De lange weg door Samburuland

Chris zei: “Ga niet nu. De droge tijd is lang geweest en het vee van de Samburu’s is gestorven. Ze zijn wanhopig en beroven iedereen. Wacht tot de regen is gekomen.” Chris is de baas van overlandersplaats Jungle Junction in Nairobi. Zijn raad sloeg op de lange weg naar het noorden, van Nairobi over Isiolo en Marsabit naar Moyale aan de grens met Ethiopië. Dwars door het land van de Samburu’s. Dat zijn nomaden; ze trekken met vee, met koeien, geiten, ezels en kamelen door het kurkdroge noordoosten van Kenia. Meestal lopen ze achter het vee aan en soms voorop om de weg te wijzen naar een waterplaats. Alle nomaden leven in streken waarvoor een sedentair mens zijn neus ophaalt, streken die te droog zijn voor de landbouw of te koud om prettig te kunnen leven. Kenia heeft nog een nomadenvolk: de Masaai die leven op de savanne in het zuiden en het westen van het land. Het zijn statige mensen, lang en tenger en gehuld in een omslagdoek van vuurrood en donkerblauw dat een eigenaardige en fotogenieke gloed over het rood legt. Ik zag ze vaak langs de weg. Ze groetten met een brede lach en een hoog opgeheven hand. Knappe mensen. Het imago van de Masaai is beduidend beter dan dat van de Samburu’s; eerder romantisch dan berucht. Waarom eigenlijk? Omdat de Masaai leven in de toeristisch aantrekkelijke streken, op de savanne te middden van olifanten, zebra’s en antilopen en dus bekender zijn? Masaai zijn afgebeeld in de toeristenfolders van Kenia, Samburu’s niet. Wie kent de Samburu´s? Wie komt er in de kurkdroge streek waar ze wonen? De Samburu’s leven daar op het randje van overleven en hebben de naam daarin meedogenloos te zijn.

Ik nam Chris’ raad ter harte en wachtte tot de regen was gekomen. Een week lang kletterde de regen uit een loodgrijze lucht – de Samburu’s zouden er beslist in verzopen zijn – en toen vertrok ik. Ik verliet Nairobi, reed over de groene hoogvlakte met weilanden afgezet met prikkeldraad – privé eigendom is de hoeksteen van onze beschaving en prikkeldraad is daarvan het symbool – en langs Mount Kenya naar Isiolo en voorbij Isiolo. Voorbij Isiolo houdt de wereld van het groen op en daarmee van de beschaving van het prikkeldraad. Voorbij Isiolo wordt de wereld droog en stoffig. Alleen nog het asfaltlint penetreerde in de wereld van de droogte en het stof, de wereld van de wildernis. Ongeveer honderd kilometer, tot aan de grens van Losai National Park, tot aan de brug over Merille River, dat een wadi is, en daar hield het asfalt op en begon de piste. Honderdveertig kilometer naar Marsabit en dan nog tweehonderdvijftig naar Moyale. Het was geen heel moeilijke piste, zanderig maar zonder kuilen, wasbord of stenen. Een piste van de tweede categorie: gemakkelijk te doen zolang je oplet. En daar, langs de piste naar Marsabit, kwam ik Samburu’s tegen. Ze stonden tussen het struikgewas. Ik zag ze, zij zagen mij en ik zag dat ze me zagen. Ik deed wat gebruikelijk is in de wildernis waar de ontmoeting met een mens een gebeurtenis is: ik stopte voor een praatje. Het was een groepje van een stuk of vijf jongemannen. Ze droegen lendendoeken en op de blote borst hingen kralensnoeren en kralensnoeren om de pols. Aan een zijde hing de machete – het voor alles-en-nog-wat mes – en aan de andere zijde een klein zakje waarin vermoedelijk het mobieltje zat (een Afrikaan zonder mobieltje is ondenkbaar en Samburu’s zijn Afrikanen). Een droeg een speer. Over hun huid liepen banden van litteken versiering (iemand heeft me verteld: die versiering wordt aangebracht door met een haakje een stukje huid op te tilllen en af te snijden en dat wordt later een litteken. Die banden bestaan uit tientallen van die littekens. Het aanbrengen ervan moet een marteling zijn.) Ze zagen er gezond uit, geen mensen die kortgeleden op sterven na dood zouden zijn geweest. Ze boden melk aan uit een vies jerrycannetje. Drink nooit verse melk! Verse melk, of het nu komt van een koe, een geit, een kameel of een paard, bevat ziektekiemen en parasieten en zeker melk in een vies jerrycannetje. Ik probeerde, zonder een directe afwijzing, om dat jerrycannetje heen te komen: “jullie koeien zijn vreselijk mager!”, om het gesprek op de misère van de droogte te brengen. Een van hen: “Maar onze vrouwen zijn dik!” en ze lachten. Humor, gevatte antwoorden, is algemeen menselijk. Hoe we het gesprek hebben gevoerd weet ik niet meer. Soms gebeurt het: in een gesprek wordt de taalbarrière ongemerkt genomen. Het gebeurde met Doesja in Zireken, Siberië: we spraken een avond aan de keukentafel over haar leven hoewel ik maar een paar woorden Russisch ken en zij niet meer Engels; zij “biznis” en “politik” en ik kende haar woord “plachoje” dat ‘slecht’ betekent. Met het groepje Samburu’s was het precies zo. Ik (wees ik naar het mes en de speer?): “zijn dat jullie wapens?” Zij: “Nee, dat zijn onze tradities.” Een dook achter een struik en kwam terug met een kalasjnikov; ik noem het een ‘kalasjnikov’ maar ik heb geen verstand van wapens, het was in ieder geval een indrukwekkend wapen. Ze lachten; vast en zeker met de betekenis ‘Jij dacht dat wij niet beschaafd waren? Nou, zie eens.’

