel Rehab City klinkt hoon­gelach. De toe­spraak ronkt verder over ‘zorg voor rust en orde’, ‘transitie­periode’ en ‘willen sterven op Egyptische bodem’. De toe­spraak maakt duidelijk dat ook bij Mubarak de panelen lang­zaam schuiven. Dat hij zich niet meer verkies­baar stelt voor een volgende presidentiële termijn is niet genoeg om de demon­stranten van de straten te krijgen. Die willen hem gewoon weg hebben. Mubarak realiseert zich dat kennelijk vandaar dat ‘willen sterven op Egyptische bodem’.

Woensdag 2 februari 2011

Er is een pat­stelling. Het leven herneemt zijn normale gang, in ieder geval in Rehab City. Er zijn geen rijen meer voor de bakke­rijen, de malls zijn open en sommige banken doen ook weer zaken. Siga­retten zijn niet te krijgen, behalve in de soek, en ook de bel­kaarten van Vodacom zijn nog uit­verkocht. Het vlieg­veld is open en van evacuatie hoor ik niks meer. Normaal dus maar Mubarak zit er nog. De vraag is of zijn belofte niet meer deel te nemen aan de komende presidents­verkiezingen voldoende is. Downtown Caïro zal men met die belofte zeker geen genoegen nemen maar in Rehab City woont de upper middle class en die zijn meer geneigd de belofte te slikken. Die upper middle class heeft wat te verliezen en is gebaat bij herstel van de orde. We zullen zien hoe dat afloopt. Zit Mubarak er vrijdag nog dan zal het spannend worden. Op vrijdag spreekt de moskee. Egyptenaren zijn geen schapen maar het woord van de imam wordt wel gewogen.

Ik heb zojuist via het internet (goddank werkt dat weer) de veerboot van Alexandrië naar Venetië geboekt voor de dertiende. De veerboot van de zesde vaart niet. Het is zestig uur varen en dan kom ik op de zestiende vroeg in de ochtend aan. Ik heb een bevestiging van de veerbootmaatschappij gekregen van mijn boeking maar ook de mededeling dat het schip momenteel in Tartous (Syrie) ligt “… waiting to return in Alexandria when will be the possibility to embark and disembark passengers.” We zullen zien.

Donderdag 3 februari 2011

Voor vandaag is een solidariteits­demonstratie gepland van Amerikaanse expats. We hebben de actie van dinsdag gemist en Phyllis is vast van plan dat niet nog een keer te laten gebeuren: wij gaan downtown. We willen een taxi naar Garden City, het stads­deel waar de Britse en Amerikaanse ambassades zijn gevestigd, naast de hot­spot van Tahrir Square. De eerste taxi weigert – “daar begin ik niet aan” – en ook de tweede maar de derde is bereid ons te vervoeren “zover als ik kan komen”.

Voor het eerst sinds zater­dag kom ik buiten Rehab City. Bij de afslagen van de rotonde staan pantser­wagens, ook bij de aan­sluiting naar Suez Road, op Suez Road staat om de kilo­meter een tank en op alle kruisingen van de hoofd­weg naar downtown. Het leger heeft grip op de stad: als die tanks ’n paar meter naar voren rijden is het slagader­stelsel van Caïro geblokkeerd. We bereiken de rand van Garden City en daar heeft het leger de toe­gang afgesloten. “Zover kan ik komen” zegt de taxi­chauffeur. We gaan lopen, nemen een stille straat parallel aan de hoofdweg, langs de Britse ambassade tot aan de Cornische, in het volgende blok ligt de Amerikaanse ambassade, dan de hoek om en zo bereiken we het Simon Bolivar plein. Het is verbazend, vanwege die ambassades, dat we zover zijn gekomen. Er staan veel tanks en pantser­wagens en er zijn veel soldaten maar niemand legt ons een stro­breed in de weg. Tot de verbinding met het Tahrir plein: de hotspot is verboden gebied. De soldaat die ons de weg verspert heeft een Egyp­tisch alter­natief: hij wenkt een jonge­man en die neemt ons mee door een zijstraat naar de Qasr al-Nil brug, de ‘Lions Bridge’ vanwege de leeuwen die aan beide zijden staan. Het is de brug waarop ik door de politie ben beschoten. Ik wist niet dat die brug uitkwam op het Tahrir plein. Bij die toe­gang tot het plein staan ook tanks en pantser­wagens maar de controle is in handen van de demon­stranten. Ze staan in drie rijen dwars op de weg en bij elke rij is het: tas open en pas­poort of identiteits­kaart tonen. Ze zijn beleefd: “Sorry, maar we zijn bang voor tegendemonstranten met wapens.” Er is gescheiden toe­gang voor mannen en voor vrouwen. Egypte blijft Egypte, ook tijdens de opstand. Bij de bakker zijn ook afzonderlijke rijen voor mannen en voor vrouwen. Phyllis zei: “Ga weg, je staat in mijn rij.” Ze heeft geen bezwaar tegen die scheiding: “Ik heb geen moeite met mannen uit de midden­klasse maar mannen uit de lagere klassen zijn zo onbeschoft.”

