Beitbridge Border Crossing

Door de hoofdstraat van Messina trekt een gestage trage stroom voertuigen. Grote trucks met ronkende motoren, grote en kleine bussen met aanhangers, stationcars, pick-ups, personenauto’s. Messina is een grensplaats; de grens met Zimbabwe ligt achttien kilometer verderop. Iedereen in Zuid-Afrika weet waar Messina ligt: aan de rand. De staat is er formeel wel aanwezig maar ook de andere staat is voelbaar en waar twee staten tegen elkaar schuren ontstaat een overgangszone met een eigen atmosfeer van voort moeten, van koopwoede op de valreep, van moeders met jengelende kinderen, van pakken en dozen. Langs de hoofdstraat zijn de winkels waar de koopwoede tot ontlading komt; winkels voor koelkasten en televisies, haardrogers en waterkokers, bedden en beddengoed, kleren en schoenen, speelgoed, plastic en zinken huishoudspullen. De verkopers van cellphones zijn te herkennen aan de bossen adapters naast de deur. KFC, Chicken Licken, Wimpy en Spurs hebben zich ertussen genesteld. Op de stoep zitten vrouwen met groenten en fruit en geldwisselaars met dikke rollen bankbiljetten. Bij de Spar en de bottleshops staan lange rijen voor de kassa’s. Het is er heet en klam. De aanhangers van de bussen en busjes, de stationcars, de bakkies, de personenauto’s: ze zijn tot de rand gevuld met spullen. Spanbanden houden kofferdeksels dicht. Twee mannen vragen mijn hulp, ze komen er niet uit: hoeveel Rand is nou een dollar? Een dollar is vijftien Rand; de dollar is in waarde gestegen nadat de Federal Reserve de rente heeft verhoogd en de Rand maakt nog steeds een duikvlucht. Hoeveel Rand is dan duizend dollar? En drieduizend dollar? Het gaat om een partij Jameson die van eigenaar moet wisselen; vast en zeker smokkelwaar. Ik reken en houd tegelijkertijd mijn rugzakje in de gaten; de hulpvraag kan een afleidingsmanoeuvre zijn. Een geldwisselaar vertelt me later: vijftieneneenhalve Rand voor een dollar; dat scheelt bij drieduizend dollar toch een slok op een borrel. Een politieman wijst me de weg naar Backpackers Lodge en rijdt voor me uit – “Want anders zie ik je straks weer.” Ik kom hem de volgende dag tegen bij de supermarkt. Ik vraag “druk?” Hij lacht: “We proberen de orde te handhaven en de smokkel te bestrijden. Meer kunnen we niet doen.” Zo is Messina. Backpackers Lodge vraagt tweehonderd Rand – de hoogste prijs die ik in Zuid-Afrika betaalde – voor de dorm met een kaal peertje aan het plafond, een koude douche, geen gratis koffie en geen wifi. Zo is Messina.

Ik verliet Messina op zondagochtend, half tien, in de verwachting dat het op zondag bij de grenspost rustiger, in ieder geval minder druk, zou zijn dan op werkdagen. Het was inderdaad rustig op de weg; geen verkeer voor me en ook geen verkeer achter me. Tot vijf kilometer voor de grens. Daar begon de file. Twee rijen dik, op de linker baan de grote trucks, op de rechter de bussen, stationcars, pick-ups, personenauto’s en een enkele vrachtauto waarvan de chauffeur hoopt via die baan terreinwinst te boeken. Ik sta daartussen. Iemand vraagt “Waarom rij je er niet langs?” Er is een doorgetrokken streep en ik kan het tegemoetkomende verkeer niet zien zonder ver op de tegenbaan te komen. Niet veilig. De politie komt: “Rij er maar langs.” Geluk (ik heb ontzettend veel geluk). Ik rijd langs de file naar de kop en daar is de oorzaak: de grenswacht. Die laat maar mondjesmaat verkeer toe tot de grenspost. Dat helpt: het is druk op de post maar niet chaotisch. Eerst de immigratiedienst: stempeltje zetten, klaar. Dan de douane. Daar is het druk maar ik ben de enige met een Carnet de Passage; dus een Bijzonder Geval. Mijn carnet is niet gestempeld toen ik vanuit Botswana Zuid-Afrika binnenkwam. “Hè!” zegt de douaneman “Dat had wel gemoeten! Wat nu?” Ik: “Doe gewoon niks. Uw Zimbabwaanse collega’s stempelen me wel weer in. Stempel alleen de grenskaart af.” Dat vind’ie een goed idee; zo is hij ook snel van me af. Op de grenskaart worden de handelingen afgestempeld of geparagrafeerd, zodat de wacht aan het hek kan zien dat alle administratie is gedaan. Ik lever mijn kaart in bij de wacht. Die doet het hek open.

