Hoop op regen

Ik reed de N10 die Upington in Zuid Afrika verbindt met Grünau in Namibië. Het is een lange rechte weg met heel weinig verkeer door een halfwoestijn van struiken en een enkele acacia, zonder bewoning op een enkele plaas na aan de Zuid-Afrikaanse zijde en de dorpen Nakop en Karasburg in Namibië. Driehonderd kilometer saaiheid op de stokstaartjes na die op de nadering van de motorrijder kriskras over de weg holden, van links naar rechts en terug, om uiteindelijk een gesloten groep te vormen, midden op de weg. Na honderdtwintig kilometer saaiheid bereikte ik de Zuid-Afrikaanse grenspost die in mijn herinnering zal blijven vanwege het door bakstenen omzoomd grasperkje van één vierkante meter met een bord erboven “Bly van die gras af – Keep off the gras”. Het is hilarisch, goed voor een foto op Facebook, maar het is wel het enige groene grasperkje in een straal van meer dan honderd kilometer. Het perkje zal het domein zijn van de grensposthond: er liggen hondendrollen op.

image

Het enige grasperkje in een straal van honderd kilometer

Na de grenspost zette het landschap en de weg zich voort alsof ze niet gescheiden waren in territoria. Links en rechts zag ik de gele pluimen van met zand en stof beladen windhozen. Ik hield ze in de gaten, ze zijn gevaarlijk: ze veroorzaken een drukgolf als een vrachtwagen die je op volle snelheid rakelings passeert. Er kwam er een naar de weg, een grote. Ik stopte om te zien wat’ie zou doen. Hij kwam recht op me af. Ik zette me schrap voor de verwachte klap en de hagel van zand en gruis. Het was niet voldoende: de klap bracht me uit mijn evenwicht, ik hield de motor niet meer en daar lag’ie. Dan moet de bagage van de motor om hem weer op zijn wielen te kunnen zetten – ondertussen loopt de benzine uit de tankdop – en daarna moet natuurlijk weer alle bagage op de motor geladen worden. Die windhozen ontstaan door de middaghitte en heet was het, witgloeiend heet. Aan de westelijke horizon zag ik wat wolkenbanden die de belofte inhielden van schaduw en koelte. Ik bereikte Grünau en nam de weg naar Keetmanshoop. Na tien kilometer passeerde ik The White House, een guesthouse met een aanbeveling van een collegarijder op het bulletin board van HorizonsUnlimited: “… run by Dolf and Kinna de Wet, arguably the friendliest hosts you’ll ever find”. Ik had Keetmanshoop best kunnen halen maar had er genoeg van; ik had genoeg van de driehonderd kilometer saaiheid (en God weet hoeveel saaiheid er nog voor me ligt), van de middaghitte en van de windhozen. Ik koos voor Dolf en Kinna.

Ik had geen beter besluit kunnen nemen. The White House bleek ook een camping te hebben en elke kampeerplaats was voorzien van een houten omheining en een rieten dak tegen de zon en de wind, van een tafel en een stoel en de onvermijdelijke barbecue, van licht. De douches en toiletten waren brandschoon en zelfs voorzien van handdoeken. En dat alles voor tachtig Namibische dollars, iets meer dan vijf euro. Ik was er de enige kampeerder. Dolf: “Sorry, geen gras. Dat is allang weg.” Samen keken we naar de hemel. In het blauw liepen smalle wolkenbanden. Die banden ontstaan op het golvende grensvlak van twee luchtmassa’s die over elkaar schuiven. Dolf: “Ik hoop dat je vannacht regen op je hoofd krijgt.” Ik: “Dat vind ik niks. Stel die hoop maar uit tot morgen.” Ik begreep hem: de nood is hoog, het land is droog: graspollen blauw verbrand, doornstruiken zonder blad en alleen de grote acacia’s toonden nog een zweem van groen. Dolf: “We hebben een jaar geen regen gehad. De geiten vinden niets meer te eten, de dieren gaan dood, de vogels zijn weg.” Dit is het land waar mensen bidden: “Regen, Heer, schenk regen. Voor mij, niet voor de ander, voor mij! Nu, Heer, niet morgen. Laat het regenen, desnoods op het hoofd van mijn gast.” Het is er zinderend heet.