Welkom in bevrijd gebied: het Tahrir plein is omgedoopt tot Liberation Square (of Freedom Square, dat weet ik eigenlijk niet). Het uit­gebrande en zwart­geblakerde gebouw van Mubarak’s partij naast het Egyptisch Museum is het decor voor de hotspot van de opstand. Het is druk op het plein: veel jonge­mannen natuurlijk maar ook oude heren in pak of djellaba en vrouwen met en ook zonder hoofd­doek, een enkele piep­jonge demon­strant. En een groep islamitische geeste­lijken. Een van hen wordt op de schouders gedragen. Het zou de president van de vereniging van onaf­hankelijke moskeeën zijn. Span­doeken, solitaire demon­stranten met protestborden, veel Egyptische vlaggen. De sfeer is kalm maar het is de kalmte van wachten op wat komen gaat, gespannen kalmte als bij het wachten op een begrafenis- of huwelijks­stoet. Er klinkt een schot en iedereen rent in de richting van het geluid. Plotseling rennen mannen naar de brug en anderen er achteraan. Ze komen weer terug: niets aan de hand, gelukkig. Iemand wordt voor een tegendemonstrant aangezien. Die krijgt klappen. De vergissing blijkt, het slacht­offer wordt geknuffeld en “sorry, sorry”. Gisteren – en misschien ook deze morgen nog – is er hevig gevochten tussen demon­stranten en tegen­demon­stranten. Er lopen veel mensen rond met hoofd­wonden, verbonden koppen, gepleisterde neuzen: stenen komen van boven. Ik vraag een jongen met zijn hoofd in het verband of hij hoofd­pijn heeft. Heeft’ie niet, zegt hij, dus ernstig zal het niet zijn. Ernstig gewonden heb ik niet gezien, ook geen ambu­lances. Er is een medische post ingericht, er worden brood en pakjes vruchten­sap uitgedeeld, anderen zamelen het vuilnis in “want ik ben onderwijzer”. De mensen zijn moe, moe van een slape­loze nacht, moe van de spanning. Maar opgeven? “Nooit! Ik blijf totdat de dictator weg is!”

Hoe is het als buiten­lander hier te zijn? De mensen zijn blij met de buiten­lander, komen een hand geven, zeggen “welcome”, vragen waar ik vandaan kom. “Hollanda? Welcome!” Ik kan vragen stellen en ik kan foto­graferen zonder lastig te worden gevallen. Ik voel me veilig. Waar is die steun­demon­stratie nou? Phyllis belt en belt en wordt gebeld. Het schijnt dat sommigen hun hotel niet kunnen verlaten, anderen kunnen de toe­gang tot het plein niet vinden. Ah, daar komt Amy: lang haar, kleur verlopende zonnebril, plastic tasje met de protest­slogans, telefoon aan het oor want ze heeft Al Jazeera aan de lijn. Uiteindelijk zijn we met zessen. Van de honderd­vijftig die zouden komen. Niet veel maar het is genoeg: we worden opgemerkt. “Er zijn Amerikanen die ons steunen!” We worden gefoto­grafeerd met mobieltjes, mensen willen met ons op de foto, komen bedanken. Top! Mensen komen vertellen dat ze tegen de Amerikaanse politiek zijn. En Israel deugt niet en steunt Mubarak. De propaganda­slag die in de media woedt resoneert op het plein. Mensen halen er de pers bij: “Kom, er zijn Amerikanen die ons steunen!” Ik sta er ook, met een protest­bord in de hand – “Democracy occurs not through external intervention but internal uprisings. Support the Egyptian people now.” Ik heb dat niet bedacht, het is een bord van Amy, en heel gelukkig voel ik me er niet bij want ik ben geen demon­strant van nature. Gelukkig ben ik niet interessant voor de media want ik kom uit een onbetekenend landje en ben slechts een ‘visitor’, voegt Phyllis eraan toe. Zij trekt de pers aan. “Wat doet u in Egypte?” “Ik ben resident en ik werk hier” – ze wijst naar het gebouw achter ons – “bij de American University of Caïro.” Ze glim­lacht en wacht even tot het belang van haar personage bij de pers­man is ingedaald. Dit is Phyllis’ finest hour. “Had u dit verwacht?” “Er wordt op dit plein voort­durend gedemonstreerd. Ik kan dat zien vanuit het raam van mijn werk­kamer. Maar dit had ik niet verwacht. Ik vond Egypte­naren altijd nogal lui” – auw! ik hoop dat die opmerking uit het inter­view wordt geknipt – “en passief maar ze zijn niet passief! Dat ziet u nu.” “Wat vindt u van de houding van de Verenigde Staten?” “Ik stond op die brug in een Obama-shirt toen Obama hier kwam maar hij heeft niets gedaan voor Egypte! Obama moet nu kiezen voor het volk. Nu!” Applaus van de om­standers. “Waarom steunt u de demon­stranten?” “Ik ben Amerikaans staatsburger en ik ben vrij om mijn mening te uiten. Ik ben ook burger van de wereld en wat voor wereld­burger zou ik zijn als ik niet mensen steunde die de vrij­heid willen die ik heb?” Een mooier state­ment had ze niet kunnen maken. Zij steunt mensen vanwege rechten, ik steun mensen omdat ik me emotio­neel met hen verbonden voel. De persman wil haar telefoon­nummer, voor later.

Het wordt drie uur. Om vijf uur komt de instal­lateur van de satelliet­schotel en daarom gaan we terug naar Rehab City. De taxi rijdt de ring­weg. We komen langs de Carrefour supermarkt die volgens geruchten zou zijn geplunderd en afgebrand. Er zijn een paar ramen kapot, misschien geplunderd maar niet in brand gestoken. Weer een gerucht ontzenuwd. Phyllis kijkt voort­durend op haar mobieltje of ze misschien gebeld is door de pers­man.

Vrijdag 4 februari 2011

Ochtend; Nile TV, Al Jazeera, CNN, BBC Worldservice, Press TV: ze zenden allemaal flashbacks uit van de afgelopen dagen en speculaties over wat komen gaat. Voorlopig gaat het er helemaal niks komen, er gaat pas wat komen na het middag­gebed. Het wordt tergend lang­zaam twaalf uur. Ik zie op Nile TV dat het gebed op het Tahrir plein is begonnen. Van de moskee in onze buurt klinkt de oproep tot gebed iets later. Ik hoor de preek; jammer dat ik het Arabisch niet kan verstaan. De preek klinkt opgewonden maar Arabisch klinkt in Westerse oren altijd opgewonden en de volume­knop van de versterker is als gewoonlijk helemaal opengedraaid. Als de preek is afgelopen ga ik de deur uit, naar de moskee. Buiten staan groepjes mensen in gesprek. Ik vraag aan een paar oudere mannen wat de voor­ganger heeft gezegd. Ze lachen “Wat denkt u? Hij heeft opgeroepen tot kalmte en overleg.” Het is het soort bood­schap dat bij Rehab City past. Voor de zeker­heid vraag ik het nog aan een groepje opgeschoten jongens, van die mini-macho’s waarvan Egypte hele legers heeft. Ze bevestigen de samen­vatting van de ouderen en lijken een beetje teleur­gesteld; die willen actie. Op weg naar de soek zie ik voor het eerst soldaten in de straten van Rehab. Ze worden vervoerd in kleine open vracht­auto’s en die zijn voorzien van Egyptische vlaggen. De soldaten zwaaien en maken het victorie­teken. Langzaam schuiven de panelen.

