Terug in Chembe

Chembe is een dorp van bakstenen en lemen huisjes met rieten en golfplaten daken langs een zanderige weg. Een enkele baobab en mangoboom zorgt er voor schaduw. Het is een dorp zoals er zoveel zijn in Afrika: met een groentenmarkt en stalletjes die ‘shopping centre’ heten, met een meubelmaker, een kleermaker en een smid, met kinderen, kippen en geiten en met de geuren van poep, vuilnis en rook. De ligging is bijzonder: op een hoge strandwal langs een smal zandstrand aan de zuidoever van het Malawimeer. In dat blauwe meer liggen groenbeboste eilanden en aan de westelijke horizon zijn de grijze contouren zichtbaar van het hoogland. Kinderen ravotten in het water, moeders doen er de was en de afwas. Mannen lummelen op het strand of boeten er netten. Vissers peddelen kano’s van uitgeholde boomstammen. De visverwerking is aan het einde van het dorp; de vis wordt gekookt en gedroogd of gerookt. Aan de landzijde ligt een kleine kustvlakte met maisakkers en bespikkeld met baobabs en mangobomen tot aan de beboste heuvels. Kortom: Chembe is romantisch als het paradijs en staat daarom op de toeristische kaart van Malawi. Bescheiden toerisme: er zijn acht lodges die verschillende beurzen bedienen. Vrijwel geen toerist weet overigens dat hij in Chembe is. Hij denkt in Cape Maclear te zijn. Dat staat op de wegwijzers, in de toeristenfolders van Malawi en ook in de Lonely Planet. Het dorp heet echt Chembe; Cape Maclear is de punt van een eiland voor de kust.

wp-1454318695824.jpeg

De weg naar Chembe

Vijf jaren geleden was ik in Chembe. Ik keek er naar de kinderen, de moeders, de mannen, de vissers en vooral naar het meer. Ik herinner me hoe de kleur ervan veranderde met de stand van de zon: lichtblauw in de morgen, grijzig blauw in de middag, van geel naar oranje bij zonsondergang en paars bij het vallen van de avond. In Chembe tikt de zon de tijd nog weg. En nu ben ik er weer. In die vijf jaren is het dorp er op vooruit gegaan. De weg erheen is nu geasfalteerd, op de laatste (of de eerste: afhankelijk van je standpunt) vijf kilometer na. Het geld was op, is mij verteld. Er staan nu twee telecommasten, een van Airtel en een van TNM. De huizen voor de leraren van de primary school zijn klaar – bescheiden maar nette huizen, een enkele met een schotel op het dak – zodat de school nu ook leraren heeft. De waterpompen zijn vernieuwd; een schenking van Groot Brittannië. Er is een bioscoop gekomen – een rieten hut met een groot flatscreen en matten om op te zitten; er worden vechtfilms vertoond – en een echte bar met twee poolbiljarttafels en een podium waar in het toeristenseizoen muziekgroepen zullen optreden. Er is zelfs een muur gemetseld rondom een terrein waarop, naar men zegt, een groothandel van CocaCola zal komen. Nou, als dát geen vooruitgang is … De belangrijkste aanwinst is beslist de kliniek. Die was er vijf jaar geleden niet. Wie toen een dokter nodig had moest naar Monkey Bay, twintig kilometer verderop. Het dichtstbijzijnde ziekenhuis is in Mangochi, vijftig kilometer verderop. Hoe kom je in Monkey Bay of Mangochi? Lopend, met de fiets of achterop de brommer, met de enkele auto of met de matola, het minibusje dat twee maal per dag uit Monkey Bay komt. Er zijn mensen langs de weg dood gegaan. Dat hoeft niet meer, dankzij de kliniek. En dankzij de telecommasten kan nu ook de ambulance in Mangochi opgeroepen worden. De kliniek heeft een paar ziekenkamers met bedden, een laboratorium, een apotheek en een vaste dokter, Jeannet, de Nederlandse vrouw van de Zuid-Afrikaanse eigenaar van Mgoza Lodge. Jeannet behandelt de ziekten die in Afrikaanse dorpen gebruikelijk zijn: diarree en misselijkheid, malaria (“Ik heb nu vier of vijf gevallen per dag maar over een maand, als het regenseizoen is gevorderd, zijn dat er vijftig”) en bilharzia, hoge bloeddruk en een enkel diabetes geval en ook syfilis en HIV (“Twintig procent van de bevolking is besmet”). Die kliniek is een schenking van de Ierse Billy Riordan Memorial Trust. Billy Riordan is met een dronken kop ’s nachts gaan zwemmen in het meer en daarbij verdronken. Zijn moeder heeft de trust opgericht ter zijner nagedachtenis zodat uit de stommiteit van Billy toch nog iets goeds is voortgekomen.

