En, hoe gaat het met Zuid-Afrika? Over ontwikkeling en welvaart.

Vijf jaar geleden was ik in Zuid-Afrika en nu ben ik er weer. Ik landde vroeg in de morgen op OR Tambo Airport en werd opgehaald door de chauffeur van Mabo’go. Hij nam de autoweg naar Johannesburg. Het was druk. De vier rijbanen waren vol, het verkeer reed langzaam: de ochtendspits zoals in elk ontwikkeld en welvarend land. Ik bekeek het verkeer: veel vrachtauto’s – elke vrachtauto is een hartslag van de economie – en vooral personenauto’s – mensen op weg naar hun werk. Ik herkende de merken: Toyota, Nissan, Volkswagen, Renault, Citroën en ook Audi, BMW en Mercedes. Zoals in elk ontwikkeld en welvarend land. Die BMW’s: niet alleen de goedkopies uit de Z3 serie maar ook executive cars. De Mercedessen zijn wit. Ik verbleef in hostel Curiocity in de wijk Maboneng, vrijwel in het hart van Johannesburg. Vijf jaar geleden was dit een no-go area. Nu is Maboneng een wijk die succesvol de transformatie heeft doorgemaakt naar een upmarket yuppendomein: appartementsgebouwen en broedplaatsen voor startups in de hippe design- en IT-sector, bars en restaurants met keukens uit alle delen van de wereld, galeries en trendsettende musea. Welkom in het nieuwe Zuid-Afrika! Bij Market on Main, een zondagse foodlovers markt, ontmoet ik de leden van een motorclub. Hun motoren: BMW’s van het 1200 formaat en Harley’s, één Yamaha die het eigendom is van een oudere blanke heer. De overige leden van de motorclub: stevige zwarte jongens in de designkleding van BMW of het zwarte leer dat bij Harley hoort. Motorrijden is populair onder zwart en blank.

Zuid-Afrika heeft de afgelopen vijf jaar een adembenemende groeispurt doorgemaakt. Neem de winkelcentra. Ik bezocht Crown Plaza in Durban en Kollonade in Pretoria (en Hatfield Mall en Brooklynn Mall maar dat zijn wijkwinkelcentra). Ze behoren niet tot de absolute top als de malls van Singapore, Tokio of Kuala Lumpur maar ze overtreffen ver Hoog Catharijne in uitstraling, diversiteit en kwaliteit. En in tegenstelling tot Marine Sands in Singapore wordt er hier ook gekocht. Rondom de steden zijn nieuwe wijken verrezen, wijken van het Vinex-type: gevarieerde straten en toch allemaal hetzelfde, gevarieerde huizen en toch allemaal hetzelfde, met de uitstraling van ‘we hebben het gemaakt’, knus en veilig, huisje-boompje-beestje. De middenklasse is geëxplodeerd. Dat zijn de eigenaren van de Audi’s, BMW’s en Mercedessen, de klanten van de shopping malls, de bewoners van die Vinex-huizen.

Ik wilde weten of er ook vooruitgang is op de lagere treden van de sociale ladder. Daarom ging ik naar Graaff-Reinet om het township Umasizakhe te bezoeken. Vijf jaar geleden was ik daar ook. Ik logeerde toen bij Terrence en Nita en Terrence regelde voor mij Tessa als gids om het township te bezoeken. Nita is dood, Terrence is ernstig ziek en de weg kwijt. Ik kwam terecht in pension Merwede en Johan Merwede regelde voor mij Nieko als gids. Tessa was goed in verhalen over het geweld in het township tijdens de Apartheid, Nieko is meer de man van de bouwkundige geschiedenis. We begonnen bij het ‘Royal Block’, een groep huizen met bakstenen bogen boven de deur en de ramen. “Dit zijn de oudste huizen van Umasizakhe.” zei Nieko “Ze zijn gebouwd tijdens de Boerenoorlog maar ik weet niet voor wie.” (Ik denk dat Nieko het bij het verkeerde eind heeft. Ik zag zulke huizen eerder. Ze zijn van het einde van de slaventijd. Na de afschaffing van de slavernij waren de boeren bang dat ze hun arbeidskrachten zouden verliezen en bouwden voor hen die huizen, om ze te behouden.) Die huizen zijn nu erg onderkomen maar de degelijke bouw en de zorg voor de afwerking zijn er nog aan af te lezen. Niet voor niets ‘Royal Block’. We bezochten huizen uit de Apartheidstijd, herkenbaar aan de betonnen balk boven de deur en het raam (Terrence, toen: “Heb je het gezien? Degelijke bouw! Die staan over honderd jaar nog!”), huizen uit de Mandela-periode – ruw gemetseld, piepklein, met een plat dak en een open portiek – en huizen uit het begin van deze eeuw – ook niet best gebouwd, ruw gemetseld en zonder degelijk fundament, maar wel voorzien van een keuken, douche en toilet.