Wat zou in de moskeeën van de volks­wijken zijn gezegd en wat in de preek op het plein? Ik ben aan­gewezen op de televisie want Phyllis wil niet naar downtown. Die heeft haar finest hour gehad en Marc en Jacky komen om afscheid te nemen. Ze hebben er genoeg van, gaan terug naar de Verenigde Staten. Vooral Jacky is erg bang; mijns inziens zonder enige reden. De televisie, dus. De uitzending van het middag­gebed op het plein is bijzonder vanwege de verstikte stem van de voorganger; emotie. ’s Morgens werd gespeculeerd dat de demon­stranten op het Tahrir plein naar het presidentieel paleis zouden marcheren. Als ze dat doen, dan zijn ze daar de middag wel mee bezig want het paleis ligt acht kilo­meter van het plein. De hele middag tonen de televisie­stations beelden van het plein. Dat is eivol maar er is geen mars naar het presidentieel paleis. Uit Alexandrië komen dezelfde soort beelden. Omdat er niets gebeurt richten de televisie­stations de aandacht op het sidenews. Press TV zendt een verklaring uit van Ali Khamenei, de geestelijk leider van Iran. Die steunt de opstand en noemt het een islamitische. Dat is wishfull thinking en Ali zou even moeten denken aan de recente opstanden in zijn eigen land. CNN en de BBC bespiegelen de kosten van de opstand: tot nu toe zo’n zeventig miljard pond en een miljoen toeristen heeft het land verlaten. Dat klinkt als een vlucht en dramatischer dan het is. Het is momenteel toeristisch hoog­seizoen, voor veel toeristen zit de vakantie erop en er komen even geen nieuwe binnen. Egypte zal die kosten wel overleven. De BBC meldt dat journalisten mis­handeld zouden zijn en buiten­landers gearresteerd en vast­gehouden door de politie, bevrijd door het leger en daarna weer gearres­teerd door de politie. De politie is de controle kwijt over de situatie en over zichzelf. Al Jazeera heeft een inter­view met Omar Suleiman, dat kleur­loze heerschap dat plotseling vice­president is geworden. Nee, de regering zal geen geweld gebruiken om de demon­stranten van het plein te krijgen, natuurlijk niet, maar hij hoopt wel dat ‘de jongeren’ naar huis gaan, naar hun ouders. Hij doet zich voor als een bezorgde vader. Het is kleinerend. Het regime heeft een buiten­gewoon vermogen de verkeerde toon aan te slaan. Eerst spreekt Mubarak de mensen toe “niet als president maar als gewone Egyptenaar”, dan zegt hij dat hij dol­graag de hand­doek in de ring zou willen gooien maar nu natuurlijk niet weg kan en dan komt het kleur­loze heerschap vertellen dat de jongeren naar hun ouders moeten. Met al dat sidenews kabbelt de middag vredig voorbij. Phyllis en ik zijn recalcitrant: wij gaan eten bij de Chinees in de soek ondanks het uitgaansverbod. Dat is ons protest van vandaag. Wij zijn de enigen niet, er is veel leven in de soek, en de soldaten hangen lui op hun vrachtauto. Phyllis: “Ik hoop dat ze dekens hebben want het wordt koud vannacht.”

Zaterdag 5 februari – dinsdag 8 februari 2011

Caïro is een hyper­polis met bijpassend wegen­stelsel. De ring­weg te rijden is een belevenis: zes rijbanen in elke richting. Uitgebrande auto­wrakken in de midden­berm en zwarte brand­vlekken in het asfalt getuigen van de opstand. Er is veel verkeer op de ring­weg en er zijn opstoppingen. Die worden veroor­zaakt door de tanks die ’n paar meter het asfalt zijn opgereden en daar moet het verkeer omheen laveren. Toont het leger haar spier­ballen of is het gewoon beroerd parkeren? Ik wil er een dagje tussen uit, naar de piramiden van Sakkara en Gizeh. Het wordt niks: de toegangen zijn afgesloten door die vrese­lijke kerels van de veiligheids­dienst. Ik kan soebatten en praten als Brugman maar het is ‘nee’ en het blijft ‘nee’. De televisie meldt dat al ‘n miljoen toeristen het land heeft verlaten, suggereert dat die voor de opstand zijn gevlucht, maar alle beziens­waardigheden zijn gesloten en er is dus voor een toerist niks te doen. Hoe krijg je eigenlijk in een week een miljoen toeristen het land uit?

