“This is Egypt”

Vijf Jaar geleden nam ik de veerboot van Wadi Halfa naar Aswan. Die vertrok in de namiddag en kwam de volgende ochtend aan. Collega reizigers beschreven een nachtmerrie van een overvol schip met smerige kajuiten. Het was niet mijn ervaring. Het schip was niet overvol, ik rolde mijn slaapzak uit op het dek, genoot van een zonsondergang in oranje en bloedrood en van een onsterfelijke sterrenhemel. Die bootreis behoort zeker tot de mooiste die ik heb gemaakt. Het hoeft niet meer (het is beter te zeggen: het kan niet meer) want er is nu een wegverbinding tussen Soedan en Egypte – hoewel je nog steeds een veerboot moet nemen over het Nassermeer naar Abu Simbel – met grensposten.

Grensadministratie is in principe eenvoudig. In principe, want de Soedanezen zijn er goed in om iets eenvoudigs ingewikkeld te maken. Gelukkig ontmoette ik Yousif, ‘Travel, Tourism and Customs Clearanc’ stond op zijn kaartje. Ik was daar bij die Soedanese grenspost samen met Herr Dr. Reiner H. en zijn Zambiaanse levensgezellin (We verbleven later in Aswan in hetzelfde hotel. “Zeg, zijn die twee eigenlijk getrouwd?” vroeg de hotelhouder. Ik: “Dat weet ik niet. Die vraag stel je in Europa niet.”). Dr. Reiner wimpelde de uitgestoken hand van Yousif onverbiddelijk af: “Niet nodig, ik kan het zelf wel.” Dat is niet handig want een clearing agent is een oliemannetje die ook zand tussen de raderen kan werpen. Zo’n uitgestoken hand moet voorzichtig afgetast worden. Ik vraag altijd hoeveel de dienstverlening kost. Is het me teveel, dan kijk ik zo beteuterd mogelijk en zeg dat ik zóveel geld niet bij me heb. Of ik zeg “geef me je kaartje” zodat ik tijd heb om het nut van de dienstverlening te bezien. Yousif’s dienstverlening kost honderd Soedanse ponden; dat is minder dan een tientje als je op de zwarte markt wisselt. Voor dat bedrag wil ik niet het risico van zand tussen de raderen hebben. Yousif wist me naar de juiste loketten te dirigeren en de verlossende handtekening van de politiechef te verkrijgen. Dr. Reiner daarentegen ging van loket naar loket en ontmoette voortdurend onwillige ambtenaren die zeiden “Dat moet Yousif doen” zodat dr. Reiner uiteindelijk toch – en mokkend – bij Yousif terecht moest.