image

Huis uit de Mandela periode

Ik luisterde braaf naar de uitleg van Nieko, zag het aan maar geleidelijk bekroop me een gevoel van teleurstelling. Ik: “Nieko, is dat alles? Is dit alles wat de overheid heeft gedaan voor het township: hier en daar een huis en nog slechte bouw ook?“ “Ah” zei Nieko “Je wilt de nieuwbouw zien? Dan gaan we naar mijn huis.” Nieko is geboren en opgegroeid in Umasizakhe maar woont nu in Kroonvale, het andere township van Graaff-Reinet. Aan Kroonvale blijkt een hele wijk te zijn toegevoegd met kleine huizen in aardige pasteltinten met een tuin langs rechte straten. In een daarvan woont Nieko. “Ik heb er twintig jaar op gewacht” zegt’ie. Hij laat het me zien: een kleine woonkamer met een open keuken, twee slaapkamers van vier bij drie meter en een badkamer. Daarin woont’ie met zijn vrouw en twee kinderen. Het is aardig en netjes maar erg krap. Nieko: “Ik heb het huis gekregen. Ik heb er niet voor betaald. Ik betaal alleen voor service, voor water en elektriciteit. Ik mag het niet verkopen. Ja, het is klein maar ik kwam uit een krot en ik mag het huis uitbreiden zoals ik het wil. Ik wil nu eerst een geiser en daarna bouw ik er een kamer bij.” Nieko is trots op zijn huis en op de buurt: “Ik was wel bang om hier te gaan wonen want je kent je nieuwe buren niet. Ik heb het erg met ze getroffen. Een maand geleden is een vrouw neergestoken door haar ex-vriend. Nu praten we over de oprichting van een buurtwacht en we willen ook straatlantaarns. Van die grote zoals in Umasizakhe; die geven het beste licht.” Na mijn bezoek aan Nieko’s wijk in Kroonvale merk ik dezelfde nieuwbouwwijken op bij veel townships. Ook voor de mensen op de lagere sporten van de sociale ladder is er vooruitgang en die vooruitgang is spectaculair vergeleken met wat daarvóór gebeurd is.

image

Nieko, voor zijn huis

image

Township, met nieuwbouwwijk (achtergrond)