De opstand is in een pat­stelling terecht gekomen, misschien wel dood­gelopen, en ik heb mijn buik vol van de verstikkende wel­vaart van Rehab City met haar mall 1 en mall 2 en de food court en met haar pubers die op quads rond­rijden. Ik wil er uit. Ik wil zien hoe de werkelijk­heid van de opstand is buiten de hoofd­stad. Ik nam de Desert Road naar Alexandrië: links de woestijn, rechts de akkers van de Nijl­delta. Veel grote landerijen; dit is de wereld van de agro-industrie, van boeren met financiële spier­ballen om globaal te kunnen concurreren. De wereld die het regime van Mubarak graag ziet en waarvoor bankiers applaudis­seren. Niet de wereld van de kleine boer die sappelen moet en waarvoor de regering geen oog heeft. Bij Alexandrië nam ik de Coastal Road langs de Middel­landse Zee naar El Alamein en Marsa Matrouh. Ik zag uit naar de Middel­landse Zee – zo blauw, zo blauw – maar de kust is hier een ramp­gebied. Niet het gevolg van de opstand maar van de toeristen­industrie. Die hele kust is volgebouwd met tourist­resorts, vanaf Alexandrië tot aan El Daba, over meer dan honderd­vijftig kilo­meter. Veel zijn er niet afgebouwd en ze zijn allemaal leeg en gesloten. Er is geen hotel. Ik vind er toch een, het Iberotel. Dat is een kolos van wel tweehonderd­vijftig kamers met een zwem­bad (dat heb ik nooit begrepen: waarom zou een hotel aan zee een zwem­bad hebben?) en een sunset­terras en heel veel parasols, allemaal ingeklapt. Een kamer kost er tweehonderd­vijftig dollar per nacht maar ik krijg er een voor een zacht prijsje – driehonderd­vijfen­zeventig pond ‘half board’ (vijftig euro) – want ik ben de enige gast in dat immense hotel.

El Alamein is een geo­grafische vlek maar een grote naam in de geschiedenis van de Tweede Wereld­oorlog. Churchill zei er over: voor El Alamein hadden we geen enkele over­winning, er na geen enkele neder­laag. Churchill was een begenadigd redenaar. Ik wil graag het oorlogs­museum bezoeken. Gesloten, vanwege ‘de situatie’. Na veel vijven en zessen mag ik toch het open­lucht gedeelte met het wapen­tuig bezoeken maar niet de tentoon­stelling in het museum. Dat is Egypte: wel buiten in de regen maar niet binnen waar het droog is. In de regen heb ik dat wapen­tuig gauw gezien. De oorlogs­kerkhoven kan de regering niet sluiten want die zijn geen Egyptisch grond­gebied. Ik bezoek het Commonwealth War Cemetery, het Duitse Soldatenfriedhof en loop ook nog even bij de dode Italianen binnen. Allemaal treurige plaatsen, plaatsen waar de bezinning na de dood komt: “nooit meer oorlog”. Matrouh is meer stad dan El Alamein maar provinciaals op drie­honderd kilo­meter van Alexandrië en de laatste voor de Libische grens. Ver van de grote wereld, ver van de opstand in Caïro en Alexandrië en toch bezet door het Egyptische leger. Bij de toegang tot de stad staan tanks, op elke straat­hoek staan tanks en pantserwagens en soldaten en de boulevard is afgesloten. Het is er dood­stil, heel weinig mensen op straat. Bezette stad. Omdat de boulevard is afgesloten, is Beau Site het enige bereik­bare hotel en ook hier ben ik weer de enige gast. De receptionist wenst mij ’s morgens een goede reis naar Siwa toe en hoopt dat ik nog eens terugkom “als de situatie is genormaliseerd.” Het leger draagt haar eigen steentje bij aan mijn vertrek: bij drie checkpoints word ik onder­vraagd – ‘Wat gaat u daar in Siwa eigenlijk doen?’ – en ze willen mijn pas­poort zien en ook de bagage contro­leren. Dat laatste weiger ik, daar begin ik niet aan, en het wordt geslikt want dit is Caïro niet. Drie­honderd kilometer door de woes­tijn naar Siwa. Het waait hard, het is koud, maar het regent niet meer. De regen van de vorige dag heeft grote plassen achter­gelaten. Regen in de woestijn. Asphodelia is haastig aan de grond ontsproten en bloeit al met grote witte bloemen. Siwa is veranderd in een modder­poel. Bij de entree is een checkpoint van het leger en in de straten patrouil­leren soldaten. Het Egyptische leger heeft zelfs een modder­poel bezet. Ik bel even met Phyllis om te horen hoe ‘de situatie’ is. De opstand heeft zich verbreid; zelfs naar de oasen. In Bahariya zou het lokale bureau van de regerings­partij zijn platgebrand en ook het politie­bureau. Wauw! Daarom zijn er soldaten in Siwa.

Woensdag 9 februari – vrijdag 11 februari 2011

Ik had gepland zeker twee, misschien drie dagen in Siwa te blijven. Ik heb de tijd en die neem ik voor het ontbijt en daarna voor het bezoek aan de Tempel van het Orakel waar Alexander de Grote zich over zijn toe­komst liet informeren. Ik kuier door de oase, groet de boeren, vraag naar de gevolgen van de regen (“regen hebben wij niet nodig, water genoeg”). Na de lunch bel ik met Visemar, de veerboot­maatschappij, om te horen waar ik zondag de veer­boot zal vinden. Ik krijg Walid, de woord­voerder, aan de lijn: “Goed dat u belt. Het vaar­schema is gewijzigd. U wordt morgen in Alexandria Port verwacht, morgen­vroeg om negen uur.” “Ik ben in Siwa! Ik ben zes­honderd kilometer van Alexandrië en het is nu een uur in de middag!” Walid: “U moet hier morgen­vroeg zijn of wachten op de volgende afvaart, misschien de twintigste.” Ik moet even slikken, vooral ergernis inslikken. Wachten op de volgende afvaart? De twintigste? Misschien? Het is geen optie: mijn visum, mijn Egyptische rijbewijs en mijn verzekering verlopen op de dertiende. Het moet: morgen­ochtend om negen uur in Alexandrië. Ik vertrek in grote haast uit Siwa. Het is koud, het waait nog steeds hard, de lucht is grijs en de woestijn dus ook, het regent af en toe en dan is drie­honderd kilo­meter naar Matrouh en dan nog eens driehonderd naar Alexandrië erg veel, zelfs bij honderd kilo­meter per uur. Om acht uur ’s avonds ben ik weer terug in het Iberotel. De volgende morgen moet ik nog vijftig kilo­meter, vertrek om half acht en bereik Alexandria Port tegen tienen. Het was even zoeken.

