Beroofd

Aan het einde van de maand zal mijn motor aankomen in de haven van Durban. Hij – mijn motor is een ‘hij’ – heeft dan dringend onderhoud nodig om de long way home te kunnen maken. Het kleppenstelsel moet worden nagekeken en misschien moeten de inlaatkleppen worden vervangen. De schokbreker moet worden gereviseerd en de carburateurs schoongemaakt. Allemaal werk dat ik niet in Australië wilde laten doen: slechte service en veel te duur. Ik heb het internet afgezocht, collega motorrijders via HorizonsUnlimited Bulletin Board om aanbevelingen gevraagd en zo kwam ik uit bij Ryder Motorrad in Pinetown, een voorstad van Durban. Ik nam het minibusje van Durban naar Pinetown – veel goedkoper dan een taxi: veertien rand tegen driehonderd – en vond Ryders moeiteloos dankzij Google Maps op mijn tablet. Ik sprak de chefmonteur. Al het werk kan worden gedaan, er is nog een monteur die weet wat carburateurs zijn en zelfs voor de Wilbers schokbreker draait de werkplaats van Ryder haar hand niet om. Ik nam dat “natuurlijk kunnen wij die schokbreker onderhouden” met een korreltje zout – een Wilbers is een gecompliceerde schokbreker – maar verliet de werkplaats van Ryder met een diep gevoel van tevredenheid: “Afrika, ik kom er aan!”

Ik liep met dat diepe gevoel van tevredenheid door Pinetown, op zoek naar de standplaats van de minibusjes en ook naar een lunchgelegenheid. Pinetown is een stadje zoals er zoveel zijn in Zuid Afrika: met de PEP, de Game, Shoprite en Ackermans, goedkoop en een beetje shabby, dichter bij lichte armoede dan bij bescheiden welvaart. Ik keek op mijn tablet of ik wel de goede kant opliep, klapte het ding dicht en hield het in mijn hand. En toen voelde ik een ruk aan mijn tablet. Ik hield dat ding stevig vast, het werd een gevecht maar ze waren met z’n tweeën en ik kwam te vallen. Mijn tablet! Daarop staat mijn reisplan en mijn reisverhalen en een document met alle codes en wachtwoorden en alle apps staan open! Ik holde de boeven achterna, niet om het tablet terug te pakken maar om het terug te kopen. Mij is dat tablet elke prijs waard. Ze renden terug naar hun eigen domein, de slums langs de spoorbaan, en zo kwam ik in hun wereld: modder, olieplassen, hutjes van wrakhout, vuilnis; niet de plaats voor een blanke uit de middenklasse. Een jongeman vroeg wat ik daar deed. Ik vertelde van de roof en vroeg “Ken je die mensen?” Hij dacht het wel: “Ze zitten waarschijnlijk daarachter in de struiken. Daar kun je niet naar toe.” Ik: “Ik wil het tablet terugkopen. Kun je bemiddelen? Ik betaal je ervoor.” Heel enthousiast was hij niet … liever niet … maar … oké. Ik gaf hem zeshonderd rand als aanbetaling, veertig euro en dat is een fortuin. Ik overwoog: hij kan terug komen of niet terug komen, de kans is groter dat hij terugkomt dan dat hij niet terugkomt omdat er meer eerlijke mensen zijn dan oneerlijke en omdat er nog een beloning in het verschiet zit. Het tablet was mij de gok van zeshonderd rand waard. Hij kwam niet terug; ik wachtte een half uur op een plek die niet opbeurend en beslist gevaarlijk was. Ik stond op het punt mijn verlies te nemen en terug te gaan naar de betrekkelijke veiligheid van de hoofdstraat toen ik werd aangesproken door drie jonge mannen: of ik degene was die iets wilde terugkopen? Ze kenden een heler die zou kunnen bemiddelen. Ik liep met ze mee, dieper de slum in. Ik wist dat het alleen maar gevaarlijker werd. Ik liet ze voor me uitlopen. Ze gingen een hoek om zeiden dat ik hen moest volgen. Ik: “Nee, laat die bemiddelaar maar hier komen.” Toen maakte ik een fatale fout: ik keek even om de hoek om te zien waar ze heen gingen. Ze stonden om de hoek te wachten en grepen me. Een trok zijn arm om mijn hals en drukte mijn keel dicht, de ander begon aan mijn broek te sjorren om mijn  portemonnee te pakken en de derde begon aan mijn rugzakje te trekken. Het werd een gevecht dat ik niet kon winnen: ik kon niet ademhalen en niet om hulp roepen. Het was in een halve minuut gebeurd.