De middenklasse in Zuid-Afrika is spectaculair gegroeid en heeft de klassen daaronder meegetrokken. Die middenklasse wil wonen en schept werk voor bouwvakkers. Vlak bij mijn guesthouse in Pretoria wordt een appartementencomplex gebouwd. Om twaalf uur loopt de bouwplaats leeg als een school: stromen zwarte jongens in een blauwe overall met de helm op het hoofd en op de helm het mondkapje. Tegenover de bouwplaats heeft een vrouw een openluchtcatering: pap en vlees. Andere bouwvakkers lopen naar de Pick ’n Pay voor de kant en klare maaltijd. Die middenklasse wil winkelen en dus is er werk voor kassières, vakkenvullers, schoonmakers en ander personeel. De legioenen van G4S, Stallone en Securop zorgen voor de orde en veiligheid waarop de middenklasse zo is gesteld. Elke parkeerplaats heeft wachters, parking guards, die leven van de fooien van de middenklasse. Werk, werk, werk. De middenklasse trekt en de overheid duwt. Die nieuwe wijken rond de townships: werk voor bouwvakkers. Het wegennet is in uitstekende staat; ik had geen last van slecht asfalt, ik had vooral oponthoud door de vele wegwerkzaamheden. Waar geen werk is creëert de overheid werk. In Graaff-Reinet: rommel opruimen, goten schoonmaken, groenvoorzieningen onderhouden. De werkers zijn gekleed in een oranje overall met op de rug ‘CWP’, Community Work Program. Die oranje overalls en de bijbehorende hoed moeten een vermogen hebben gekost. Nieko: “Die mensen hebben twee dagen per week werk en krijgen daarvoor vijfenzeventig rand per dag.” Vijf euro, veertig euro per maand. De koopkracht is toegenomen. Kijk in de supermarkt: grote blokken boter, mega-emmers yoghurt, enorme stukken zeep. ‘Veel’ is belangrijk. Voor de kassa’s van Pick ’n Pay en Checkers staan lange rijen. De diepvries met orgaanvlees is verdwenen. In de koeling van de groentenafdeling liggen plastic zakken met pap, de puree van maismeel. Pap is de staple van Zuid-Afrika. “Nee” verbetert iemand “pap is op z’n retour. Wie geld heeft eet bij Spurs, McDonalds of KFC.” Volgens Durban’s The Mercury krijgt de gemiddelde Zuid-Afrikaan twee maal zoveel calorieën binnen als nodig; vooral vetten en eiwitten. Heb je weleens een triple pizza gezien? Die bestaat, in het assortiment van Debonairs. De vraag naar elektriciteit groeit met sprongen. Ook op de lagere sporten van de sociale ladder is de televisie, waterkoker en magnetron gemeengoed geworden. Vijf jaar geleden logeerde ik bij Elroy H. Hij werkte als projectmanager voor Eskom, de nationale elektriciteitsmaatschappij. Elroy, toen: “Ik vertel je een geheim: over vijf jaar valt hier de stroom uit en dat duurt tot 2030. De regering heeft de elektriciteitsvoorziening verwaarloosd.” De Mercury publiceert op de eerste pagina van de zakenbijlage dagelijks het communiqué van Eskom, zoals Nederlandse kranten het weerbericht van het KNMI. Meestal is het netwerk ‘stabiel’, soms ‘fragiel’ maar meldt Eskom trots ‘deze maand slechts twee keer load shedding’. Bij ‘load shedding’ wordt een wijk of soms een hele stad van het netwerk afgekoppeld om het stabiel te houden. Eskom werkt als een razende om de vraag bij te benen: nieuwe krachtcentrales en hoogspanningsleidingen. Daarboven in die hoogspanningsmasten zie ik piepkleine mensen kabels bevestigen. Die kabels zijn vuistdik.

Het gaat goed, het gaat fantastisch en toch gaat het niet goed genoeg. Miljoenen wonen nog steeds in slums, in krotten van golfplaat en afvalhout. Neem, bijvoorbeeld, de autoweg van Cape Town Airport naar de stad en je ziet ze aan de rechterkant van de weg. Ernaast is een nieuwe wijk in aanbouw maar het aanbod is niet groot genoeg. Nieko zei over zijn nieuwe huis: “Ik heb hier twintig jaar op gewacht.” Voor miljoenen is er geen werk en Zuid-Afrika kent geen werkloosheidsuitkeringen. Voor honderdduizenden jongeren is er geen enkel perspectief. Ze leven in de slums of op straat. Ze verdienen de kost met straatventerij: kranten verkopen, snoepgoed of snuisterijen. Ze hosselen met dubieuze verhalen: “Toe, koop nou! Het is zaterdag, er is niemand op straat en ik moet geld hebben voor de apotheek.” Ze bedelen met een kartonnen beker in de hand bij de automobilisten die wachten voor de verkeerslichten op de kruispunten. Sommigen wenden een lichaamsgebrek aan om het bedelen kracht bij te zetten of wenden er een voor. Anderen gaan op hun knieën om hulp af te smeken. Weer anderen hebben een kartonnen bord om de hals hangen met de tekst “Please, help me. Dwing me niet te gaan stelen.” Die kansloze jongeren kunnen de rest van hun leven alleen maar kijken naar het dolce vita van hun leeftijdsgenoten uit de middenklasse en de rijken. Tenzij ze doen wat op dat kartonnen bord staat – hun heil zoeken in de misdaad – en die is dan ook on the rise. Ik heb het zelf ervaren: beroofd in Pinetown en bijna gewurgd, goed voor een reisverhaal. Aisha, van Nomad Backpackers in Durban waar ik logeerde: “Die jongens vinden dat ze de regering aan de macht hebben geholpen maar dat die regering niets voor ze doet. Ze zijn kwaad en dit [mijn beroving] is hun wraak.” Ze zegt ook: “Mijn moeder verkocht broodjes op het station om ons te laten studeren.” Ze bedoelt: die jongeren vechten er niet voor. Het is de mening van mensen die het gelukt is de weg omhoog te vinden. Mijn oordeel is minder hard maar ik ben geen Zuid-Afrikaan. Ik zie het venten, hosselen en bedelen. Ik vind dat vechten om te overleven. Een anekdote. Ik liep in Pretoria de Jan Shoba straat af. Plotseling hoorde ik achter me “uhm uhm”. Ik draaide me om als door een wesp gestoken; ik was de week ervoor beroofd in Pinetown. Daar stond een jongen, zo’n exemplaar uit dat leger van de honderdduizenden. Hij: “Ik volg u al een tijdje. Ik wilde u beroven maar God zei ‘Doe dat niet’ dus doe ik dat niet. Maar ik heb wel vijftig Rand nodig.” Ik heb hem de vijftig Rand gegeven. Het kán zijn dat God tot hem heeft gesproken en dus ook tot mij. Het kán zijn dat het een smoes is maar dan een die ik nog niet eerder heb gehoord, goed voor in een reisverhaal. Ik houd me altijd vast aan het Arabische gezegde “Elke lach is een gebed tot Allah”. Sindsdien kom ik hem regelmatig tegen als ik loop van mijn guesthouse naar de Pick ’n Pay in Hatfield Mall en dan hebben we een praatje. Het gaat onveranderlijk over hetzelfde: het leven op straat is niks, de studenten zijn naar huis en hij wil ook naar huis. Ik: “Ik heb je gisteren dertig Rand gegeven en daarvóór dertig en vijftig. Wat heb je daarmee gedaan?” Hij: “Ik heb er eten van gekocht; ik moet toch eten.” Ik: “Als je het geld had gespaard voor de bus, had je bij je moeder thuis kunnen eten.” Daar is’ie weer: “Hallo old man, je bent als een vader voor me. Van het geld dat je me gisteren hebt gegeven heb ik zeep gekocht om mezelf en mijn kleren te wassen en ik heb schoenen gekocht. Nu zie ik er netjes uit en heb meer kans op een baan.” Dat noem ik vechten.