De geografie van de Egyptische grenspost; informatie van een collega-reiziger

De geografie van de Egyptische grenspost; informatie van een collega-reiziger

De Soedanezen zijn er goed in de grensadministratie ingewikkeld te maken maar ze worden overtroffen door hun Egyptische collega’s. Dat zijn pas professionals in het ingewikkeld maken! Volg mijn stappen door de Egyptische grenslabyrint. De eerste stap: de grenspost binnenkomen. Bij de toegangspoort moet een entreekaartje gekocht worden. “Hoe zo?” vraagt Dr. Reiner “Wordt er een voorstelling gegeven of zo?” Dat kaartje kost honderd Egyptische ponden (een tientje) en dertig pond voor de quarantaine hoewel ik in niet in quarantaine ga (die dertig pond is eigenlijk een afkoopsom). De wacht controleert zorgvuldig de kwitanties en opent dan de poort voor Dr. Reiner en zijn geländewagen en voor mij en mijn motor. “Parkeer vóór de rode kegels” heeft een van mijn voorgangers mij op het hart gedrukt “Dan ben je dichtbij de röntgenmachine van de bagagecontrole, anders moet je met je bagage sjouwen.” Voor de kegels staat een bus, daarom parkeer ik achter de kegels. Dat vindt de chef van de bagagecontrole niet goed. Dan maar achter de bus. Dat vindt de grenswacht niet goed. Dan maar naast de bus. Dat vindt zowel de chef van de bagagecontrole als de grenswacht goed (later komt de chef me halen; de bus is vertrokken en nu wil hij dat ik mijn motor vóór de kegels parkeer. Zo is Egypte). De bagagecontrole is de tweede stap. De chef heeft assistenten van het luie soort. Gelukkig. De koffers moeten van de motor en opengemaakt maar het blijft bij een vluchtige blik en wat vragen. Mijn tas, plunjebaal en rugzakje moeten door de röntgenmachine. Zij die geconcentreerd op het scherm zouden moeten turen – naar drugs, wapens en ander ongerief – drinken thee en sms’en. Kemal dient zich aan. Yousif had gezegd “Ik bel Kemal voor je.” Kemal’s dienstverlening kost honderdvijftig pond. Dr. Reiner geeft zich onmiddellijk gewonnen. Kemal: “Ga eerst naar de immigratiedienst en daarna kom ik bij jullie terug.” Hij heeft het druk. De immigratiedienst heeft twee piepkleine loketten en daarvoor verdringt zich een mensenmassa. Nadere beschouwing leert dat die mensenmassa bestaat uit heel veel mannen voor het ene loket en weinig vrouwen voor het andere. Da’s Egyptisch: mannen en vrouwen gescheiden. Vlakbij het loket stond de Zambiaanse levensgezellin van Dr. Reiner. Ik heb haar mijn paspoort gegeven en was in no time voorzien van een visumstempel. Ah, daar is Kemal, beschikbaar voor het echte werk. De administratie van het Carnet de Passage – waarop alleen de naam van de grenspost en de datum hoeft te worden ingevuld, gecompleteerd met de handtekening van de douanebeambte en het stempel van de post – is beslist geen sinecure. Daar horen heel veel formulieren bij. En kopieën, natuurlijk. Kopieën van het Carnet, van de persoonskaart van het paspoort, van het visum, van het kentekenbewijs, van het rijbewijs. Kemal organiseert het werk, zorgt dat de kopieerman aan de slag gaat, verdeelt de kopieën over de ambtenaren, zorgt dat de documenten bij elkaar komen, houdt in de gaten waar mijn paspoort en carnet blijven. Ik hoef niet meer te doen dan mee te lopen, te betalen – vijfhonderdtweeëntwintig pond administratiekosten (iets meer dan vijftig euro; ingewikkeld maken kost geld) en nog dertig voor de kopieën – kwitanties in ontvangst te nemen en handtekeningen te zetten waarmee ik verklaar een kwitantie te hebben gekregen. Kemal: “Die kwitanties moet je goed bewaren.” Ze zijn het bewijs van een onberispelijke, volledig uitgevoerde administratie en moeten bij het verlaten van de grenspost overlegd worden. “Oké, nu de voertuigverzekering” zegt Kemal. Dat is de volgende stap. Ik: “Dat hoeft niet, ik heb een Comesa verzekering.” Kemal bekijkt het verzekeringsdocument aan de voorkant en de achterkant: “Die is hier niet geldig.” Ik: “Kijk, hieronder zijn de landen opgesomd waarvoor de verzekering geldig is en Egypte staat daarbij.” Kemal: “Laat de chef van de verkeerspolitie maar beslissen.” De chef van de verkeerspolitie – hij heeft een ‘noot’: een eeltplek op het voorhoofd, gevolg van veelvuldige aanraking van de grond tijdens het bidden en bewijs van vroomheid – schudt ‘nee’, gaat bellen en schudt weer ‘nee’. Dat neem ik niet: “Dit is een officieel document en Egypte staat erop vermeld. Ik ben hier verzekerd!” Kemal trekt me naar buiten, heft de handen ten hemel, “Luister, this is Egypt!” Aan die verzekering valt niet te ontkomen; honderdvijftig pond en natuurlijk kopieerkosten en de troostprijs is een Arabisch document dat ik niet kan lezen. De volgende stap: de afgifte van Egyptische kentekenplaten en van een Egyptisch rijbewijs. Egypte is het enige land van de vele die ik heb bereisd dat haar eigen kentekenplaten en rijbewijs verplicht stelt (tijdelijk, als ik het land verlaat moet ik die geschenken weer inleveren). Daar hoort ook administratie bij. En kopieën: kopieën van het Carnet, van de persoonskaart van het paspoort, van het visum, van het kentekenbewijs, van het rijbewijs. Alles in viervoud – in viervoud! – en die kopieën moeten in een map worden afgeleverd bij de chef van de verkeerspolitie. Kemal: “Ik handel dat af. Hij is een beetje geïrriteerd.” Het duurt een tijd, een hele tijd, en dan komt Kemal naar buiten met kentekenplaten en rijbewijzen, de armen geheven in overwinningsroes. Mijn voorgangers: controleer of de kentekenplaten geldig zijn voor de tijd die je in Egypte wil doorbrengen. Kemal: “Dat is in orde. Je wilde een maand en de kentekenplaten zijn geldig voor een maand.” De laatste stap: de finale controle van documenten en kwitanties door de grenswacht. Kemal geeft hem het hele pak papier. De wacht bladert er wat in, vindt het in orde en opent de poort voor Dr. Reiner en mij. Ik was om zeven uur bij de Soedanese grenspost – die gaat pas om negen uur open maar je moet er vroeg bij zijn – en verlaat de Egyptische grenspost om drie uur ’s middags. Op tijd: om vier uur vertrekt de laatste veerboot naar Abu Simbel. Op de veerboot kom ik Kemal weer tegen. Die woont in Aswan. “Zevenenveertig voertuigen ingeklaard vandaag” zegt’ie. Dat is zevenenveertig maal honderdvijftig pond en dat is in Egypte een hele mooie omzet.