Ver kom ik niet; pal achter het hek begint de volgende file, die voor de Zimbabwaanse grenspost. Langzaam kruipt de file de Beitbridge op, de brug over de Limpopo die de grens is tussen Zuid-Afrika en Zimbabwe en waarnaar de grenspost is genoemd. Het is heet, godgloeiend heet op die brug. In de laadbak van de pick-up voor me ploft de dop van een fles cola. Handen houden babies uit de ramen, om ze te laten piesen. Naast me in de file staat een pick-up met in de bak een grote dieselmotor. “Waar gaan jullie naar toe?” “Naar Lumbumbashi!” Het zijn Congolezen, Kinshasa-Congolezen; Lumbumbashi ligt in het zuidoosten van Congo. “Hoe kom je daar?” Dat is een reizigersvraag; ik wil altijd weten hoe je ergens kunt komen. “Eenvoudig: over Harare en Lusaka. De weg van Lusaka naar Lumbumbashi is goed en er zijn geen dieren. We doen er drie dagen over.” Ze zijn, als alle Afrikanen, panisch van dieren, wilde dieren, olifanten. Dat is nou het plezier van zo’n grenspost: je ontmoet er interessante mensen, mensen uit Lumbumbashi en daar kun je gewoon naar toe rijden, naar Lumbumbashi bedoel ik. Stel je eens voor dat in Europa het Schengenverdrag zou worden opgezegd: Nederlanders zouden in de file voor de grenspost hun mede-Europeanen ontmoeten, Polen, Bulgaren, Roemenen. In het gedrang in de douanehal zou je elkaars lucht kunnen opsnuiven. Polen, Bulgaren, Roemenen ruiken vast en zeker naar knoflook, Nederlanders naar kaas en melk. En gezamenlijk naar zweet, natuurlijk. Zonder Schengen worden alle Menschen Brüder! En thuis heb je nog een verhaal te vertellen: “Ik stond toch vier uur in de file bij de Duits-Oostenrijkse grens, zeg, naast een Bulgaarse familie. Ze kwamen uit Varna aan de Zwarte Zee. Daar schijn je gewoon naartoe te kunnen rijden!”

Ik kan de file niet passeren: de brug is te smal en er zijn geen inwijkmogelijkheden. Ik ben verplicht met de trage stroom mee te gaan. In een uur passeer ik de brug tot aan de slagboom van de grenswacht. Achter de slagboom staan de runners: zij die je door het doolhof van de grensbureaucratie weten te loodsen, die voorrang in de lange rijen voor de loketten weten te regelen, die de achterdeurtjes kennen. Meestal heb je helemaal geen runner nodig – de bureaucratie is in principe eenvoudig: immigratiedienst, politie, douane, verzekeringsmaatschappij – en ik moet ze niet: ze maken je bang en als je bang genoeg bent, ben je als was in hun handen en het is semi-illegaal ook al hebben ze een tag om hun nek hangen van het grensbedrijf. De eerste vraagt tweehonderd dollar voor zijn diensten, de tweede honderd dollar. Ik begin er niet aan. George loopt mee om een plekje te wijzen voor mijn motor, in de schaduw. George vraagt twintig dollar voor zijn runnersdiensten. Ik ga eens kijken bij de douane. Mensen wringen zich door de nauwe deuropening naar binnen en binnen staan de mensen als haringen in een ton. “Daar hoef je niet tussen te staan” fluistert George achter me “Ik kan dat voor je regelen en je krijgt van alles een rekening.” Met het laatste suggereert hij legaliteit. Het is onzin, ik weet: hij zal omkopen. De aanblik van de douane-harington – en George’s prijs – doet mij over de morele bezwaren heenstappen. Zelfs als George zou zeggen “Ik moet er twee mensen voor vermoorden” zou ik nog met hem in zee gaan –  “maar je doet het wel humaan, hè?” – zó afschrikwekkend is de harington van de douane.

