“… the fuck …!” (over Australië)

Australië is in de marketing een multiraciaal en multicultureel land. In werkelijkheid is het een overheersend blank land met een Westeuropese cultuur, lower class British. De Australiër: een baard en onverzorgd kapsel, veel tatoeages, een diep uitgesneden rommelig shirt om het lijf en een korte broek of jogging broek die nodig in de was moet, werkmansschoenen of slippers of niks aan de voeten. De Australiër is wel héél erg casual. Op de neus staat een pikzwarte zonnebril die aan het gezicht vastgegroeid lijkt. Samen met naar beneden getrokken mondhoeken geeft dat een agressief uiterlijk. Zo is ook het gedrag: bluffend, intimiderend, op zijn best ruw-joviaal. Het taalgebruik past daarbij: veel “hell”, “fuck” en “fucker” en ruw-joviaal “mate”. Ik werd aangereden, van achteren en op de stoep, door een fietscourier. Hij draait zich om, stopt niet, en roept dat ik – the fuck – beter moet uitkijken. Zo is de Australiër: assertief op het agressieve af; de grens tussen die twee is vaag. Kijk even naar zijn auto: een pickup met een enorme dieselmotor erin – er is een grote hang naar een bigger bang for a dollar – en voorop een stevige botsbeugel. Da’s tegen de kangoeroes. Die liggen bij tientallen dood langs de weg. De Australiër haalt er zijn schouders over op: er zijn er genoeg. Mijn buurman op de camping van Mount Barnett: “Ik reed naar huis, vier uur ’s middags, honderdtwintig. Springt daar – the fuck – een kangoeroe dwars door het raam. Ik had mijn arm op drie plaatsen gebroken. Toen ik uit het ziekenhuis kwam heb ik mijn geweer genomen en er vijftig doodgeschoten.” Ik: “Die kangoeroe die je besprong is allang dood en die vijftig hebben je niets misdaan.” (Ik laat voorbij gaan dat die ene ook niets heeft misdaan; ik wil een beetje meedenken). Hij: “Nu zijn er gewoon vijftig minder.” Iemand anders vertelt me dat die botsbeugel ook dient om bomen omver te rijden en verkeersborden; voor de lol.

De beschrijving is natuurlijk een stereotypering – de meeste Australiërs zien er zo niet uit en zijn niet zo; natuurlijk bestaat hier ook het kantoortype, de yup en de heavy metal adept – maar wel een typering die grond heeft. Australië is – veel meer dan de Verenigde Staten of Zuid Afrika – een kolonistenland. En een blue collar land en die combinatie is logisch: hier moet nog alles worden opgebouwd, kantoortorens worden gebouwd, wegen aangelegd en elektriciteitsleidingen en dammen; kortom: alles dat valt onder de noemer ‘infrastructuur’. En er is veel werk in de mijnbouw, de havens en de cattle. Hier moeten gewoon handen uit de mouwen en dat is wat dat type doet. De stereotype Australiër is laag opgeleid en daarop trots.

Voor het geval het voorgaande de indruk zou wekken dat ik Australiërs verschrikkelijke mensen vind, wil ik meedelen in Australië heel veel aardige mensen te hebben ontmoet, mensen met een gouden hart zoals die overal op de wereld voorkomen. Ook mensen van ‘dat type’. Op de campings werd ik vaak uitgenodigd voor de koffie of om mee te eten. “Hey mate, heb je al gegeten? Kom, schuif aan, we hebben genoeg vis en frites.” Ik heb een tentje en een brander waarop ik mijn Indomie instant noedels kook, zij hebben een reuzencamper met keuken en een diepvries. Dave W. haalde me af van het vliegveld in Darwin, ontving mij in zijn huis met een reuzenlap vlees van de barbecue en liet mij er twee weken verblijven. Mijn enige tegenprestatie was dat ik zorgde voor het bier. Dave was een matig drinker. Ik logeerde een week bij Stef G. in Brisbane. Hij wees me mijn kamer, de badkamer en de keuken en vroeg “glaasje wijn?”. Ik had Stef ontmoet op de piste tussen William Creek en Marree. Hij schreef zijn naam en adres in mijn agenda en zei “Als je in Brisbane komt ben je welkom.” Coco, van Coco’s International Backpackers in Katherine, is een van de zachtaardigste mensen die ik in mijn leven heb ontmoet. Hij had een Aboriginal over de vloer, een oude man, en daar zorgde hij voor. Coco: “Hij woont in een gemeenschap ergens ver weg in de bush. Af en toe brengt iemand van die gemeenschap hem naar de stad.” “Waarom komt hij naar jou?” Coco: “Dat weet ik niet. Hij zal het hier prettig vinden, denk ik.” Er zijn veel blanke  Australiërs die Aboriginals de hand boven het hoofd houden en voor hen opkomen. Gewoon goeie mensen met een hart.