Het gaat goed, het gaat fantastisch en toch gaat het niet goed genoeg. Mensen eisen werk, huizen en geld om leuke dingen te doen. Studenten rebelleren voor gratis universitair onderwijs. Mijnwerkers staken voor meer loon en betere werkomstandigheden. En de kas van de overheid is leeg. De export van grondstoffen loopt terug door de stagnerende wereldeconomie. Als gevolg van de droogte moet Zuid-Afrika voor miljarden millies (mais) importeren. De waarde van de Rand staat onder druk. Vijf jaar geleden kreeg ik tien Rand voor een Euro, toen ik hier begin september arriveerde vijftien Rand en nu al vijftieneneenhalve Rand. Standard & Poor dreigt Zuid-Afrika te degraderen tot de financiële rommelstatus. ”De regering doet niets” zeggen de mensen die huizen, werk, meer loon, betere werkomstandigheden, gratis universitair onderwijs willen. “De regering doet niets” zeggen de macro-economen die bezuinigingen bepleiten en dreigen: “het land komt in een neerwaartse spiraal van inflatie en lage economische groei.” President Zuma is niet populair (ook niet onpopulair want hij is wel een ANC-president). Regeren is natuurlijk niet gemakkelijk – laveren tussen de eisen van het volk en de eisen van de makro-economen die de wereldeconomie vertegenwoordigen – maar hij maakt het er ook niet gemakkelijker op: hij beteugelt de corruptie en de ostentatieve rijkdom van de nieuwe elite niet, heeft zelf zijn broek laten zakken door zijn huis te laten voorzien van een zwembad op staatskosten en nu wil hij een nieuw vliegtuig – in het geweldig lenige Afrikaans “Zuma se niewe straler” – van vier miljard Rand op het moment dat de studenten revolteren voor gratis onderwijs. Het succes van de wereldkampioenschappen voetbal in Zuid-Afrika in 2010 – heel Zuid-Afrika was trots (ik was erbij) en heel Afrika was trots op Zuid-Afrika – is verbleekt en kan Zuma niet meer helpen. Hij heeft een nieuwe strohalm: de Chinese president is gekomen met een enorme delegatie en bijna alle Afrikaanse presidenten zijn gekomen om te horen wat China voor Afrika in petto heeft. Voor even is Zuid-Afrika weer de navel van de wereld en wordt Zuma gepresenteerd als staatsman. Wat de Chinese president ook in petto heeft, Zuid-Afrika gaat roerige tijden tegemoet. Rondom het Union Building in Pretoria, waar de macht zetelt, liggen dichte rollen prikkeldraad om die macht tegen het volk te beschermen. Zo roerig is het al.

image

Het prikkeldraad rondom Union Building, bang voor de straat

 

Galerij | Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Zuidelijk Afrika en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s