Verhip, daar is Matthias ook! Matthias is een Zwitserse collega-motor­rijder. Ik heb hem in Dongola, Soedan, ontmoet, we hebben samen de veer­boot van Wadi Halfa naar Aswan genomen, samen gereisd van Aswan naar Luxor en in Quseir hebben we afscheid genomen want ik wilde een paar dagen aan het strand van de Rode Zee door­brengen en Mathias had haast: hij wilde de veer­boot van de dertigste januari nemen, eventueel die van de zesde. Er was geen afvaart op de dertigste en ook niet op de zesde; hij is al twee weken in Alexandrië. Er is nog een collega, Michael, die de mede­deling van Visemar woordvoerder Walid ontving in Dahab, in de Sinai op acht­honderd kilometer van Alexandrië. Beiden hebben hun eigen verhalen. Mathias heeft vier uren vastgezeten in een politie­bureau in Alexandrië omdat de politie hem ervan verdacht een journalist te zijn. Michael kreeg in Zagazig, in de Nijl­delta, van het leger een reis­verbod opgelegd en moest daar de nacht doorbrengen.

Ik hoef niet naar de bureau­cratie, de bureau­cratie komt naar mij. Daar is de man van de immigratie­dienst die mijn pas­poort wil voor het uitreis­stempel en daar komt de douane­man voor het Carnet de Passage en daarna is er een om het motor­nummer en het frame­nummer op te nemen en de volgende komt om de Egyp­tische kenteken­platen terug te nemen en dan komt er een die het Egyp­tische rij­bewijs terug wil en daarna de politie die de bagage wil contro­leren en dan komt de vertegen­woordiger van Visemar met de inscheping­kaart en met een nare mede­deling: het schip zal pas morgen uitvaren; de datum staat ook op de inscheping­kaart: 11/02/2011 – 12:00. Waarom moest ik vandaag om negen uur ’s morgens in de haven zijn? Van Egypte kun je heel erg moe worden. Er gebeurt een paar uren helemaal niks. Wij – drie motor­rijders, twee fietsers, twee back­packers, wat Egypte­naren die terug naar huis in Italië gaan en een groep Italianen met mobile homes die een adventure trip in de Sahara zouden maken, niet verder dan Alexandria Port zijn gekomen en nu terug­gaan naar Italië – hangen op de banken van het wacht­lokaal van Visemar. Wachten, wachten waarop? Het is de hele ochtend zonnig geweest en nu hangt er een dreigend donkere onweers­lucht en het begint te regenen. Op dat moment komt de vertegen­woordiger van Visemar: we moeten nu – onmiddel­lijk, zonder uit­stel – naar het schip want het zal toch vertrekken, misschien over een uur al. Onze stoet zet zich in beweging – mobile homes, motoren, fietsen, vooraf­gegaan door een motor­agent en een politie­auto en gevolgd door de bezem­wagen van Visemar – in de stromende regen over de laatste vijf­honderd meter Egypte. Ach, Egypte. De opbeuring is van korte duur, korter dan de regen: de dek­officier deelt mee dat het schip toch niet vandaag maar morgen – ‘misschien’ – zal vertrekken, dat we wel aan boord moeten, dat het schip afgesloten zal worden en dat we er niet vanaf kunnen. Ik: “Wat is het pro­bleem nu weer?” De dek­officier: “Er zijn met Egypte­naren altijd pro­blemen.” Het is waar: Egypte­naren hebben een onge­ëvenaard talent pro­blemen te scheppen; het is een natio­nale sport. De laad­deuren worden gesloten – dat is prettig bij de gedachte aan het lot van de Herald of Free Enterprise – en de veer­boot wordt bewaakt door de politie. De hele middag golven de geruchten van boord tot boord: wel vertrekken, niet vertrekken, toch vertrekken. Aan de bar is geen bier, wijn of borrel te krijgen – we zijn nog steeds in Egypte – maar “misschien vanavond om acht uur of tien uur” zegt de bar­man cryptisch. Ik krijg een sms’je van ‘MOI’, in het Arabisch. Ik laat het vertalen door Ahmed met wie ik een hut deel. Het bericht is afkomstig van het Ministry of Interior of van het Ministry of Information – beide ‘MOI’ – en er staat dat iedereen kalm moet blijven en dat er goede toe­komst voor Egypte zal zijn. Ik krijg dat sms’je, niet omdat ik een VIP ben (ik ben meestal een BIG, een Bijzonder Interessant Geval) maar omdat in mijn telefoon een Egyp­tische sim­kaart zit. Alle Egypte­naren met een mobieltje – alle Egyptenaren hebben een mobieltje – zullen het­zelfde bericht hebben gekregen. Zeg niet dat Egypte niet kan orga­niseren.

Wachten, in ieder geval tot zaterdag­morgen, totdat de toe­stemming komt om te vertrekken. Er is niet veel enter­tainment aan boord van de Visemar One. Er is inter­net beloofd maar niet beschik­baar want “we hebben de schotel verloren bij ruw weer”. In de lounge hangen twee televisie­schermen. Een is afgesteld op de Italiaanse televisie, de ander op het Ara­bische station van Al Jazeera. De Italianen kijken naar quizzen, de Egypte­naren naar het nieuws uit eigen land. Voor ons – zij die noch het Italiaans noch het Arabisch machtig zijn – is er niets. Ik nestel me bij de Egypte­naren die voor mij de bood­schappen van Al Jazeera vertalen. In de avond, tegen tienen, gaat er plotseling een sidde­ring door het schip. We vertrekken …? We vertrekken! Ik bel nog even Phyllis om afscheid te nemen: “We mogen vertrekken, het schip vaart nu de haven uit!” Phyllis: “Dat begrijp ik: er is een televisie toe­spraak van Mubarak aangekondigd voor later op de avond. Als Mubarak niet zegt dat hij vertrekt breekt hier de hel los.” In Alexandrië zijn politie­bureaus in brand gestoken, de BMW-vestiging is geplunderd, in het centrum vechten demon­stranten met de oproer­politie, van­middag hing er een zwarte rook­kolom boven de stad en dan is de hel nog niet eens los­gebroken. Ons vertrek is een vlucht. Bij de haven­mond vaart het schip al bijna op kruis­snelheid, veertig kilo­meter per uur; ik kan het zien op mijn GPS.