Australië is dus een kolonistenland en een blue collar land met een typische ruwe bolster. En een daarbij passende overheid. Australië heeft een blafstaat. Er is ontzettend veel verboden en elk verbod wordt direct kracht bijgezet met een dreigement. Op het kopen van sigaretten voor een minderjarige staat een draconische boete. Op openbare dronkenschap, alcohol nuttigen op plaatsen waar dat niet is toegestaan, op te hard rijden, op onverzekerd rijden, op … op alles staan draconische boetes. Het gaat me niet om die verboden, ook niet om de boetes, het gaat me om dat eeuwige dreigen. In Alice Springs zag ik een bord “Alcohol free area. Drinking alcohol in this area without a permit is a serious offence. Penalties include: Alcohol tipped out or confiscated, $100 on the spot fines and up to $500 if the matter goes to court, court might order person not to drink” Is dat de enige manier om mensen aan te spreken? Mensen nemen dat geblaf over en zo vind je bij een restaurant op het welkomstbord: “Mensen in kennelijke staat wordt de toegang geweigerd. Houdt u zich niet aan de weigering dan staat daarop zus-en-zoveel boete”, “De toegang kan geweigerd worden zonder opgaaf van redenen”, “Honden worden niet toegelaten”, “No shirt no service”, “No photo-id no entry”, “Course language will not be tolerated”. Ik voel mij in zo’n restaurant helemaal niet welkom ook al ben ik niet in kennelijke staat, heb ik geen hond maar wel een photo-id, draag ik een hemd en heb ik – the fuck – een hekel aan ruw taalgebruik. Zulke mededelingen zet je niet op een bord onder de aanhef “welkom”; het oogt gewoon niet. Ik ben vast en zeker een zonderling, Australiërs vinden het normaal en dat zegt veel over de massale aanwezigheid van ruwe bolsters.

