Melkamu

Ik reed Bahir Dar binnen aan het begin van de avond. Het was druk, druk met vrachtauto’s, minibussen en vooral heel veel tuktuks. Tussen het verkeer door zag ik langs de weg iemand uitbundig naar me zwaaien en ik hoorde “Mathew! Mathew!” Dat moest Melkamu zijn. We begroetten elkaar op de Ethiopische wijze – je geeft elkaar een hand en je drukt de rechterschouders tegen elkaar – en we omhelsden elkaar. “At last” zei’ie. Ik: “Yes, at last”. Meer dan een jaar geleden – toen het plan begon te rijpen – heb ik hem geschreven dat ik misschien, héél misschien, naar Afrika en naar Ethiopië zou komen om hem te bezoeken. Hij zag er goed uit: een smetteloos wit overhemd met een zwart binnenboord, donkere broek, schoenen met sokken. Er zat vet onder het vel; zijn gezicht had rondingen en het overhemd spande een beetje om zijn lijf, het was een maatje te klein voor zijn molligheid. Vijf jaren tevoren ontmoette ik Melkamu in een heel andere gedaante: een spicht met een smal gezicht waarvan de magerte geaccentueerd werd door een enorm afrokapsel. Nu wordt de molligheid van zijn gezicht geaccentueerd door kort kroeshaar.

Vijf jaar geleden. Hij vroeg om een gesprekje, om zijn Engels te oefenen. Ik nam hem mee naar een theetuin. Ik heb veel van die I-want-to-practise-my-english gesprekken gevoerd. Ik maak die gesprekken persoonlijk – ik wil over iemands achtergronden en omstandigheden horen, hoe iemand leeft, wat iemand drijft – in ruil voor de tijd en de thee die ik aan het gesprek besteed. Melkamu studeerde elektrotechniek aan de universiteit van Bahir Dar, was zesentwintig en zat in het eerste jaar. Bij mij ging een bellletje rinkelen: als je pech hebt gehad of lui bent geweest begin je een studie op je twintigste of eenentwintigste maar niet op je zesentwintigste; er moet dan iets buitengewoons zijn voorgevallen. En inderdaad: hij had eerder aan de universiteit gestudeerd. Hij zat in het eerste jaar toen er verkiezingen kwamen. Met medestudenten had hij op de campus een betoging georganiseerd en leuzen geroepen tegen de regering en voor de oppositie. De hele groep is daarvoor van de universiteit verwijderd, sommigen kwamen in de gevangenis en Melkamu heeft zich vijf jaar verborgen gehouden in Addis Abeba, totdat ze zijn misstap aan die universiteit waren vergeten. “Het was heel fout, leuzen roepen tegen de regering” zei’ie “Ik zal het nooit meer doen, ik bemoei me niet meer met politiek.” Zo gaat de Ethiopische regering met haar mensen om. Hij had dus jaren ondergedoken gezeten en daarom vroeg ik “En je familie?” Zijn vader kwam om in de oorlog met Eritrea toen hij een kind was. Zijn moeder hertrouwde. Over zijn stiefvader: “Hij was goed voor me, hij liet me naar school gaan, hij had het beste met me voor.” Zijn moeder stierf en zijn stiefvader hertrouwde zodat hij een stiefvader en een stiefmoeder had. “Ze mocht me niet. Ik was niet van haar.” En toen stierf zijn stiefvader en zette zijn stiefmoeder hem de deur uit. Melkamu had dus geen familie en dat is erg in Ethiopië. In Ethiopië komt de familie voor je op. Zonder familie ben je niets, hang je aan de laatste mem, ben je kwetsbaar. En Melkamu had een slechte naam: “Ik werd gemeden. Ze noemden me een dead pusher” Een dead pusher: als er in je directe omgeving velen sterven, dan komt dat door jou, door je aanwezigheid. Naast me zat een schuw vogeltje.

Ik vond Melkamu een grijze muis. En toch gaf ik hem mijn emailadres. Misschien heeft hij erom gevraagd. Mijn emailadres is duizendvoudig verspreid in Afrika maar slechts drie hebben ervan gebruik gemaakt: Charles uit Liberia, Steady uit Malawi en Melkamu. Uit hun emails kan ik de karakters tekenen. Charles is een branie-vechtersbaas die een spoor van conflicten achterlaat. Het gaat altijd om geld. Zijn hulpvraag is expliciet, bijna gebiedend: “Dad, eighthundred dollars, just eighthundred. Please!” Hij heeft een nieuw handeltje op het oog en dumpt het risico bij mij. Charles is ernstig getraumatiseerd – vluchteling, getuige en slachtoffer van de gruwelijke Liberiaanse burgeroorlog – en heeft een pathologische overlevingsdrang. Met ‘pathologisch’ bedoel ik dat die overlevingsdrang zijn gedrag bepaalt ook als het leven niet in het geding is; hij is voortdurend in oorlog. Steady is zo mellow als een meloen. Zijn emails zijn onveranderlijk positief getoonzet, goed gehumeurd en de hulpvraag staat tussen de regels. “Ja, met het gezin gaat het goed, Jasper doet het prima op school, de gidsenbusiness trekt langzaam aan en, oh ja, de oogst is mislukt en de voedselprijzen rijzen de pan uit.” Zo is Steady.

