En, hoe gaat het met Ethiopië?

Op het parkeerterrein van de Ethiopische douane in Moyale stonden een paar trucks van het Rode Kruis. Ook voor hotel Koket stonden trucks van de hulporganisatie en de binnenplaats stond vol terreinwagens. Gelukkig kon ik een kamer krijgen en de prijzen waren niet verhoogd, wat vaak wel het geval is als een hulporganisatie met veel geld ergens neerstrijkt. Er was een partytent opgezet met een buffet van koekjes, thee en frisdrank voor de harde werkers, voor hen die de wildernis niet schuwen om nood te lenigen. Is er nood? Ja, hongersnood in de Ogaden en in de Danakil Depressie. Geen toerist bezoekt de Ogaden en alleen met een regiment soldaten de Danakil want de mensen die daar wonen – ‘rondtrekken’ is het juiste woord – zijn onberekenbaar. Het zijn streken waar het leven altijd aan een zijden draadje hangt. Als het meezit valt er net genoeg regen om kort groen gras te laten opschieten, heel even, waar de geiten en de mensen de rest van het jaar het mee moeten doen. Als het tegenzit komt er geen kort groen gras en sterven de geiten en de mensen. Hoe is het in de rest van Ethiopië? Ik heb niets gemerkt van voedselschaarste. In de steden is volop voedsel, water en bier te krijgen en de prijzen zijn niet opgedreven. Op het platteland staan stoppels op de velden – dus er moet geoogst zijn – en andere velden worden geploegd voor het komende zaaiseizoen. De wereld is er geel en roodbruin en erg stoffig. Ik ben geen wanhopige mensen tegen gekomen, niemand is naar de weg gehold met een plastic fles, niemand heeft een vragende hand uitgestoken. De mango’s zijn rijp en ook de uien en de pepers en worden langs de weg verkocht. De nood in het Ethiopië dat ik nu heb bereisd is ‘normaal’, met bedelende straatkinderen en gehandicapten, veel blinden. Ik kom terreinwagens van de Verenigde Naties tegen, vooral van Unicef. Dat is geen noodsignaal; Ethiopië zit al lang onder de vleugels van de Verenigde Naties die zorgt voor de bevolking omdat de regering belangrijker zaken aan haar hoofd heeft.

DSCN0195 (640x480)

Het Ethiopisch Hoogland: geel en roodbruin en erg stoffig.

Ik reed Addis Abeba binnen zoals ik dat vijf jaar tevoren ook deed, over dezelfde weg. Het ging zoals toen en zoals gebruikelijk: dorpen rijgen zich aaneen, de bebouwing krijgt geleidelijk een stads aanzien en ook de geur wordt stads, de lucht vettig stoffig, het wegdek krijgt steeds meer en steeds diepere kuilen. Kijk, daar slalomt de stadsbus. Ik ben nog tien kilometer van het centrum… wauw!: voor me ligt een spiksplinternieuwe snelweg met twee rijstroken aan iedere zijde en in het midden een spoorlijn. Langs die snelweg liggen nieuwe gebouwen met veel glas, marmer en plantenbakken. Op de Ras Mekkonen rust dat stadsspoor op betonnen pijlers en de snelweg ligt in een bak. Trappen brengen de reizigers naar de spoorplatforms. Er rijdt daadwerkelijk een trein. Alleen de roltrappen rollen nergens. Ik zal verblijven in Wim’s Holland House dat ligt in een buurt achter de Ras Mekkonen en naast La Gare, het voormalige station van de Chemin de fer Djibouti et Ethiopi (de spoorlijn is al lang opgeheven maar het station staat er nog steeds). Die buurt is er een met ongeplaveide straten, kippen, geiten en rommel, een dorpsenclave in de stad. Een deel van de buurt is met de grond gelijk gemaakt, veranderd in een lege vlakte bedekt met puin. Voor de toekomst. Gelukkig bestaat Holland House nog. Erachter verrijst brutale hoogbouw die haar schaduw werpt over het resterende deel van de buurt. Een koortsachtige vernieuwingsdrang heeft Addis Abeba in haar greep. Het is duidelijk waarheen de ambities rijken: de gelijke van de wereldsteden. Niet alleen Addis, ook Bahir Dar – dat ik kende als een stadje – is nu een stad geworden met een nieuwe toegangsweg en bedrijventerreinen en hotels erlangs, met nieuwe hotels aan het meer en met een eigen vliegveld. In de dorpen staan tussen de huizen en de hutten nieuwe gebouwen met verdiepingen waarin banken, overheidsdiensten en NGO’s huizen en zijn andere in aanbouw. Er heerst bouwwoede; het lijkt erop dat Ethiopië in beweging is gekomen en bij mij komt de vraag boven, de Hollandse vraag: waar betaalt zo’n land dat van?