De Mogamma aan het Tahrir Plein in Cairo: de baarmoeder van de Egyptische bureaucratie. Hier werken achttienduizend ambtenaren.

De Mogamma aan het Tahrir Plein in Cairo: de baarmoeder van de Egyptische bureaucratie. Hier werken achttienduizend ambtenaren.

Dat bureaucratisch labyrint heeft nog een nabrander. Nermien M. van Consolidated Freight Service Egypt, waarmee ik in Khartoum een emailwisseling ben begonnen over de verscheping van mijn motor van Alexandrië naar Griekenland, schrijft: “In Aswan moet je het شهادة مخالفات aanvragen bij het Traffic Court.” Wat is شهادة مخالفات? Dat weet ik niet; het zou een verklaring zijn dat er voor mijn motor geen boetes openstaan maar waarom in Aswan, de eerste stad die ik in Egypte aandoe, en waarom alleen in Aswan? Het is in elk geval heel belangrijk: “Zonder dat document kan je motor niet geëxporteerd worden. Heb je het niet, dan moet ik een fixer in Aswan regelen en een koerier en je begrijpt: dat kost geld.” schrijft Nermien. Waar is dat Traffic Court? Ik heb de coördinaten van een van mijn voorgangers gekregen. Het is een onaanzienlijk kantoortje op de benedenverdieping van een groezelig appartementengebouw in een even groezelige volksbuurt. Je moet niet aan de voorkant van dat gebouw zijn maar aan de achterkant. Daar zijn vier loketten en je moet bij loket 2 zijn. Voor de afgifte van شهادة مخالفات zijn natuurlijk kopieën nodig en tien pond en het duurt een uur maar dan ben ik toch in het bezit van het absoluut noodzakelijke شهادة مخالفات. Dat document is vijftien dagen geldig. Binnen vijftien dagen moet mijn motor op het terrein van de douane in Alexandrië staan. Vijftien dagen worden mij gegund om te reizen in Egypte, een land dat staat te springen om bezoekers. Zo is Egypte.