Ik was nu niet alleen mijn tablet kwijt maar ook mijn portemonnee en mijn rugzakje met daarin mijn paspoort, creditkaarten, motorpapieren, rijbewijs, agenda, opschrijfboekje, mobieltje, leesbril, mes en nog wat klein spul. Het enige dat ik nog had was mijn pinpas die ik tijdens de rit met het minibusje naar Pinetown uit mijn portemonnee had gehaald en in mijn achterzak gestopt. Het is niet alleen verlies van spullen, het is vooral verlies van informatie. De telefoonnummers van Harry, Stedy, Charles, Gerhard, zoveel anderen? Kwijt. Op mijn tablet stonden niet alleen mijn reisverhalen – waarvan de meeste gelukkig gepubliceerd zijn op mijn weblog – maar er stond ook een spreadsheet op met alle gegevens over problemen met en onderhoud van mijn motor: welk onderhoud is wanneer gedaan, bij welke kilometerstand, door wie. Kwijt. Ik weet niet meer bij welke kilometerstand ik het laatst de motorolie heb laten vervangen. In mijn agenda noteer ik per dag van waar naar waar ik heb gereden, hoeveel kilometer ik heb afgelegd, hoeveel benzine ik heb getankt (het benzineverbruik is een indicatie van de gezondheid van de motor), hoeveel ik heb uitgegeven aan benzine, logies, eten, sigaretten, giften. Kwijt. Ik weet niet meer hoeveel geld ik heb uitgegeven. Ik weet niet meer hoeveel kilometer ik heb gereden (ik kan de kilometerstand niet aflezen op de teller want die functioneert al lang niet meer; de kabel is gebroken. Ik hield de stand bij met behulp van de navigator maar die heb ik gereset voordat ik uit Australië vertrok). Ik heb alle agenda’s bewaard sinds mijn studietijd. Ik kan nagaan met wie ik op 18 februari 1989 een afspraak had, welke proefwerkcijfers mijn leerlingen behaalden (ik was twee leraar aardrijkskunde), wanneer en waar ik op vakantie was, hoeveel ik in 1999 betaalde voor de veerboot van Hoek van Holland naar Harwich. De feiten van mijn leven staan in agenda’s, een schoenendoos vol en in die schoenendoos ontbreken nu negen maanden. Ik ben de feiten van negen maanden van mijn leven kwijt.

Ik vond de weg terug naar de betrekkelijke veiligheid van de winkelstraat, daar waar ik zojuist van mijn tablet was beroofd, zag er een politieauto en vroeg om hulp. Heel erg betrokken deden de agenten zich niet voor. Nee, de plaats waar ik zojuist beroofd en bijna gewurgd was wilden ze niet bezoeken. Met enige tegenzin brachten ze me naar het politiebureau, zodat ik tenminste niet hoefde te zoeken. In de hal van het politiebureau is een reeks balies en ervoor een lange bank. Die zat vol. Langzaam schoof ik naar het begin van de bank totdat ik aan de beurt was, een uur later. De verbalisant die mijn aangifte opnam was iets meelevender dan zijn surveillerende collega’s, hij gaf me tenminste een kop water, en was vooral geïnteresseerd in mijn reizen en in hoeveel kinderen ik heb. Pinetown ligt in Afrika. Hij trotseerde frons van zijn chef, bracht me met een surveillance auto naar een bank zodat ik geld kon pinnen, want ik had geen cent meer, daarna naar een taxi en onderhandelde voor mij over de prijs. Zo kwam ik tegen zessen terug bij Nomad Backpackers in Durban, dat ik om negen uur had verlaten mét een tablet én een rugzakje.