Melkamu’s emails lijken op die van Steady, met de hulpvraag tussen de regels, maar zijn timide en zorgelijker van toon. “Er is voedselcrisis. Dieren en kinderen sterven. De voedselprijzen stijgen en stijgen. Ik eet nu een maaltijd per dag.” “Ik heb een computer nodig voor mijn studie. Met mijn leraar ben ik op zoek gegaan en heb een tweedehands gevonden maar hij is te duur.” Melkamu maakt boten schoon, toeristenboten, om in zijn levensonderhoud en studie te voorzien. Dat is geen lucratieve baan. “Over drie maanden studeer ik af. Voor de diploma uitreiking heb ik een pak nodig en schoenen.” Na zijn afstuderen als elektrotechnisch ingenieur bleven de berichten zorgelijk. Hij kon geen baan vinden en raakte ook het schoonmaakbaantje kwijt. Vrienden en klasgenoten begonnen een tweede studie, informatietechnologie. “… but them have family!” schreef hij. Ik bleef even haken achter dat ‘them’ maar voelde ook de frustratie: zij wel, hij niet. Ik heb gevraagd een overzicht te sturen van de kosten. Die vielen mee, naar Nederlandse maatstaven. Hij heeft van mij een renteloos voorschot gekregen voor de studiekosten en daarnaast een bedrag voor persoonlijke uitgaven. De universiteit zorgt voor kost en inwoning. Hij studeert nu sinds september 2015 computer science. De toon van zijn emails is veranderd, ik lees niet meer over zorgen maar over vooruitzichten. Hij raakt geïnteresseerd in mijn reis en vraagt om foto’s van India en Australië. Ik krijg advies over het reizen in Ethiopië: “Reis niet naar Arba Minch. Er zijn daar problemen. Het leger heeft er Oromo’s doodgeschoten tijdens een demonstratie. Het was op de BBC.”

Twee dagen hebben wij gewandeld over het pad langs het meer. Aan de meerzijde staan bomen en groeit papyrus. Langs de oever baden mannen (geen vrouwen) en verder op het meer dobberen pelikanen. Over het water scheren sternvogels en in de bomen huizen visadelaars, neushoornvogels, ijsvogels, muisvogels, vliegenvangers. Gele wevers vliegen af en aan naar de papyrus waaraan ze hun nesten bouwen. Aan de landzijde liggen theetuinen voor de verpozing. Twee dagen hebben wij daar gewandeld, op en neer over dat pad, vogels gekeken, thee gedronken en met elkaar gesproken. Over zijn studie, natuurlijk. Melkamu studeert computer science. Dat is breder dan computer technology. In zijn klas zitten vijfentwintig studenten en er zijn zes leraren waaronder twee Indiërs en een Brit van Sudanese afkomst. In de studie ligt de nadruk op de toepassing van computertechnologie in de landbouw. Dat wil de regering. Melkamu: “Je moet weten, tachtig procent van onze mensen zijn landbouwers maar de productie is erg laag. Met computertechnologie moet de productie worden opgevoerd.” We spraken over de vooruitzichten. Hij zou zich kunnen richten op de toepassing van computers in de landbouw, zoals nu de inzet van zijn studie is, of de combinatie kunnen zoeken met zijn vorige studie elektrotechniek. Ethiopië heeft veel stuwdammen en die worden bestuurd met computers. Een baan bij een groot softwarebedrijf zou mooi zijn, beaamt Melkam, want de ontwikkelingen in de computer technologie gaan snel maar: “Ik zou ook mijn eigen bedrijf kunnen beginnen! Kijk, zie je dat hotel daar en dat? Daar onderhoud ik af en toe de computer voor en los problemen op.” “Zo, en betalen ze daarvoor?” “Ja, ik krijg tweehonderd soms driehonderd birr.” Ik vermoedde het al: die molligheid kan niet van mijn leefgeld komen want dat is krap; hij moet bijverdiensten hebben. We spraken over zijn familie. “Ik weet niet waar mijn vader vandaan kwam maar mijn moeder kwam uit een dorp aan de overzijde van het meer. Ik ben daar geweest maar niemand zei haar te kennen.” We spraken over de situatie in Ethiopië. Het land maakt een heel snelle ontwikkeling door maar er gaat ook veel mis. Melkamu: “de regering geeft de voorkeur aan mensen die loyaal zijn in plaats van aan mensen met kennis van zaken.”

Melkamu and I

Mel Melkamu; die armen over elkaars schouders: dat hoort zo.

Twee dagen hebben wij gewandeld over het pad langs het meer en met elkaar gesproken, van de hak op de tak met de vogels als springplank. Dan wordt het tijd om afscheid te nemen. Melkamu moet terug naar zijn studieplaats. Ik moet naar de uitgang van Ethiopië want mijn visum loopt af. “Zal ik je nog eens ontmoeten?” vraagt Melkamu. “Melkamu, ik ben nu tweeënzestig. Ik weet niet of ik nog een reis kan maken om je te bezoeken.” Hij kijkt me aan: “Misschien kan ik je bezoeken in jouw land, later als ik geslaagd ben en geld verdien.” Wij hebben afscheid genomen op de Ethiopische wijze en elkaar nog eens omhelsd. Hij vertrok met de tuktuk naar de campus. Wat een verschil met vijf jaar geleden! Hij is zelfverzekerd, hij heeft een toekomst, hij gaat het maken.

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Oost-Afrika, Over mij en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s