De beloofde toe­spraak van Mubarak komt, laat in de avond, en hij her­haalt nog eens wat hij eerder heeft gezegd, dat hij wil sterven op Egyp­tische bodem. Menig demon­strant zal hem daarbij graag willen helpen. De Egyp­tische passa­giers zijn erg neer­slachtig. Ahmed: “ohoh, hij verwoest het land.” Ahmed slaapt slecht en ik lijd met hem mee want ik word wakker telkens als hij zijn bed­lampje aanknipt. De volgende dag is de stemming aan boord bedrukt maar ’s middags klinkt een juich­schreeuw, rent een Egypte­naar zwaaiend met de nationale vlag de passagierslounge binnen: “hij is weg, hij is weg!” Niemand weet waar­heen, “misschien naar Dubai, dan kan hij Benali gezel­schap houden” (Benali is de voormalige president van Tunesië die ook door zijn volk is weg­gejaagd) maar het interesseert ook niemand: “het zal ons een zorg zijn waar hij is, hij is weg!” Ik feliciteer Ahmed en de andere Egypte­naren. Hun opluchting verspreidt zich over de andere passa­giers. Aan boord heerst feest­stemming.

Zondag 13 februari 2011

Het is koud, mistig en het mot­regent. De lucht is muis­grijs, het licht groenig grijs en de zee donker­grijs en zo vlak als een spiegel. De veer­boot ligt op de rede van Venetië. We zijn plotseling, afwijkend van het vaar­plan, uit Alexandrië vertrokken en daarom is er geen lig­plaats beschik­baar in de haven. Pas morgen zullen we de haven binnen kunnen varen. Vieren­twintig uren wachten. Tijd voor een terug­blik.

Waar ging het ook al weer om? “Vrijheid, recht, wel­vaart” riepen de demon­stranten eerst en later “We want to bring the tyrant down.” Die mensen willen een toe­komst. Ze zijn het zat geringeloord, geslagen en uit­geperst te worden door de autori­teiten, de politie en de veiligheids­diensten voorop. Voor alles moet toe­stemming gevraagd worden, met de pet in de hand, en er moet geld geschoven worden. Wie niet heel timide is krijgt klappen. Het is vreselijk. De meeste toeristen merken daar niets van, die doen de groeps­reizen waar de bus­chauffeur en de reis­leider tussen de toerist en de politie en veiligheids­dienst staat. Ik ervaar het wel, ik reis alleen en op de motor en ik kom bij de checkpoints die vrese­lijke onbehouwen kerels tegen die mij vertellen dat ik die weg niet mag rijden, daar niet naar toe mag, hier niet mag blijven en “passport!”. Mijn behandeling is nog fatsoen­lijk vergeleken bij wat de gemiddelde Egypte­naar moet verdragen en ik word niet geslagen en ik hoef niet te schuiven (Oh nee? Egypte is het enige land in heel Afrika waar ik een custombrooker moet inhuren om zonder gedoe de grens over te komen). De verhouding tussen staat en burger is moei­zaam in Egypte en in alle Arabische landen die ik heb bereisd. De staat is uiterst wan­trouwig tegenover de burger, probeert hem te contro­leren en tot gehoor­zaam­heid te brengen en dan is het maar een klein stapje om ook eens in zijn zakken te voelen. De burger van zijn kant probeert de staat zoveel mogelijk te ont­lopen zonder haar nog wan­trouwiger te maken. Er is strijd. Meestal stille strijd, soms harde confron­tatie. Dat is wat er nu is gebeurd. Het is niet gezegd dat met een andere regering die moei­zame verhouding verbetert want het zit diep in de Arabische samen­leving. Daarom ben ik geen revolu­tionair.

Dat intimi­derende mengsel van politie en veiligheids­diensten is niet uit de lucht komen vallen. Egypte heeft namelijk een geschie­denis van terror­isme. In 1996 is er een aan­val geweest op de tempel van Hatsepshut bij Luxor en daarbij zijn veel toeristen en tien­tallen Egypte­naren, maar die doen er nooit toe, met machinegeweren neer­gemaaid en daarna zijn er nog meer aan­slagen geweest op toeristen­plaatsen. Het Egyp­tische regiem, bezorgd om de inkomsten uit het toerisme, heeft gehandeld volgens de gebruike­lijke Arabische reflex: met absolute con­trole en keiharde onder­drukking waarbij wille­keurig is gemoord en stevig gemarteld om het volk met angst in het gareel te houden. De toeristen­kip is niet van de leg geraakt en produceert gouden eieren. In Luxor liggen de Nile cruisers vijf rijen dik langs de kade, de Cornische is vrijwel geheel vernieuwd en de soek erachter is getrans­formeerd in een elegante souvenir shopping mall. In Aswan is hetzelfde gebeurd: het Mövenpick hotel dat ver boven stad en Nijl uitsteekt is er de brutale blik­vanger en symbool van vooruit­gang. Vanuit Caïro en langs de Rode Zee is een indruk­wekkend net­werk van snel­wegen aangelegd, ruim berekend op de verre toe­komst want nu hebben de meeste Egyptenaren geen auto. In de Nijl­delta zijn mega­boerderijen gekomen die concurreren op de wereld­markt. Egyptische sperzie­bonen liggen in Hollandse super­markten. Wat een groei­cijfers, wat een succes! Het IMF geeft schouder­klopjes en de bankiers en onder­nemers applaudisseren voor het ‘gunstige ondernemers­klimaat’. Afgezien van een kleine elite die innig met het regiem is verbonden en de bewoners van steden als Rehab City hebben Egyptenaren van dat ‘gunstige ondernemers­klimaat’ nauwelijks geprofiteerd. De kleine boer sappelt op zijn veldje, de wegen in de dorpen zitten vol kuilen, scholen zijn onder­komen, de werk­loos­heid is gigantisch en armoede is het enige vooruit­zicht voor de jongeren. Daarom schreeuwen ze “vrijheid, recht, welvaart”. Mubarak trok er zich niets van aan want hij had het immers goed gedaan naar IMF-maat­staven en voldeed prima aan de verwachtingen van het Witte Huis. Hij was er aan gewend bewierookt te worden, aan de gigan­tische foto’s van een energieke president in de kracht van zijn leven, aan de Mubarak Boulevard en de Mubarak brug en zijn vrouw aan het Susanne Mubarak zieken­huis, het Susanne Mubarak museum en het Susanne Mubarak pret­park. Als andere autocraten. Mubarak zag alleen de cijfertjes en het zakelijk succes van zijn coterie en niet de werkelijkheid van het gewone Egypte en daarom riepen de demon­stranten “We want to bring the tyrant down.”