De politie is de arm van de staat en mijn ervaringen met de Australische politie zijn niet gunstig. In het winkelcentrum van Katherine zag ik agenten voortdurend rondhangen bij de ingang van de bottleshop. Hun aanwezigheid intimideert de Aboriginals; ze zijn twee koppen groter en behangen met alle machtsmiddelen van de staat. Misschien ziet de uitbater van die bottleshop liever geen Aboriginals in zijn zaak maar een agent hoort zich niet uit te leven als portier van een drankwinkel. In Melbourne wilde ik het parlementsgebouw bezoeken. Ik wist dat in mijn rugzakje mijn Opinelmes zat met een lemmet van wel tien centimeter. Daarom gaf ik bij het binnengaan van het gebouw mijn rugzakje aan de beveiligingsman met de mededeling dat er een mes in zat. “U hoeft mij de rugzak niet te geven” zei de beveiligingsman “geeft u mij alleen het mes”. Dat heb ik natuurlijk gedaan. Om een of andere reden belde de beveiligingsman de politie. Plotseling stonden er drie agenten voor me. De kleinste van de drie kefte “Weet u wel dat u een ernstig misdrijf hebt gepleegd door een mes binnen te brengen?” Ik dacht dat het om een misverstand ging: “Nee, ik heb dat mes afgegeven aan de beveiligingsman.” De kleine: “Maar u kwam hier binnen met een mes!” Ik: “Ik kan het toch niet helpen dat de beveiligingsman binnen zit?” Het was heel intimiderend en toen de kleine kefte “Uw persoonlijke gegevens!” had ik er genoeg van. Ik ben vertrokken, zonder mijn persoonlijke gegevens af te geven; ik heb het Huis van de Wet niet bezocht en gedurende de discussie was het Huis aan de buitenzijde onbeveiligd tegen aanvallen van terroristen want de agenten stonden binnen met mij. Op weg naar Sydney haalde ik een politieauto in op een traject waar aan de weg werd gewerkt. De politieman liet me stoppen en begon te schelden met “hell” en “fuck” en te dreigen “Ik kan je hiervoor vierhonderd dollar boete geven, you fucker!” En die pikzwarte zonnebril bleef op de neus. Hij was verschrikkelijk opgewonden maar waarom eigenlijk? Er was op die plek geen inhaalverbod en ik overschreed de maximumsnelheid niet maar het was natuurlijk niet echt handig om op zo’n plek in te halen. Hij had dus kunnen zeggen: “Meneer, vindt u het verstandig om op zo’n plaats in te halen?” Ik zou hem gelijk hebben gegeven. Wat was precies de steen des aanstoots? Dat ik hem had ingehaald, een politieman, “you fucker”. Ik ben nog nooit in een land geweest waar het verboden is een politieman in te halen. Paul, van Paul’s Motorcycle & Mower Repair in Edmonton, wees me op de remschijf van het achterwiel. Ik: “Tja, die begint ook te slijten. Als ik thuiskom zal ik hem laten vervangen.” Paul: “De remschijf is dunner dan is toegestaan. Kijk, het staat erop: ‘minimale dikte 4,5 millimeter’ en de schijf is maar vier millimeter dik. Dat is niet erg, die remschijf werkt best maar als een politieagent er zin in heeft, dan gaat hij alles controleren en vindt die remschijf. Je krijgt een boete en hij verplicht je je motor ter plaatse te laten staan totdat je een nieuwe schijf hebt gemonteerd. Zo is de politie hier.” Nog nooit tijdens mijn reizen ben ik zenuwachtig geworden van een ontmoeting met politiemensen maar wel in Australië. Alleen om die reden ben ik opgelucht dat ik het land verlaat.

Australië is duur, verschrikkelijk duur. Ter relativering: het prijspeil lijkt op dat van Italië, een land dat ik altijd mijd vanwege de duurte. Een kamer in een hotel of motel? Reken op minimaal honderdvijftig Australische dollars. Ik verbleef op campings, zolang het weer het toeliet, en in hostels. Een camping kost tussen de tien en twintig dollar maar langs de oostkust wordt wel dertig tot veertig dollar gevraagd. Het verblijf in een hostel kost tussen de twintig en vijfendertig dollar per nacht. In de zes maanden dat ik in Australië was heb ik zelden in een restaurant gegeten. Veel te duur. Een hamburger in een road station? Reken op vijftien dollar. Eggs on toast: acht dollar voor twee gebakken eieren op twee sneden getoast brood. Koffie: vier dollar. (Even terzijde: die hamburger wordt aangeleverd in pakpapier, zonder mes en vork, zonder servetje. Ik bestelde bij een cafetaria fish&ships. Mijn maaltijd kwam als de hamburger: in pakpapier en zonder mes en vork. Ik liep naar binnen, haalde mes en vork en begon te eten. Ik voelde dat ik werd bekeken. “Hé, wat doe je?” “Nou, gewoon, eten” “Dat doen wij hier met onze handen!” Zo is Australië.) Ik at wraps met smeerkaas en Indomie instant noedels die in de supermarkt zestig dollarcent kosten. In de hostels maakte ik spagetti met boter en knoflook. Sigaretten, de goedkoopste, kosten in de supermarkt vijftien dollar voor een pakje. In afgelegen plaatsen langs de pistes wordt tot vijfentwintig dollar voor een pakje gevraagd. Een biertje in de kroeg? Reken op zes tot acht dollar voor een pint, in toeristenplaatsen tien dollar. Benzine kost ongeveer een dollar veertig per liter. Dat lijkt goedkoop maar Australië is afschuwelijk groot, dus heb ik veel benzine nodig, en in de outback kost een liter twee dollar. Moest ik op één dag tweemaal tanken, dan verdween mijn dagbudget van zeventig dollar door de vulopening. Ik heb het met mijn budget op geen stukken na gered.