Twintig dollar en tien voor de grenskaart. George gaat aan de slag. Na een half uurtje is’ie terug: “Kom mee!” We lopen naar de immigratiedienst. George: “Ga naar het derde loket. Je hoeft niet in de rij. Ze weten dat je komt.” Achter het loket tuurt een ambtenaar in de menigte, ziet mij en wenkt. Vast en zeker heeft George gezegd “Het is een blanke, een buitenlander”; een ‘muzungu’ heet dat hier. Ik kruip onder het hek door, langs de wachtrij naar het loket. Niemand mort. “Een visum voor een maand, alstublieft” Tien minuten later heb ik een visumzegel in mijn paspoort. George staat bij de deur te wachten: “Oké, nu de douane”. George vertrekt en is tien minuten later weer terug: “Ik heb vijftig dollar nodig voor de TIP”, het Temporary Import Paper. Ik: “Ik heb een Carnet de Passage, ik heb geen TIP nodig” en geef hem het Carnet. Ik volg George’s gang – want hij heeft mijn Carnet én mijn paspoort – maar verlies hem in de menigte. Ik wacht. Het is godgloeiend heet, ik sterf van de dorst, kan nauwelijks praten door een droge keel en er is nergens een kiosk waar ik water kan kopen. Daar is George weer: “Het Carnet is bij de douane. Een vriend van mij wacht bij de achterdeur om het op te halen. Ik ga de CO2-belasting regelen. Geef me honderd dollar.” “Honderd dollar belasting? Dat geloof ik niet.” CO2-belasting is de nieuwe melkkoe zonder dat er ook maar een molecuul minder koolzuur in de lucht komt, net zomin als road tax bijdraagt aan ook maar een vierkante centimeter asfalt. George, gemelijk: “Ik moet mensen betalen.” “Ik heb maar tachtig dollar!” Ik heb meer geld maar dat hoeft George niet te weten. “Oké, geef die tachtig dollar. Ik ga naar mijn baas.” Minimaal twintig dollar is smeergeld of een top-up van George’s provisie. George komt terug met mijn paspoort, Carnet en een bundeltje papieren. “Oké, nu naar de groene tent.” De groene tent huisvest de controle-afdeling. George loopt voorop, smoest wat met een van de controleurs, wenkt me: “Geef de grenskaart.” De controleur stempelt mijn grenskaart. Klaar. Ik geef George een hand, stap op de motor, geef mijn grenskaart aan de wacht en rijd de poort uit. Buiten de poort bekijk ik de papieren van George. De grenskaart kost zestig rand: vier dollar, geen tien. Een rekening of enig bewijs van betaalde CO2-belasting zit er niet bij. Voor hoeveel ben ik door George getild? Voor tachtig dollar?

Aan de Zimbabwaanse kant van de grens is ook een overgangszone, als in Messina, maar met een andere atmosfeer: de sfeer van opluchting erdoorheen te zijn en van haast om de verloren tijd in te halen. Beitbridge is een slaperig stadje met een paar banken, benzinestations, restaurants, zonder winkels. De koopwoede is in Messina ontladen. In de wegberm staan de busjes met de aanhangers. Op de vlakke autoweg van Pretoria naar Messina redden ze het; op de hobbelige en steile weg in Zimbabwe is de vracht te zwaar. De passagiers stappen uit, duwen om vaart te maken. Het zal lukken; het is altijd gelukt. Op weg naar Bulawayo, naar Masvingo, naar Harare.

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Zuidelijk Afrika en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s