Ik was er bij. Ik stond voor het brandende partij­gebouw. Ik zag de tanks op de straten en de demon­stranten op de tanks. Ik was op het Tahrir plein tussen de demon­stranten. Ik was getuige van een adem­benemend drama met vier acteurs: de demon­stranten, het regiem, de politie en het leger. De demon­stranten waren vooral jongeren maar dat maakt de opstand nog niet tot een jongeren­opstand. Meer dan de helft van de Egyptische bevolking is jonger dan vijfen­twintig jaar, een derde jonger dan vijf­tien. Er waren ook oude mannen bij en mannen van middel­bare leeftijd in broek, trui en jasje of in djellaba. Vrouwen uit de midden­klasse deden mee, van die vrouwen met een water­golf kapsel die het midden houden tussen een matrone en je moeder en die vroeger bepalend waren voor het straat­beeld in de betere wijken maar nu steeds minder voor­komen, en vrouwen met een chador die steeds meer voor­komen. Islamitische opstand? Het overgrote deel van de Egyptenaren is moslim en daarom wordt vanzelf­sprekend op het plein gebeden. Iemand vertelt me dat christenen het plein bewaakten tegen aan­vallen van tegendemon­stranten toen de moslims baden. Ik heb dat niet gezien maar het kan best zijn. Egyptenaren zijn door­gaans verdraagzaam: de islamitische en koptische bevolkings­groepen leven met elkaar en vooral naast elkaar voor zover dat mogelijk is in een dicht­bevolkt land. Wrijvingen doen zich voor maar zijn meestal het gevolg van familie­vetes, van liefde die de godsdienst­grens overschrijdt en soms van opruiing. Christenen zouden zich aarzelend bij de opstand hebben aan­gesloten. Ik begrijp dat: voor een minder­heid is het verstandig eerst de kat uit de boom te kijken in plaats van je onverhoeds in een avon­tuur te storten. Je weet wat je hebt maar niet wat je krijgt. Voor alle demon­stranten geldt: gespannen en moe maar ook goed gehumeurd en vastberaden, de vast­beraden­heid van mensen die weten dat alleen de weg naar voren open­ligt. Al die mensen kwamen in opstand voor één zaak: de toekomst.

Tegenover de demon­stranten stond het regiem. Van dat regiem moet worden gezegd dat het driftig heeft mee­gegraven aan het eigen graf. Door niet te communiceren, door te laat te communi­ceren, door verkeerd te communi­ceren. Mubarak sprak het volk toe “niet als president maar als Egypte­naar” op het moment dat het volk de president wilde horen. Mubarak zei nooit van plan te zijn geweest zich voor her­verkiezing beschik­baar te stellen op het moment dat die her­verkiezing al uit­gesloten was. Heel Rehab City, dat zich toch meer aan­getrokken moet voelen tot het regiem dan tot de volks­wijken, barstte in hoon­gelach uit. Mubarak ronkte dat hij op Egyp­tische bodem wilde sterven op het moment dat de demon­stranten hem daarmee graag wilden helpen. Mubarak schoof uit de coulissen Osman Suleiman van de veiligheids­dienst naar voren die het vertrouwen had van het regiem en van de Israëli’s maar voor het volk sym­bool was van onder­drukking. En die Suleiman zei heel kleinerend dat het nu wel mooi geweest was en dat ‘de jongeren’ nu toch echt naar huis moesten, naar hun ouders. Die ouders stonden met hun kinderen op het plein! Hoe stom kun je zijn? Zou niemand van Mubarak’s regiem televisie kijken? Het regiem deed zowel te weinig als te veel. Mubarak had in het begin de op­stand in bloed kunnen smoren en het volk in angst kunnen verlammen naar het recept van Machiavelli in zulke situaties. Had hij dat gedaan, hij had er mis­schien nog gezeten. Hij had ook niets kunnen doen en de opstand gewoon laten uit­woeden. De demonstranten bezetten wel het plein en de bruggen maar geen vitale delen van de stad en het land. Ze waren misschien lastig en irritant maar er zijn wel meer dingen in het leven lastig en irritant. Had hij niets gedaan dan had hij er waar­schijnlijk nog gezeten. Auto­craten kunnen niet wachten, die moeten handelen. Mubarak zette de politie en de veiligheids­diensten in die in het wilde weg schoot en met elke dode werd het volk kwader. Stommer kun je niet zijn! Het regiem stelde een uitgaansverbod in maar dat werd niet gehand­haafd zodat de demon­stranten nog een signaal kregen dat de tijger van papier was. Het regiem sloot de tele­foon en het inter­net af om de opstand te ontregelen maar de opstand was spon­taan en iedereen wist dat je op de pleinen en de bruggen moest zijn. En Nile TV zond onverdroten uit zodat de Cairenen konden zien dat ook in andere steden de opstand woedde. Stommer kun je niet zijn!