De weg naar Marsabit

De weg naar Marsabit

 

Tegen vieren bereikte ik Marsabit en vond onderdak in Henry’s Camp. ’s Nachts regende het. Marsabit ligt op een plateau, ongeveer zeshonderd meter boven de omringende vlakte en vangt daardoor de regen, in maart en april en in oktober en november. Het regende die nacht en de hele volgende dag. Marsabit, dat gewoonlijk een stoffig stadje is, werd een modderpoel. De modder was kuitdiep! Er was met de motor niet doorheen te komen. Ik probeerde het, slipte al bij het hek van Henry’s Camp en viel. Henry – die eigenlijk Heinrich heet, een Zwitser – regelde een pickup die mij en mijn motor door de modder van Marsabit omlaag naar de vlakte bracht. In het leemdek van de weg had het regenwater diepe geulen uitgeslepen. Het water had zich verzameld in de oneffenheden van de weg tot diepe plassen en kleine meren. De modder spatte over de motorkap tegen de ramen van de pickup. Tien kilometer buiten Marsabit was geen druppel gevallen en de wereld was er kurkdroog als altijd.

Toen we de wereld van de modder voorbij waren vroeg ik de chauffeur te stoppen en de motor uit te laden. De pickup keerde om, terug naar Marsabit. Ik bekeek het landschap: een vlakte tot aan de horizon, een vlakte zonder enig menselijk artefact op de piste na. Er was zelfs geen telecommast te zien waar gewoonlijk een bewaker is, een mens. Ik was alleen op de wereld in een mensvijandig landschap met acacia’s zonder blad, doornstruiken, lavamuren. Een landschap in bruin en rood en vooral grijs – grijs is de bast van de acacia’s – en daarboven een matblauwe hemel. Ik zag geen vogels, ik hoorde geen vogels, er woei zelfs geen wind (in de woestijn waait het altijd). De wereld was roerloos en doodstil. Ik bekeek de piste die kronkelde naar de horizon. Het dek bestond uit grof hoekig grind en keien met scherpe punten. Lava. Gotogot, als me hier iets overkomt, een lekke band … Ik reed tien, twintig, soms dertig kilometer per uur. Ik telde de kilometers af op mijn navigator. De bus van Moyale naar Nairobi kwam voorbij en ik kwam voorbij een verlaten vrachtauto met een lekke band. Ik passeerde een kruis. Iemand heeft me verteld dat daar een pater is omgekomen van dorst of vermoord door Samburu’s. Het werd heet, schroeiende middaghitte, en nog steeds geen wind. Ik stopte om water te drinken, klapte de zijstandaard uit maar lette niet goed op; de motor gleed achteruit de greppel in. De zijstandaard haakte en brak half af. Ik kon niet meer van de motor en op de motor kon ik niet bij de jerrycan met water. Urenlang slalomde ik tussen de keien door, zag alleen nog maar de piste, raakte verdoofd, kreeg hoofdpijn door watergebrek. Ik kwam niemand tegen, geen tegenligger, geen Samburu. Ergens in de wildernis moest een missiepost liggen. Ik keek op mijn mobieltje: geen signaal. Dat signaal, de afwezigheid ervan, werd een obsessie; ik keek vaak op mijn mobieltje. Eindelijk, eindelijk kwam er een signaal dat gaandeweg sterker werd. Het was het signaal van de telecommast van Torbi.