DSCN0171 (640x480)

Wim’s Holland House

Wim van het Holland House is al twee jaar dood, na een kort ziekbed zoals dat eufemistisch heet waar kanker is bedoeld. Zijn Ethiopische weduwe, bewust van de immateriële waarde van Wim’s schepping, heeft alles gelaten zoals het was: met de Nederlandse vlag en de vlag met de Nederlandse leeuw, met de poster van Frau Antje die uitdagend kijkend een hasjpaal rookt en een poster van de koning, met foto’s van belangrijke personages die in Wim’s gezelschap wilden worden gezien, met barkrukken in roodwitblauw en tafelzeil met delftsblauwe opdruk. Ook het menu is onveranderd: groentensoep, nasi goreng saté, gehaktbal, kroket, frieten mét en bitterballen. De frieten zijn de krokantste die ik in Afrika heb genuttigd – frieten worden gezien als een groente en worden als een groente, slap en lauw, geserveerd – en de kwaliteit van de bitterballen – uit eigen keuken! – overtreft met een straatlengte die van de ballen in Nederland. Alleen frikandellen staan niet op het menu en Heineken bier wordt niet meer geschonken; het is te duur en Ethiopië produceert zelf goed bier. Dankzij de aankleding en vooral dankzij het menu trekt Holland House nog steeds Nederlandse en Duitse expats. Ik ontmoette J. die een bedrijf heeft dat sesamzaad produceert, M. met een rozenkwekerij en G. die werkt voor een bedrijf dat irrigatiesystemen levert. De rozenkweker is geen echte expat: hij vliegt op en neer; de ene week komt hij, de volgende week zijn broer. J., M. en G. zijn mijn bronnen voor het antwoord op de vraag ‘waar betaalt zo’n land dat van?’

DSCN0181 (640x480)

Holland House, Wim’s schepping

J. de sesamproducent: “Met export. Met export worden de dollars verdiend waarmee de ontwikkeling wordt betaald.” Ethiopië is heel investeerdersvriendelijk zolang het om export gaat. J.: “Een bedrijf dat wil produceren voor de binnenlandse markt krijgt geen steun van de overheid. Dat is logisch want de grondstoffen moeten worden ingevoerd tegen dollars en de opbrengsten zijn in birr.” Voor J. is het precies andersom: zijn kosten zijn in birr maar de opbrengsten in dollars. M. de rozenkweker: “Wij vliegen elke nacht rozen naar Nederland, naar Dubai en naar het Verre Oosten. Twee dagen later staan die rozen in de winkel, net als in Nederland gekweekte rozen.” Langs de weg van Awasha tot aan de hoofdweg die Addis Abeba met Djibouti verbindt staan kilometers lange rijen kassen. M. heeft zijn kwekerij aan de andere kant van Addis Abeba, langs de weg naar Anbo: “Als je nu nog een bedrijf wil opzetten, dan kan dat niet meer in deze streek. De regering verwijst je naar Bahir Dar; ze wil de investeringen spreiden.” Ik zag langs de weg naar Bahir Dar de kassen. Profiteren de mensen van die investeringen? De rozenkweker: “Wij hebben veertienhonderd mensen in dienst. Elk verdient veertienhonderd birr per maand. Het hele dorp drijft erop.” Veertienhonderd birr is ongeveer 60 euro, twee euro per dag. Is dat niet erg weinig? M: “De meisjes hier [in Holland House] verdienen vierhonderd birr per maand naast kost en inwoning. Wij betalen veertienhonderd en daarnaast doneren wij aan de school, het voetbal en de politie.” Om elke gedachte aan uitbuiting te ontzenuwen: “De arbeidswetten zijn streng en er wordt gecontroleerd. Wij hanteren Nederlandse veiligheidsregels en de beschermende kleding komt uit Nederland, wij nemen geen risico met lokaal geproduceerd materiaal. Er zijn ook vakbonden. Eind vorig jaar hebben we loononderhandelingen gevoerd. Wij dachten aan een loonsverhoging van Nederlandse orde, vier of vijf procent. We zijn uitgekomen op twintig procent!” Ondernemen in Ethiopië is niet eenvoudig; nog eens de rozenkweker: “Wettelijk is vastgelegd dat werknemers zonder opgaaf van redenen dertig dagen per jaar mogen wegblijven waarvan maximaal acht opeenvolgende dagen. Wij volgen die regel heel precies. Er zijn altijd problemen met spuiters: dan zijn de slangen te zwaar, dan is dit, dan is dat. Er is nu een groep die al acht dagen niet is komen opdagen. Dat is mooi, die zijn we kwijt.” G., van de irrigatiesystemen, vult aan: “Als in Kenia [er zijn veel kwekerijen rond het Navaisha meer] een werknemer iets verkeerd doet, dan kun je hem uitschelden, desnoods slaan. Probeer dat niet hier want dan ligt gelijk je bedrijf plat. Het is een gesloten front.”