De helden­rol in het drama was weg­gelegd voor het leger. Het leger zat eigenlijk in een netelige positie: de top is innig verbonden met het regiem maar de basis bestaat uit gewone jongens van het volk. Toen de opstand zich eenmaal had ontvouwd viel aan bloedige onder­drukking niet meer te denken zonder het leger te splijten en Egypte in een burger­oorlog te storten. Dat zou niet gaan, het leger is in Egypte een instituut. Aan de andere kant kon het leger ook niet de kant van de opstand kiezen want dat zou de top de stuipen op het lijf hebben gejaagd. In die netelige situatie speelde het leger een briljante schaak­partij tegen de overige acteurs van het drama. Eerst stelde het zich op tussen demon­stranten en politie, zette zo de politie buiten spel, behield het vertrouwen van het volk en tegelijkertijd het vertrouwen van het regiem. Mubarak was te traag maar de opstandelingen ook en dat vacuüm werd door het leger opgevuld. In de nacht waarin Mubarak’s partijbureau brandde en de demon­stranten niet wisten wat te doen bezette het leger de stad en met haar tanks kon ze op elk moment het slagader­stelsel afsluiten. Het leger had de controle en kon heel beheerst de panelen laten schuiven. Eerst liet het oog­luikend toe dat steeds meer demon­stranten zich op het plein verzamelden. Ik kwam zelf op het plein dankzij een tank­commandant die zijn eigen order ontweek door een jongeman een sluip­route te laten wijzen. Daarna verschenen soldaten in de straten in open trucks met de Egyptische vlag voorop en de soldaten maakten het victorie­teken. Zo werd Mubarak klem gezet door zijn eigen leger – zijn vertrek was nog slechts een kwestie van het juiste moment en dat moment is vast en zeker bepaald in het hoofd­kwartier van de strijdkrachten – en voorkwam het leger dat het land in chaos verviel. Het was briljant, het was adem­benemend briljant! Wat een schaak­spel! In het drama van de opstand was de over­winning van het leger totaal: de soldaten zijn trots, de generaals zitten gewoon aan de top en het leger is als enige echte machts­factor overgebleven. Alles wat er nog gebeurt gebeurt via de schuivende panelen van het leger.

Op de tribune zaten de televisie­stations: Nile TV, CNN en de BBC, Al Jazeera en Press TV. Ik zag zowel de werkelijk­heid als de televisie en ik heb er wat van geleerd. Ik heb geleerd hoe nieuws wordt gemaakt. De televisie kan natuurlijk niet op zwart en de anchorman moet blijven praten. Daarom worden voort­durend dezelfde beelden getoond en bij gebrek aan nieuws worden pis­kijkers voor de camera gehaald en die berijden hun eigen stok­paardjes. Ik noem dat sidenews. CNN en ook de BBC grepen al gauw naar de relatie tussen de Verenigde Staten en het regime van Mubarak in suggestie­vorm: “Die traangas­granaten zijn toch van Amerikaanse makelij?” Die suggestie werd weer als feit gebracht door Press TV en die liet een demon­strant daarover wat roepen en die beelden werden ook weer door CNN uitgezonden. Natuurlijk vond dat weer­klank op het plein, want de demonstranten weten best dat de Verenigde Staten het regime van Mubarak hebben gesteund, en werd een nieuw interview­onderwerp. Zo tolde die relatie met de Verenigde Staten naar de voor­grond van het nieuws. Het werd nieuws op zichzelf en de aan­dacht verschoof van de opstand naar de mogelijke conse­quenties ervan voor de westerse wereld: “Waar blijft Obama nou?” en “Zijn we een bondgenoot aan het verliezen?” Het is ook geprobeerd met het vermeende islamis­tische karakter van de opstand. Het Iraanse Press TV gooide dat balletje op en ook CNN probeerde het en een heel rechtse pis­kijker beschuldigde Al Jazeera van islamitisch gestook hoewel Al Jazeera het enige station was dat dat onder­werp niet uitspeelde. Jammer voor Press TV en CNN maar op het plein vond dat geen weerklank. Het werd niks. Om iets tot nieuws te maken is kennelijk een relatie tussen de werkelijk­heid van het plein en de televisie nodig.

Het gevaar waaraan journa­listen zouden bloot staan werd nogal breed uitgemeten door de televisie­stations. Ook sidenews. Journalisten zouden zijn gearresteerd, geslagen en hun spulletjes afgenomen. Op het plein werd ik aan­gesproken door een journaliste: “Bent u journalist? Nee? Dan moet u hier onmiddellijk weg­gaan want het is hier heel gevaarlijk!” Ik was een paar uren op dat plein en mij is niets overkomen. Ik heb de indruk dat journalisten hun helden­rol graag bij­kleuren maar in werkelijk­heid nogal angst­hazerig zijn. De meeste verslag­gevers die figureren op de televisie staan op het veilige dak van een hoog gebouw. In Pretoria tijdens de wereld­kampioenschappen voetbal ontmoette ik een Duitse journalist uit Augsburg (vast en zeker van de Augsburger Zeitung). Omdat we een tafel deelden in het restaurant hadden we een gesprekje. Hij voelde zich niet veilig in Zuid Afrika, zei hij. Oh nee? Nee, een collega van hem was overvallen bij een tank­station. “Schrijft u dat in uw krant?” “Natuurlijk.” “Wel, ik reis nu twee maanden door Zuid Afrika en ik ben niet beroofd. Schrijft u dat ook in uw krant?” “Nee, want dat is niet mijn ervaring.” Dankzij die journalist houdt Zuid Afrika haar ongunstige imago en dankzij de televisie­stations, met uitzondering van Al Jazeera, wordt de Egyptische opstand gepromoveerd tot een risico voor de westerse wereld. Ik heb geen gunstige indruk van journalisten.

Hartelijke groet, Mart

 

Dit verslag is geschreven in februari 2011. Bekijk ook de foto’s ‘De opstand in beeld -2011’

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Noord Afrika en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s