Dolf bidt níet dat de regen niet op het land van zijn buurman zal vallen, hij bidt dat het op zíjn land zal vallen. Hij komt niet uit de penarie als de regenbui valt op het land van de buurman. Hij bidt níet dat de regen op mijn hoofd zal vallen maar elke dag telt. Dolf’s situatie is benard. De situatie is benard in heel Namibië. De Republikein van 9 november meldt onder de kop “Boere se situasie kritiek” dat de mielieoogst (mais) voor de tweede keer in drie jaren is mislukt. Boeren gaan bankroet. Vee ziet eruit als ‘draadkarretjies’, vel over been. Het dringt de dorpen binnen en vreet de tuinen leeg (Dolf: “De geiten hebben mijn vijgenbomen opgegeten”). Niet alleen Namibië, ook Zuid Afrika lijdt onder de droogte. KwaZuluNatal was geel; het had groen moeten zijn. Ik reed naar het westen, naar de Karoo om de voorjaarsbloei te zien. De mensen zeiden: “Je bent wel wat laat maar dit keer had het niet uitgemaakt. De bloei duurde minder dan een week en was mager. De regen kwam niet.” Zuid-Afrikaanse boeren hebben de regering om financiële hulp gevraagd. De regering bleef koeltjes en droog: de boeren moesten zich maar aanpassen aan de veranderende omstandigheden. De regering heeft andere zorgen: elfduizend dorpen hebben watergebrek. Er is nog een bijkomend probleem: Zuid Afrika heeft de waterzuivering verwaarloosd. Miljarden liters rioolwater spoelen ongezuiverd de rivieren in waardoor het water ondrinkbaar wordt en ziekten als cholera op de loer liggen. Zuid Afrika koopt mais op de wereldmarkt (mais is de staple van Zuid Afrika) maar dat heeft een negatieve invloed op de koers van de Rand. Het is crisis. Niet alleen in Namibië en Zuid Afrika, ook in Oost Afrika is de situatie door de droogte beroerd. Steady in Malawi schrijft: de voedselprijzen stijgen snel. Hij vraagt “Wanneer kom je nou?” Met de kwacha’s natuurlijk. Melkamu in Ethiopië laat weten: dieren en kinderen sterven.

image

Ik leefde mee met Dolf’s hoop maar voorzag geen vervulling. Bij het vallen van de avond verdwenen de wolkenbanden en de wind viel weg. Ik las wat, werkte mijn reisaantekeningen bij en kroop tegen elven in mijn slaapzak. Een windvlaag deed het tentdoek klapperen. De nachtwind, vast en zeker. Er kwam nog een windvlaag en nog een en nog een. Ik hoorde de wind ruisen in de acaciabomen. Ik kroop uit mijn tent om te zien wat er gaande was. De hemel was helder, sterren flonkerden. Niets aan de hand, iets van voorbijgaande aard, vast en zeker. Gedurende de nacht trok de wind aan, het tentdoek klapperde, stof vulde de tent. Ik deed die nacht vrijwel geen oog dicht, van het geklapper en het stof en de zorgen over wat er komende was. ’s Morgens was de wind aangetrokken tot stormkracht. Het was veel te gevaarlijk om de weg op te gaan. In de loop van de ochtend werd de hemel grauwgeel: de storm ging over in een stofstorm. Mijn tent vulde zich met rood stof. Zelfs in de toiletruimte – meteorologisch gezien het meest windstille kamertje – lag een dunne laag rood stof. Ik verklaarde mijn tent voorlopig onbewoonbaar en zocht beschutting op de veranda van The White House. Ik keek naar het westen; de wind waaide uit het noorden, volgt de isobaren en als er dus iets aankomt dan toch uit het westen. Dolf kwam. Zijn gezicht stond vrolijk maar vooral gespannen. Ik: “Dolf, ik weet het niet. Het stormt maar er is geen wolk te zien.” Dolf: “Dan moet je eens aan de andere kant van het huis gaan kijken.” Niet uit het westen maar uit het oosten. Ik liep met Dolf mee. Wat ik zag was majestueus: een grijze wolkenband met een hoog opstaande rand en striemen van tomeloos geweld die overging in een loodgrijze hemel in het zuiden; het front en de depressie. Naar het noorden kleurde de wolkenband wit en loste op in het blauw van de hemel: we zaten aan het staartje van het front. Dolf: “Als die depressie nog wat opschuift dan zul je wat beleven!” Een middag lang keken Dolf en ik naar het weerfront maar er zat geen beweging meer in en het loste vanuit het noorden langzaam op. Het zou geen regen brengen. Er was nóg een kans: de lucht die tegen het front wordt opgeduwd. Vanuit het westen kwamen wolken met regenbaarden aangedreven. Eén kwam onze richting op. Die bracht een paar spatjes en later bracht er nog een ‘n korte regenbui. Het was te weinig om het zand zelfs maar vochtig te maken. De wind ging liggen: het was voorbij. ’s Nachts trok nog een onweersbui over.

wpid-dscn0437-weerfront.jpg

Het front.

wp-1451558131611.jpeg

Na de stofstorm.

De volgende ochtend was de hemel blauw, strakblauw alsof er geen stofstorm was geweest. Ik nam afscheid van Dolf en Kinna: “Sorry, ik heb je geen regen gebracht.”

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Zuidelijk Afrika en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s