Na het Afrikaans socialisme en na het budgettair ontwikkelingsmodel van het IMF probeert Ethiopië nu het Chinese model: export, export, export. Net als Tanzania en Zambia; heel Afrika eigenlijk. Ik was in Sandton – de conventiestad tussen Pretoria en Johannesburg – toen daar de Chinese president op bezoek was, met een delegatie van zeshonderd man. En bijna alle Afrikaanse presidenten waren er ook, om te horen wat China voor hen in petto had. Sandton was een gekkenhuis van af- en aanrijdende limousine colonnes. De Chinese president kwam niet alleen geld beloven, hij kwam vooral om het Chinese ontwikkelingsmodel aan de man te brengen. J., de sesamman: “Ethiopië is geobsedeerd door export.” Hij ploft op een stoel: “Gotogot, de hele dag op het ministerie gezeten! Het ging over het plan, we halen het plan niet. Elk jaar in juli leveren we een plan in met een opbrengstprognose. We hebben meer sesam geproduceerd dan gepland maar de opbrengst in dollars is lager omdat de prijzen op de wereldmarkt onder druk staan. Daar kunnen wij niks aan doen! De ambtenaren waren heel begrijpend en vroegen hoe ze ons konden helpen. De regering roept een taskforce in het leven om het probleem te onderzoeken. Het is zinloos, je kunt de wereldmarkt niet beïnvloeden en de prijsdruk zal nog wel even aanhouden omdat China op z’n gat ligt.” Er hangt een donkere wolk boven het Chinese ontwikkelingsmodel – die bouwwoede moet wel gefinancierd worden – en dat is niet de enige wolk. G., de irrigatieman: “De regering doet het goed maar door de nadruk op export is er weinig voor de mensen. Dat geeft sociale spanningen. En er zijn politieke spanningen. De regering drukt elk protest met harde hand de kop in.” Addis Abeba breidt snel uit, op het grondgebied van Oromo State. De Oromo’s, achterdochtig, zijn daar niet blij mee. Melkamu, Ethiopische vriend: “Bij protesten van Oromo’s heeft het leger mensen doodgeschoten.” Het is een probleem van veel jonge democratieën – en Ethiopië is een heel jonge democratie: de gesimplificeerde opvatting van democratie, de helft plus één. Ik herinner me een gesprek met een Nigeriaan, een christen: “Wij zijn de meerderheid. De moslims moeten gewoon hun mond houden en luisteren!” Het idee dat in een democratie ook rekening moet worden gehouden met de opvattingen en wensen van de minderheid – president van alle burgers – groeit maar langzaam en met vallen en opstaan. De regering is onverzoenlijk en de oppositie ook; G.: “de oppositie is geen haar beter.”

Hoe ziet de nabije toekomst van Ethiopië er uit? De rozenkweker M.: “Dit land gaat exploderen, daar ben ik zeker van. Wij investeren niet meer, wij cashen alleen nog. Rond de kerst kwam het gerucht dat militanten van de oppositie ons bedrijf in brand wilden steken. Ze hebben niks tegen ons maar ze weten dat ze daarmee de regering in het hart raken. We hebben het leger op de hoogte gesteld en die heeft het bedrijf bewaakt. Er is niks gebeurd. Maar áls het gebeurt, nou dan ben ik weg, ik neem het vliegtuig en begin gewoon in een ander land.” Als de opvatting van de rozenkweker gemeengoed is onder buitenlandse investeerders, dan wacht Ethiopië nog moeilijke tijden.

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Oost-Afrika en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s