Abu Simbel ligt tweehonderdtachtig kilometer van Aswan. Voor die reis organiseert de politie elke dag twee konvooien, een om tien uur ’s morgens en een om vier uur ’s middags. Ik wil niet met het tweede konvooi want dan haal ik Aswan niet voor zonsondergang. Het eerste konvooi vind ik wel erg vroeg. Kan ik ook zonder politiebegeleiding van Abu Simbel naar Aswan? “Beslist niet” vindt de chef van de politie “Het gaat om uw veiligheid. Daar zorgen wij voor.” en – hij heeft mijn gedachten gelezen! – “Als u zonder politiebegeleiding Abu Simbel verlaat, dan wordt u bij de controlepost tegen gehouden.” Ik stond nog vóór het ochtendgloren op om de beroemde tempels te bezichtigen. Tot zeven uur was ik er de enige bezoeker. Toen kwamen de bussen met de toeristen uit Aswan die om tien uur aan de terugreis zullen beginnen. Dat konvooi – twee politieauto’s voorop en twee hekkensluiters – sukkelde Abu Simbel uit, passeerde de controlepost en nog een en gaf dan plankgas. Ik werd ingehaald door de bussen en ook door de politieauto’s – in de laatste zat de chef van het konvooi, die van “Het is voor uw veiligheid” – en ik was weer heerlijk alleen in de woestijn. Zo is Egypte. Ik bereikte Aswan in de loop van de middag, zonder close encounter met een terrorist.

Ik reed van Aswan over de provinciale weg naar Luxor zonder noemenswaardige hindernissen te hebben ervaren op de myriaden verkeersdrempels na. In Luxor logeerde ik in hotel Marsam. De hotelier is een Duitser. Ik vertelde hem van mijn plan om langs de Nijl te rijden naar Assioet en naar Beni Suef om daar de snelweg naar Alexandrië te nemen. Hij keek bedenkelijk: “Er zijn langs die weg veel controleposten van de politie en ik verwacht niet dat ze je alleen laten rijden. Het wordt niet leuk en ik heb er een hard hoofd in dat de politie je toestaat in Assioet te logeren. Ja, misschien op het politiebureau.” Ik probeerde het toch, reed de provinciale weg over de westoever en stuitte bij de uitgang van Luxor op de eerste controlepost – Waar ik naar toe wilde en waarom deze weg en dat het niet kon zonder politiebegeleiding – en daarna nog een controlepost en nog een en nog een en overal hetzelfde gesoebat. Bij Qena had ik er genoeg van, nam de brug over de Nijl en de weg door de Arabische Woestijn naar Safaga en vandaar langs de Rode Zee naar Ain Sokhna. Langs die weg – de weg door de woestijn en de kustweg – zijn geen controleposten. Dankzij de chicanes van de politie: geen bezoek aan de tempel van Seti, geen bezichtiging van het Rode Klooster waarvan de fresco’s recent zijn gerestaureerd, geen dagje flaneren langs de Corniche in Minya; in plaats daarvan een saaie en hete rit door de woestijn en langs de kust. Waarom in hemelsnaam? Zo is Egypte.

Ik overnachtte in Hurghada, het Torremolinos van Egypte. Ten zuiden van de oude stad ligt een strip van monsterlijke hotels – pseudo-paleizen van beton en plastic – voor Russische toeristen. Momenteel is daar geen Rus te bekennen; het is er doodstil en alles is gesloten. De oude stad is druk en gezellig maar zonder de toeristen waarvan Hurghada moet leven. In hotel Seaview was ik de enige gast. Ook in de omgeving van Ain Sokhna ligt zo’n kilometers lange strip van gigantische resorts. Het is daar verschrikkelijk desolaat. Stel je zo’n resort voor: te midden van bouwputten voor nieuwe resorts, langs een weg die druk bereden wordt door zand en stof opwerpende vrachtauto’s, in een totaal verrommelde woestijn, in een bar klimaat met een eeuwig waaiende hete wind. Buiten de resorts is niets, geen vissershaventje, geen restaurant, geen bar, geen winkeltjes, he-le-maal niets. De gast is veroordeeld tot het resort. Wie anders dan een alcoholicus gaat twee weken in zo’n resort zitten? Ik neem aan dat er alcohol geschonken wordt want onbeneveld is het daar niet uit te houden. Gelukkig voor het psychisch welbevinden van de toerist en treurig voor de Egyptenaren die er hun brood moeten verdienen: de resorts zijn bijna allemaal gesloten en de bouw van nieuwe is stilgelegd. Het toerisme in Egypte is ingestort. De baas van hotel Marsam in Luxor: “Hier gaat het nog maar op de oostoever [het eigenlijke Luxor] is de gemiddelde hotelbezetting vijftien procent.” Vijftien procent! Egypte lijdt, honderdduizenden zijn ontslagen, moeten maar zien hoe ze rondkomen. Waarom, waarom in hemelsnaam? De hotelbaas: “De westerse landen en Rusland hebben voor Egypte een negatief reisadvies gegeven. De verzekering dekt dan niet de risico’s van de vakantie in Egypte. Daarom komen de toeristen niet.”