Daarna begint de fase van damage control: de bank bellen om mijn creditkaarten te laten blokkeren, de wachtwoorden wijzigen van hotmail, gmail, facebook, wordpress, Digid op de computer van Nomad Backpackers (Hotmail constateert dat ik inlog op een andere computer en stuurt een authenticatiecode naar mijn gmail-adres maar wat was ook alweer de inlogcode voor gmail?) en de ambassade bellen om het verlies van het paspoort te melden en het nummer te laten blokkeren. Na de fase van damage control komt de fase van damage repair. Mijn broer en schoonzus hebben voor mij nieuwe motordocumenten aangevraagd en die tezamen met nieuwe creditkaarten naar mij opgestuurd. Ik nam de bus naar Pretoria om bij de ambassade een nieuw paspoort aan te vragen en dat kreeg ik binnen een week – het is zelfs een zakenpaspoort (ik heb altijd een zakenpaspoort, dat dubbel zo dik is als een gewoon paspoort, om het grote aantal visa en stempels dat reizen nu eenmaal met zich meebrengt te kunnen herbergen) – en zonder bureaucratische rompslomp. Ik kocht een rugzakje, een goedkoop mobieltje (en verloor dat de volgende dag zodat ik wéér een nieuw moest kopen), een leesbril en een tablet want daaraan ben ik verslaafd (ik heb drie reizen gedaan zonder tablet maar zou het nu niet meer kunnen missen). Het moeilijkste was nog een agenda van 2015 te vinden maar bij CNA diepten ze er een op uit het magazijn, een ‘Mama Family Planner’. Langzaam heb ik de schade gerepareerd, de spullenschade. Alleen een nieuw rijbewijs kan ik niet krijgen; daarvoor schijn ik mij in persoon te moeten vervoegen bij een of andere instantie in Nederland.

Hoe is me dit overkomen? Ik, die acht jaar reiservaring heb? Ik was in Sao Paulo, Rio de Janeiro, Belem en Caracas, in Abuja, Kinshasa, Luanda en Nairobi. Nooit beroofd. Altijd geluk gehad? Waarom had ik in mijn rugzak dat mapje met mijn paspoort, motorpapieren, creditcards? Ik sliep in de dormitory van Nomads en die was nogal vol en ik vertrouwde het niet. Daarom. Was ik me niet bewust van de risico’s die ik liep? Jazeker wel. Daarom haalde ik in het minibusje mijn betaalpas uit mijn portemonnee en stopte de pas in mijn achterzak. Daarom hield ik dat tablet stevig vast in die winkelstraat in Pinetown. Ik wist dat ik een groot risico nam, in die winkelstraat met dat tablet in mijn hand. Ik wist dat die rovers regelrecht terug holden naar hun eigen domein. Ik wist dat het gevaarlijk was ze daar te volgen. Ik wist het allemaal en toch … Was het arrogantie, zo van “Ik ben door de wol geverfd, mij zal zo iets niet overkomen” of “Ik heb altijd geluk”? Ik moet denken aan die twee heren die ik zag wandelen door het Microcentro van Buenos Aires, in geanimeerd gesprek, met de handen op de rug en een van hen liet zijn camera slingeren aan zijn pink. Ik wist wat er zou gebeuren. ’n Uur later zag ik de heren weer, niet meer in geanimeerd gesprek, bozig en zonder camera. Ik ben terug op aarde. En hoe zit het aan de andere kant, aan de kant van de rovers? Aisha van Nomad Backpackers: “Die jongens die je hebben beroofd vinden dat ze de regering aan de macht hebben gebracht maar er niets voor hebben teruggekregen. Dit is hun wraak.” Ik kijk verbaasd naar Zuid Afrika: in Johannesburg, Pretoria, Durban zijn luxueuze winkelcentra uit de grond gestampt en appartementsgebouwen, in de straten rijden BMW’s en Mercedessen. In Johannesburg trof ik de leden van een motorclub, zwarte jongens op de zwaarste motoren van BMW en Harley Davidson. De Zuid-Afrikaanse economie is adembenemend gegroeid en met de economie de middenklasse, de regenboog middenklasse. De onderklasse heeft niet geprofiteerd; de slums zijn gebleven, misschien wel gegroeid. De jongens die daar leven zijn kansloos, die kunnen alleen maar kijken naar het succes en de welvaart van anderen. Aisha: “Kansloos? Mijn moeder verkocht broodjes bij het station maar ze heeft mij en mijn twee broers laten studeren.”