Waarom is Australië zo duur? Australië is een grondstoffen exporteur: kolen, ijzererts, zink, uranium. Het land wint olie en gas uit velden voor de kust en in de zee van Timor en kan grotendeels in de eigen behoefte voorzien zodat tegenover de opbrengsten van de export betrekkelijk weinig kosten voor import staan. Dat hoge prijspeil duidt erop dat Australië met succes het geld in de economie weet te pompen. De lonen zijn hoog. Het minimumloon bedraagt wat meer dan eenentwintig dollar per uur; voor zwaar werk en geschoold werk wordt veel meer betaald. Dave W. kwam op een avond thuis van zijn werk in de haven: “De cattle train was twee uren te laat, daarna was een van de bruggen stuk. In totaal heb ik vier uren op mijn gat gezeten en toch zevenhonderdvijftig dollar verdiend.” Zevenhonderdvijftig dollar voor een dag ongeschoold werk. Pieter G., een Australiër van Nederlandse afkomst, vertelt: “Mijn zoon is een zware mechanic [hij bedoelt: een monteur voor zware machines] in de mijn. Hij is vierentwintig en verdient driehonderdvijftigduizend dollar per jaar.” De Australiër met dat inkomen bekreunt zich niet om de rekening in een restaurant of de tien dollar voor een biertje in de kroeg.

Ogenschijnlijk lijkt het fantastisch te gaan met Australië. De bomen lijken hier gouden bladeren te hebben en tot in de hemel te groeien. Nergens zag ik grotere campers met luxueuzere uitrusting, zelfs in de Verenigde Staten niet, nergens zag ik grotere fourwheel drives. En toch, er zijn vege tekenen. De werkloosheid, de rente en de prijzen lopen op. Ik lees de zorgen over de werkloosheid in de krant, ik lees de rente op de bill boards van de banken (6,75%). Dat van die prijzen kan ik niet ervaren, daarvoor ben ik hier te kort, maar het is wat mensen mij vertellen. Volgens de regering is er niets aan de hand; de economie is fundamenteel gezond en de problemen komen van buiten. “Nee” zeggen Mensen Die Ervoor Gestudeerd Hebben “Australië is als grondstoffen exporteur niet goed voorbereid op de wisselvalligheden van de wereldmarkt.” “Nee” zegt Stef G. “Australië heeft een probleem en dat zijn de drie B’s: beer, boat & barbecue.” De Australiër is meer bezig met zijn vrije tijd dan met zijn werk. Het cafetaria dat mij aanbevolen was voor de uitstekende fishburgers was gesloten; op de deur hing een briefje: “closed – gone fishing”. Je begrijpt: tijdens de openingsuren moet wel verdiend worden om de boot, de brandstof en de hengels te betalen. Daarom kost die fishburger vijftien dollar hoewel de vis gratis in de zee zwemt. In de bar van Dale River kon ik geen lunch krijgen; de keuken was gesloten, om half drie. De openingstijden van restaurants: lunch van twaalf tot twee, diner van vijf tot negen. Ik heb heel vaak mijn neus gestoten aan een gesloten deur: gone fishing. BM Motor in Brisbane plakte gewoon een dagje aan de vakantie vast (gone fishing…). Gewoon, omdat het kan. Die klant komt toch wel en komt’ie niet, nou dan maar niet; klanten genoeg. Ik vond in Brisbane niet één werkplaats die bereid was de kleppen van mijn motor te inspecteren. Uta in Cairns heeft maanden gezocht naar een aannemer om haar huis te verbouwen. “Het is heel moeilijk” zei ze “om een bedrijf te vinden dat het wil doen en het ook kan.” Zo is Australië. Veel werk is ongeschoold werk met een lage toegevoegde waarde en waarvoor een hoog loon wordt geëist. Om beer, boat & barbecue te kunnen betalen. Mensen Die Ervoor Gestudeerd Hebben stellen: Australië moet meer investeren in werk met een hoge toegevoegde waarde, in geschoold werk. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het past niet bij de mentaliteit van de stereotype Australiër: die is trots op zijn arbeidersstatus en zijn lage opleidingsniveau. Eerder genoemde Pieter: “Ik probeer mijn zoon ervan te overtuigen dat hij naar de universiteit moet gaan. Hij is wel een zware mechanic maar heeft geen papieren. Hij wil niet, hij ziet er de zin niet van.” Dat is niet alleen een economisch probleem, dat is ook een sociaal probleem.