Is Egypte zo onveilig? Voor wat de gewone, dagelijkse veiligheid betreft is Egypte zo veilig als een Europeaan maar wensen kan. Diefstal, beroving, geweld komen heel weinig voor, ook al rijden in de steden de boevenwagens af en aan (tussen het politiebureau en de rechtbank). Veiligheid is een voortdurende zorg. Ik ben kwetsbaar; ik reis alleen en heb een berg spullen bij me. En geld. Ik ben op deze reis eenmaal gemolesteerd, in India, en tweemaal beroofd; eenmaal in Pinetown bij Durban waar de rovers me probeerden te wurgen en eenmaal in Nairobi, at gunpoint. Die ervaringen zijn genoeg om de dagelijkse veiligheid van Egypte te waarderen. Anders ligt het met de ‘grote’ veiligheid. Ga even na wat de toeristen de stuipen op het lijf heeft gejaagd en de westerse en Russische overheidsdiensten heeft gebracht tot dat negatieve reisadvies. Daar is dat Russisch passagiersvliegtuig dat boven de Sinaï ontplofte door een bom in de bagageruimte. De bagagecontroleurs hebben hun werk niet gedaan. Ik schreef het al over de bagagecontrole bij de Egyptische post aan de grens met Soedan: de mannen drinken thee en sms’en in plaats van naar het scherm van de röntgenmachine te kijken. Niets geleerd. In het najaar van 2015 is in de Westelijke woestijn een aantal Mexicaanse toeristen doodgeschoten. Niet door Al Qaida of Islamitische Staat, nee, door het leger en de veiligheidsdienst die die toeristen aanzagen voor terroristen. In de Arabische landen bestaat een ander beeld van terroristen dan in Europa. Europeanen zien terroristen als mannen met een baard, Arabieren zien terroristen ook als mannen met een baard maar het is een andere baard. Het is Osama bin Laden versus Carlos de Jakhals. Ongelukkigerwijs zien Mexicanen er een beetje uit als Carlos de Jakhals. Heeft de Egyptische overheid ervan geleerd? In plaats van de veiligheidsdiensten beter te trainen is de Westelijke woestijn afgesloten voor toeristen. De mensen in de oasen die voor een deel van hun inkomen afhankelijk zijn van het toerisme hebben het nakijken. Hoe zou het met Abu Mohamed zijn in de oase van Mut? Ik ontmoette hem in 2001; hij maakte tomatensoep voor mij en ik hielp hem met de vertaling van zijn menukaart in het Engels want … oh, de toeristen. Hij behoort tot de liefste mensen op aarde. Abu Mohamed heeft het nakijken. De Sinaï is off-limits voor motoren; zelfs in een vrachtauto mag mijn motor niet door de Sinaï worden vervoerd naar Israël. Daarom moet ik mijn motor verschepen vanuit Alexandrië. Denk ook aan de jonge Italiaanse onderzoeker van de Amerikaanse Universiteit in Cairo die verdween en wiens lijk een week later werd gevonden, zwaar gemarteld. “Een verkeersongeluk” verklaarde de politie. Maar bij een verkeersongeluk verlies je niet alle nagels van vingers en tenen. “Criminelen” zei de politie vervolgens en schoot er zekerheidshalve een paar dood. Het is waarschijnlijk een ‘vergissinkje’ van een van de Egyptische veiligheidsdiensten. Die Italiaan deed onderzoek naar het functioneren van vakbonden in Egypte en dat is verdacht. Ik voel me in Egypte onveilig in de nabijheid van politie en veiligheidsdiensten. Daarom nam ik de kustweg langs de Rode Zee: veel verkeer en geen controleposten. This is Egypt.