Een kruis langs de piste

Een kruis langs de piste naar Moyale. Hier zou een pater zijn omgekomen van dorst of vermoord door Samburu’s.

Torbi is een dorp en ligt daar waar de piste van het noorden naar het oosten draait, op ongeveer tachtig kilometer van Moyale. Dorpelingen hielden mijn motor vast zodat ik af kon stappen en hem op de middenbok kon hijsen. Ik dronk water en thee en vroeg naar een lasser om de zijstandaard te repareren. Er was in Torbi geen lasser, er zou er een zijn in Moyale. Ga niet nu, zeiden de mensen, je zult Moyale niet voor het donker halen en dan wordt het gevaarlijk, je zult worden beroofd. Dus bleef ik. Er is een heel eenvoudig hotel in Torbi, een lemen bouwsel. Mijn kamer: een cementen vloer en een ruwhouten bed met een schuimrubberen matras en een deur van golfplaat. Iemand bracht een kaars voor de nacht. Er was geen elektriciteit in Torbi. Ik vroeg naar de douche. Ik, verwende westerling, vroeg naar de douche! Er was geen water in Torbi; er was geen watertoren, geen put, geen pomp. Iemand bracht een emmertje leemkleurig water; met een theezeefje viste hij er takjes en strootjes uit. Mensen zijn goed. Naast het hotel werd gewerkt aan het fundament voor een nieuw gebouw. “Dat wordt het nieuwe hotel” zei de baas “Als de weg klaar is, dan zul je hier wat beleven!”

Torbi Hotel

Het hotel van Torbi

Vijf jaar later ben ik weer bij Jungle Junction. Ik vroeg Chris mijn motor te onderhouden voor de laatste sprong. Chris: “Het is gemakkelijk nu, de weg is klaar. Je zult geen problemen hebben.” Ik reed Nairobi uit naar Isiolo en voorbij Isiolo en bereikte de brug over de Merille River, daar waar vijf jaren tevoren de piste begon. Er staat daar een bord met daarop de vlag van de Europese Unie en erachter ligt hagelnieuw asfalt. De weg is nog niet klaar – er wordt nog gewerkt aan duikers en bruggen en de belijning moet nog worden aangebracht – maar is berijdbaar. Er is haast gemaakt met de weg en de redenen daarvoor liggen voor de hand: Al Shabaab en ‘tribale conflicten’ dat een eufemisme is voor onderlinge veeroof door Samburu clans. In de streek rond Moyale heeft het leger de orde hersteld. Ik kom weer Samburu’s tegen. Ze hollen naar de weg, zwaaiend met een plastic fles. Ik deel het water uit mijn jerrycan; voor mezelf heb ik een fles water in mijn rugzak. Samburu’s werken aan de weg en bemannen controleposten. Dat is hoopgevend. Ik bereik Marsabit, logeer in Henry’s Camp en drink een paar biertjes met Henry. “Een nieuw hotel in Torbi?” peinst Henry “Het zou kunnen maar de weg is klaar en je kunt nu in één dag gemakkelijk van Moyale naar Isiolo, zelfs naar Nairobi, rijden dus waarom zou je in Torbi blijven?”

Marsabit is nog stoffig maar achter Marsabit loopt het zwarte asfaltlint naar de horizon. Klaar, Europees klaar: in het midden een gele streep en aan weerszijden van de weg een witte, er staan borden die waarschuwen voor ‘strong cross winds’ en “Climb lane starts in 150 m”. Naast de weg ligt nog de piste. Er is weinig verkeer: af en toe een vrachtauto en de bus natuurlijk en vooral patrouillewagens van de politie en het leger. “Onze aanwezigheid is voldoende” verklaart een legerman. Ik passeer dorpen die ik vijf jaren tevoren niet had gezien en bereik Torbi. Torbi heeft nu een watertoren en elektriciteit. Het hotel is afgebroken, een nieuw is niet gebouwd. Bar The World bestaat nog wel. Achter Torbi buigt de weg naar het oosten, volgt de rand van het Ethiopisch Hoogland totdat hij de doorgang vindt naar Moyale. Asfalt, all the way naar Moyale!

 

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Oost-Afrika en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s