image

Gerookte vis

Het gaat goed met Chembe, met de kanttekening dat de vooruitgang vooral is gebaseerd op krijgertjes van buiten. Het dorp leeft van de visvangst, van de landbouw en van het toerisme en het toerisme zit langzaam in de lift. Chembe is een succes in Malawi. Het gaat dus goed maar niet goed genoeg. Dat is een verschijnsel dat ik vaker heb opgemerkt: naarmate het algemene welvaartspeil stijgt wordt de individuele nood meer zichtbaar. Neem de gezondheid; dokter Jeannet: “De kinderen zien er op het oog gezond uit maar je schat ze drie en ze zijn vijf. Dat is chronische ondervoeding, te weinig en te eenzijdig.” Kijk naar het toerisme: er zijn achtenvijftig toeristengidsen in Chembe. Achtenvijftig! Er zijn evenveel gidsen als toeristen. Gelukkig, voor de toerist, is er een associatie van gidsen opgericht; vast en zeker onder druk van de lodge eigenaren die hun klanten niet gek gemaakt willen zien. Die associatie heeft groepen van acht gidsen gevormd, evenveel als er lodges zijn, en elk groepslid krijgt een lodge toegewezen voor een week; daarna is de volgende groep aan de beurt. Reken even mee: om de zeven weken kans op een inkomen. Willings is de gids van dienst tijdens mijn verblijf in Mgoza Lodge. Hij heeft een geplastificeerde kaart waarop de te maken tripjes en de prijzen zijn vermeld. De tripjes zijn redelijk geprijsd, op het eerste oog: vijftien dollar per persoon maar … met een minimum van drie personen. Die tariefstelling is vast en zeker bedacht door een consultant. Ik wil de village trip met hem doen, onderhandel over de prijs – geen drie personen – en kom uit op vijfentwintig dollar. Dat is een vorstelijke betaling voor een village trip maar met die vijfentwintig dollar moet hij wel zeven weken zien te overleven – hij heeft een gezin met twee kinderen – als hij geen nieuwe klant kan strikken. Willings doet zijn gidsenwerk naar behoren – hij weet precies welke organisatie wat heeft geschonken – maar er hangt iets hopeloos rondom hem: zijn bestaan bestaat uit overleven en dat zal de rest van zijn leven zo blijven.

Voor Chembe dreigt een ramp. De regen blijft uit en de mais staat op de akkers te verpieteren. Als de regen niet binnen een paar dagen komt is de oogst verloren én de investering in kunstmest. Een misoogst raakt niet alleen de boeren maar het hele dorp: de prijs voor maïsmeel zal de hoogte in schieten. Maïspap is de staple, de maagvulling. Wat het nog erger maakt: dit is niet de eerste keer. In december kwam de regen en zijn de boeren begonnen maïs te planten. Daarna bleef de regen uit en ging de aanplant dood. Half januari is de regen weer gekomen en zijn de boeren opnieuw gaan planten. Dat is de maïs die nu staat te verpieteren. Een derde poging zit er niet in: het plantgoed is op. Heel Chembe bidt God om regen. Het is de klimaatverandering: de komst van de regen wordt onvoorspelbaar. Wie luchtig doet over die klimaatsverandering of denkt dat het een probleem is van ijsberen – “Dan trekken die beren hun bontjasje maar uit” – moet eens wanhopige boeren ontmoeten. Niet alleen in Chembe; volgens de BBC hangt in heel Zuid en Oost Afrika het leven van miljoenen mensen aan een zijden draad.

Ik kwam dus terug naar Chembe vanwege de herinnering aan een paradijs, om te zien hoe het met het dorp gaat maar vooral om Stedy J. op te zoeken. Vijf jaar geleden was Stedy mijn vogelgids. Hij was deskundig, met het gezichtsvermogen van een adelaar – “Kijk daar, op de tak van die boom daarachter, daar zit een Warbler!” Een Warbler is een onaanzienlijk vogeltje van een centimeter of tien – een prettig mens en informatief bovendien. Hij zag mijn veldgids van zuidelijk Afrika die niet alleen vogels maar ook reptielen, zoogdieren, bomen en planten beschrijft en ik hoorde zijn verzuchting: met zo’n boek … oh … hij zou zijn kennis kunnen uitbreiden en zijn aanbod! Ik deed of ik niets had gehoord, ik wilde mijn veldgids niet schenken; ik verwachtte er nog veel plezier van te hebben. Maar in het noorden van Malawi begint de biologische wereld van Oost Afrika met andere bomen en planten en werd mijn veldgids zo goed als waardeloos. Op een camping ontmoette ik een toerist die van plan was Cape Maclear te bezoeken. Ik gaf haar mijn veldgids met het verzoek die aan Stedy te overhandigen en schreef in de gids mijn emailadres. Na een paar maanden kreeg ik een email van Stedy waarin hij mij bedankte voor de veldgids. Sindsdien hebben wij contact gehouden, meestal per email en af en toe bel ik hem. Hij vertelt mij over zijn leven en – tussen de regels – over zijn  zorgen. Stedy vraagt nooit rechtstreeks om hulp. Ik betaal al jaren de kunstmest voor zijn akker – vier zakken á vijftig dollar per zak – en krijg daarvoor in ruil opgewekte berichten: “Mijn tuin heeft het goed gedaan, dankzij de kunstmest. Ik heb genoeg maïs om mijn gezin te kunnen voeden.” Als die tuin het écht goed had gedaan, had die tuin ook de investering van kunstmest opgebracht.