Ik was in Egypte tijdens de opstand – die hier ‘de revolutie’ wordt genoemd – tegen Mubarak, in 2011. Ik was op Tahrir Square, ik heb meegedemonstreerd. Ik heb met de Egyptenaren gejuichd toen Mubarak aftrad. Ik wilde voor de Egyptenaren een betere toekomst. Heel buitenissig waren hun eisen niet: ze wilden af van die ellendelingen van de politie en de veiligheidsdiensten, gewoon kunnen zeggen wat ze wilden en een tikkeltje meer rechtvaardigheid. Dat is toch niet teveel? Ik zag het knappe schaakspel van het leger: eerst schakelde het de politie uit en daarna draaide het langzaam naar de demonstranten zonder Mubarak’s coterie de stuipen op het lijf te jagen en uiteindelijk zeiden de generaals tegen Mubarak “Het is beter dat je gaat.” Het leger had voortdurend de regie in handen en bracht regime change zonder al te veel bloedvergieten. Er kwamen verkiezingen, de eerste vrije verkiezingen in Egypte in vijfduizend jaar, en het volk koos voor Mursi en zijn Moslim Broederschap. Heel handig was Mursi niet maar hij en zijn Moslim Broederschap hadden ook geen enkele bestuurservaring. Ze kenden de millimetermarges van de staat niet, ze maakten de fout die in veel jonge democratieën wordt gemaakt: denken dat democratie de helft plus één is. Mursi joeg jong stedelijk Egypte tegen zich in het harnas. Die jongeren hadden ook geen ervaring met democratie; ze gingen de straat op om Mursi af te zetten als Mubarak in plaats van gewoon de volgende verkiezingen af te wachten. Als je elke regering die je niet bevalt wil afzetten, dan kun je aan de gang blijven. Het leger greep de kans om af te rekenen met de Moslim Broederschap die dankzij de verkiezingen in het daglicht was gekomen. Het was de tweede schaakpartij die het leger won. El Sisi zette Mursi af in een staatsgreep die aanzienlijk bloediger was dan de val van Mubarak. Het Westen monkelde iets over democratie en mensenrechten maar was eigenlijk blij van die rare snoeshanen van de Moslim Broederschap af te zijn. Liever el Sisi dan democratie en mensenrechten. Frau Merkel – overigens de enige kerel in Europa – ontving de dictator met staatseer. Egypte is weer terug bij af. Nee, het is erger: de dictatuur van Mubarak was vermolmd maar die van el Sisi is fris en energiek. De politie en de veligheidsdiensten zijn terug en nemen wraak. Duizenden zitten in de gevangenis, honderden zijn verdwenen en er wordt gemarteld bij het leven. De jonge Italiaanse onderzoeker is niet het enige slachtoffer. In Alexandrië en Caïro staan op strategische punten de wagens van de oproerpolitie om elk protest onmiddellijk te kop in te drukken. Is er hoop, hoop voor democratie en mensenrechten in Egypte? Ik verwacht niet dat el Sisi op korte termijn zal vallen als Mubarak maar zijn dagen zijn geteld. Hij levert niet. Hij beloofde stabiliteit en welvaart. Van het eerste is niets gekomen – omdat hij een oorlog is begonnen tegen een aanzienlijk deel van het Egyptische volk – en daarom van het tweede ook niet. Egypte heeft ontdekt dat het zijn mond kan open doen. Er zijn demonstraties. Er hangt moderniteit in de lucht. Of el Sisi het nu wil of niet, Egypte gaat veranderen!

Hartelijke groet, Mart

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Noord Afrika en getagged met , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s