Voor Jan de Arbeider hangen er donkere wolken aan de horizon. Jan voelt daarvan de kille schaduw en zoekt alvast een zondebok. Net als de regering vindt Jan die zondebok buiten zichzelf: de migrant die bereid is zich dood te werken voor bijna noppes. Vindt Jan. Jan zou ook eens naar zichzelf kunnen kijken – hoe hij de kantjes er vanaf loopt – en iets leren van de migranten. Die mensen zijn druk bezig een nieuw bestaan op te bouwen, een plekje voor zichzelf te creëren; die gaan niet voor beer, boat & barbecue. Ze beginnen een winkel of een broodjeszaak en leveren kwaliteit en service tegen een aantrekkelijke prijs. Op de hoek van William Street en Francis Street in Perth is een Vietnamese broodjeszaak. De koffie kost er drie dollar, een rijk belegde baguette zes en een half en die baguette is de lekkerste die ik in heel Australië heb genoten.

Australië is een blank land. Nog wel. Dat zal veranderen. Door de onvermijdelijke migrantenstroom en vooral door de vergrijzing van het blanke volksdeel. Op weg van Darwin naar Adelaide in het zuiden zag ik de grijze golf naar de warmte van het noorden trekken. Terug in het noorden ontmoette ik de grijze golf op de terrassen van Cairns, op de camping van Karumba, langs de Gibb River Road, in Broome. Anderen uit die golf hebben zich er min of meer permanent gevestigd in appartementen met fabelachtig uitzicht op de zee. Die mensen zijn niet alleen maar voldaan, ze zijn ook bezorgd over hun pensioen en over de verwachte verandering van hun leefomgeving. Al die migranten moeten gehuisvest worden – dat kost veel geld – en die migranten beginnen niet alleen een exotisch restaurant, nee, ze komen ook naast je wonen! Zo ontstaat er een bondgenootschap tussen Jan de Arbeider en Grijze Henkie met een sterke antipathie tegen buitenlanders. Net zoals in Nederland en in heel Europa. Die antipathie richt zich vooral tegen moslims hoewel er weinig moslims zijn. Een paar maal heb ik hetzelfde verhaal opgedist gekregen over een stadje, ergens in Australië, dat een moslim bestuur kreeg en een van de eerste bestuurlijke daden was de verdeling van het plaatselijke zwembad in een jongens- en een meisjesdeel. Afschuwelijk! Gekker moet het niet worden! Het feit dat ik hetzelfde verhaal meermalen te horen kreeg is een teken dat er heel weinig aan de hand is. Er is één aanslag gepleegd, een schietpartij in een horeca gelegenheid. De experts zijn het er nog niet over eens of de dader geestelijk gestoord was dan wel jihadistische neigingen had. Enkele tientallen Australische jongens hebben zich aangesloten bij Islamitische Staat en dat wordt breed uitgemeten in The Australian. Pieter: “Die Wilders van jullie is hier ook geweest. Hij zegt wat veel mensen denken.” Hij meldt ook vergenoegd: “Hij kreeg in Perth geen hotel. In geen vijftig kilometer in de omtrek was er een dat hem wilde hebben.”

Als Dave thuis kwam van zijn werk in de haven gooide hij zijn werkschoenen en sokken in een hoek, zakte in een stoel en liet een boer en een wind. Dat is zijn manier om zijn territorium te bevestigen. Het vlees dat ik kocht was niet goed genoeg en groenten at ie niet. Dat is zijn manier om te zeggen “Dat hoef je niet te doen, daar zorg ik voor.” Dave is zo’n stereotype Australiër. Hij wil zijn huis verkopen voor een miljoen, een huis kopen in Spanje bij de Pyreneeën, een BMW auto kopen en een BMW motor. Ik vraag Dave naar de toekomst van Australië. Dave: “Oh what the fuck. I want to go the hell out of here!”

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Australië en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s