Door de beroving ben ik niet bang geworden (Ik weet niet goed wat ‘bang’ is, net zomin als ik weet wat ‘depressief’ is; zou ik autistisch zijn?) maar wel geobsedeerd door veiligheid. Aan Musgrave Road in Durban ligt een Chinees restaurant. Ik heb zin in Chinees maar dat restaurant heeft een open deur. Bij het Indiaas restaurant ernaast moet je aanbellen. Toch maar de Indiër. Veiliger. Ik kwam aan op Hatfield Station in Pretoria en zocht Backpackers International. Ik kon het adres niet vinden, ik sleepte met een zware tas en het werd donker. Ik belde het hostel: “Als je binnen vijf minuten geen taxi stuurt ben je een klant kwijt!” Ik liep de lange drukke Jan Shoba Street af die Brooklyn met Hatfield verbindt. Plotseling hoorde ik achter me “ahumhum”. Ik draaide me om als door een wesp gestoken, hand op mijn achterzak, rugzakje tegen me aangeklemd. Daar stond een donkere jongen, een straatjongen: “Ik volg u al een tijd. Ik wilde u beroven maar God zei ‘Doe dat niet’. Dus doe ik dat niet maar ik heb wel vijftig rand nodig.” Ik had het vermakelijk gevonden, een praatje met de knaap aangeknoopt als ik niet al beroofd was geweest. Die obsessie met veiligheid, daar moet ik vanaf. Ik kan zo niet reizen. Reizen is omgaan met mensen, in ieder geval voor mij, en die obsessie is daarvoor een obstakel.

Ik tel mijn zegeningen. Ik heb het er levend vanaf gebracht. Ik was bijna gewurgd. ’n Week lang kon ik niet meer uitbrengen dan wat hees gestamel; het praten koste me een grote krachtsinspanning en door die krachtsinpanning werd het traanvocht uit mijn ogen geperst zodat het leek alsof ik huilde. Een dokter zei: “Het strottenhoofd is gekneusd. Dat komt goed. Misschien blijft er wat heesheid achter” en maande minder te roken. De optometrist van de winkel waar ik een nieuwe leesbril kocht heeft mijn ogen onderzocht. Mijn linkeroog had een grote bloeduitstorting. De bloedvaten op het horenvlies waren gebarsten door de wurgingsdruk maar het netvlies had niet losgelaten. Ik heb geluk gehad (ik heb altijd geluk …). Op mijn tablet stonden alle foto’s van Australië. Vijfentwintighonderd foto’s. Op het vliegveld van Perth heb ik ze gekopieerd naar een usb-stick en daardoor heb ik ze nog allemaal. Gewoonlijk bewaar ik in mijn rugzakje de sleutels van mijn motor maar deze keer niet. Ik had ze moeten afgeven toen mijn motor in Perth klaargemaakt werd voor verscheping, zodat de douane haar werk kon doen. Een week na de beroving ontving ik een email van David L. Hij heeft mijn paspoort gevonden en mijn agenda bij een vuilniscontainer. Ik heb dan wel een nieuw paspoort maar zonder inreisstempel en zonder inreisstempel ben ik illegaal in Zuid Afrika. Hij heeft voor mij een kopie gemaakt van het stempel in het gevonden paspoort. Dankzij de vondst van mijn agenda kan ik weer weten hoeveel geld ik heb uitgegeven en hoeveel kilometer ik heb gereden. Ik heb geluk gehad.

Ik tel mijn zegeningen. Ik e-mailde Marianne E., die bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken werkt, over de beroving. Ik was nog in staat van  ontreddering en wist niet goed wat te doen. Zij lichtte Roel T. die in Durban woont. Roel is gekomen. Hij is met mij naar het politiebureau in Pinetown gegaan om het procesverbaalnummer te vragen, hij heeft mij naar The Pavilion Shopping Mall gereden waar ik het nieuwe tablet heb gekocht en hij heeft voor mij gekookt, genereus van wijn voorzien en mij laten praten. Het was de hulp die ik nodig had. Aisha van Nomad Backpackers heeft zich op dezelfde wijze over mij ontfermd. Ze gaf me een glas brandy en haar telefoon en computer zodat ik kon bellen, e-mailen en telefoonnummers en adressen kon opzoeken, zonder te vragen naar betaling. Al die mensen – mijn broer en schoonzus, Marianne, Roel, Aisha, David – hebben mij geholpen. Het past in mijn reiservaring: er zijn oneindig veel meer goede mensen dan slechte.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Over mij, Zuidelijk Afrika en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Beroofd

  1. Harry P.M. Haagen zegt:

    Hallo Mart,

    Ik ben blij dat je nog leeft. Een goede reis verder. Dat je alsmaar de goede mens waar jij zo in gelooft, mag blijven ontmoeten.

    Hartelijke groet vanuit het warme Portugal,

    Harry

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s