Ik heb beloofd, als ik de energie kan opbrengen om door Afrika terug naar Nederland te reizen, dat ik hem zal opzoeken en dat is nu het geval. Ik heb de geschenken bij me waarom hij heeft gevraagd – de nieuwe uitgave van de Sasol vogelgids, een Samsung smartphone (wat is een Afrikaan zonder smartphone?) en een voetbal. Hij heeft geschenken voor mij: een Afrikaanse broek en hemd, gemaakt door de kleermaker in Chembe. We zijn een paar dagen op vogeljacht gegaan – niet met een geweer maar met een camera: “hunting without killing” – en onderwijl gesproken over zijn leven. Stedy woont niet meer in Chembe, hij is verhuisd naar Monkey Bay waar hij een baan heeft op de onderzoeksafdeling van Lake Malawi National Park en waar de school beter is dan de dorpsschool van Chembe. Hij woont in een stenen huisje achter de school. Ik ben er op bezoek geweest en heb er kennis gemaakt met zijn gezin; met zijn vrouw Agnes, zijn zoon Jasper en zijn dochters Emma en Emilie. Jasper zit in de laatste klas van de primary school en bereidt zich voor op het examen van de secondary school. Emma zit in de tweede klas en Emilie is net één jaar geworden. Ter gelegenheid van mijn bezoek is er frisdrank in huis gehaald: een flesje cola en twee flesjes fanta. De cola is voor Stedy (ik vind cola niet lekker), een flesje fanta is voor mij en het tweede flesje fanta wordt gedeeld door moeder Agnes, Emma en Emilie. Gedaan is wat binnen het vermogen ligt om de bezoeker uit Nederland te ontvangen. Gaat het goed? Er hangen donkere wolken boven dat gezin. Die baan is een tijdelijke en hij verdient er tienduizend kwacha, ongeveer dertien euro, mee … per maand. Dat is precies genoeg om de huur van het huisje te betalen. Zijn akker in Chembe lijdt onder dezelfde droogte als alle akkers in Chembe en de kippen zijn aan een ziekte bezweken. Ik: “En nu?” Stedy zwijgt, hij wil er niet over praten waar de kinderen bij zijn. Later, als wij terugwandelen van zijn huis naar de hoofdweg, zegt hij: “Het is voor ouders hier heel moeilijk om de schoolkosten te betalen.” Dat is een hulpvraag in Stedy-stijl: een persoonlijke zorg verpakt hij in een algemene constatering.

image

vlnr: Stedy met Emily, Agnes, Emma, Jasper en een nichtje

Stedy is allang uit de naamloze massa gekomen en een medemens geworden, een met een gezicht. Wij delen een belangstelling, een verleden en misschien een toekomst. Je zou kunnen zeggen dat wij vrienden zijn, als het begrip ‘vriend’ niet een zekere pariteit veronderstelt. Met het bezoek aan zijn huis is ook ‘gezin’ persoonlijk geworden: Agnes, Jasper, Emma, Emily. Jasper heeft pientere oogjes en is een beginnende puber, een die op het punt staat de hoogte in te schieten, een waar straks bakken voer voor nodig zijn. Vast en zeker wordt hij een rijzige knappe jongeman. Emma is verlegen; ze doet me denken aan mijn nichtje en petekind Emilie toen die net zo oud was. Zo een waar je alles uit moet trekken, diep water. Jasper is nu de zorg; de primary school is, formeel, gratis maar voor de secondary school moet schoolgeld betaald worden en er moet betaald worden voor het uniform en de boeken. Naar school kunnen gaan betekent een kans op een toekomst, een kans om te ontsnappen aan de armoede. Stedy en Agnes zijn gewone ouders die leven voor hun kinderen, opdat die het beter zullen hebben dan zijzelf. Voorbijgaan aan Stedy’s zorg betekent de zin van zijn leven negeren.

Ik bleef ’n nacht in Monkey Bay. Die nacht is de regen gekomen; het water is met bakken uit de hemel gevallen. Chembe is door het oog van de naald gekropen. Voor dit jaar.

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Oost-Afrika en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s