De pech van Burke

Ongeveer dertig kilometer buiten Normanton langs de weg naar Burketown wijst een bordje naar ‘kamp 119’. Het ligt een eindje van de weg, in de wildernis. Kamp 119 was het laatste, meest noordelijke, kamp van de expeditie van Burke: van Melbourne dwars over het continent naar de noordkust van Australië. In 1861. Het continent oversteken van zuid naar noord was nog niet eerder gedaan – van noord naar zuid ook niet – althans niet door blanke heren. Van het kamp is natuurlijk niets meer over, na anderhalve eeuw. Op de plaats van het kamp staat nu een monumentje, een cementen sokkel met een plaquette erop, en een paar informatieborden. Misschien zijn de dode bomen in de directe omgeving de laatste zichtbare overblijfselen van het kamp. De expeditieleden hadden de gewoonte bomen te verbranden als teken van ‘hier zijn wij geweest’.

wpid-dscn7257-burke-monument.jpg

Dit monumentje markeert de plaats van kamp 119, het noordelijkste kamp van de expeditie van Burke.

Burke heeft het niet gehaald: hij kwam tot op een paar kilometer van de kust. Hij was er bijna. Hij wist het: het water van de kreek langs het kamp was brak. Hij heeft geprobeerd de laatste kilometers lopend af te leggen, samen met zijn adjudant Wills. Ze kwamen niet door de mangrove en het wemelde er van de krokodillen. Ze zijn naar het kamp teruggekeerd en de volgende dag aan de terugreis begonnen. Het is tragisch: bijna … Ik zou hem postuum willen opmonteren: je hebt weliswaar de zee niet gezien maar je hebt wél het continent doorkruist van zuid naar noord. Burke had gewoon pech: hij kwam op de verkeerde plaats uit, waar de mangrove extra breed en extra dicht was. Burke’s expeditie had veel pech. Misschien daarom is hij opgenomen in het Australische pantheon van explorer-helden. Hij stierf op de terugreis, van uitputting en ondervoeding of misschien aan de beriberi, in de buurt van zijn bevoorradingskamp aan de Cooper Creek.

image

Robert Burke (foto van internet)

Burke – voluit: Robert O’Hara Burke – was een Ier, politieman in Galway. Hij verkoos de ongewisheid van het Australische avontuur boven de misère van de aardappelhonger in eigen land. Hij kwam in 1853 aan en vond weer een baan als politieman. In 1858 las hij in de krant een advertentie: er werd een leider gezocht voor een expeditie om het continent van zuid naar noord over te steken. De beloning was drieduizend pond en het contract voor de aanleg van een telegraafverbinding dwars over het continent naar Darwin. Burke solliciteerde – vanwege de beloning en ook om zijn kras in de geschiedenis aan te brengen – en werd aangenomen. Hij pakte de voorbereiding grondig aan. Hij liet kamelen kopen in India. Dat was een nieuwigheid. Een paard is veel sneller dan een kameel maar een kameel houdt het in de barre Australische woestijn veel langer uit dan een paard. En hij sloeg voorraad in, uiteindelijk twintig ton aan spullen waaronder een tafel en twee stoelen en ook een Chinese gong. In augustus 1860 vertrok de expeditie uit Melbourne. Het was beslist een stoet: paarden, kamelen en wagens. De mensen stonden in rijen langs de route en klapten en juichten. Burke reed voorop, op zijn witte paard, en zal zich top hebben gevoeld.

Twintig ton aan spullen was veel, veel teveel. Al bij het vertrek zakte een van de wagens door de as en nog twee in de buitenwijken van Melbourne. In het dal van de Murray bleven de wagens regelmatig steken in de drassige grond. Burke’s expeditie kwam maar langzaam vooruit, veel te langzaam. Hij raakte weken achter op zijn schema en de tijd was niet aan zijn zijde. Burke’s expeditie was niet de enige: vanuit Adelaide was John Stuart vertrokken, met hetzelfde doel. Het was een strijd tussen twee heren, twee steden en twee staten, Melbourne in Victoria en Adelaide in Zuid Australië. De inzet was hoog: voor de heren de eer en de beloning, voor de steden de telegraaflijn en daarmee de beheersing van de communicatie met de rest van de wereld.

image

De route van Burke

Eindelijk bereikte Burke station Menindee dat ten noordwesten van Sydney ligt, op de grens van de beschaving en de wildernis. Daar besloot hij zijn wagens achter te laten en met een kleinere groep verder te trekken, zes mannen met paarden en kamelen. Zijn volgende doel was een bevoorradingskamp aan te leggen aan de Cooper Creek ten oosten van Lake Eyre. De achterblijvers gaf hij de opdracht met de wagens zo snel mogelijk te volgen. Burke nam de station manager Wright aan als gids die beweerde het terrein te kennen. Niet heel lang heeft hij van Wright plezier gehad: op de grens van New South Wales en Queensland overtuigde Wright Burke ervan dat het beter was als hij, Wright, terugkeerde naar Menindee om leiding te geven aan de achterop komende bevoorradingskaravaan. Kwade tongen stellen dat Wright het terrein helemaal niet zo goed kende als hij had beweerd en bang was voor de gevaren van de wildernis. Meer pech: daags nadat Burke met zijn groep van Menindee was vertrokken arriveerde daar een ordonnans van de regering van Victoria met een boodschap voor Burke: Stuart was op zijn tocht aangevallen door Aboriginals en naar Adelaide teruggekeerd. De tijdsdruk was dus van de ketel. Had Burke dat geweten, het zou waarschijnlijk anders zijn afgelopen. De ordonnans is Burke nog achterna gegaloppeerd maar zijn paard viel dood en hij moest zelf gered worden. Pech.

De Cooper Creek was een paradijs in de wildernis: een heldere waterloop met honderden Red River Gums erlangs en overvloedig gras voor de paarden en kamelen. Burke gaf opdracht schuren te bouwen voor de voorraad die komen zou. Die voorraadtroep kwam maar niet. Wright die de voorraadtroep zou leiden had niet de minste haast om de betrekkelijke beschaving van Menindee op te geven voor een barre tocht door de wildernis. Burke wachtte dagen aan de Cooper Creek en werd ongeduldig. Hij besloot opnieuw zijn expeditie te splitsen. Hij liet drie man achter en trok met de andere drie – Wills, King en Gray – verder, met leeftocht voor drie maanden.

Burke vertrok met zijn drie mannen op 16 december, in de hete zuidelijke zomer. De tocht moet een hel zijn geweest, in de hitte door de woestijn. Ze kwamen vooruit, oost langs Lake Eyre, de Eyre Creek over, over heuvelruggen de tropen in. Op 11 februari sloegen ze hun kamp op bij een kreek. Het was kamp 119 – Burke nummerde zijn kampen – op elfhonderd kilometer van het bevoorradingskamp aan de Cooper Creek. Het verhaal gaat dat Gray thee zette met water uit de kreek. Burke nam een slok van de thee en spoog het onmiddellijk uit: “Goddomme, wat heb je met die thee gedaan?” “Nou, niks” zei Gray “gewoon thee gezet” en proefde ook eens van zijn thee. Hij proefde zout en zo ontdekte Burke dat hij er bijna was. Bijna. Burke probeerde met Wills de kust te bereiken maar kwam niet door de mangrove. In het kamp bereidde hij de terugtocht voor. Reken even mee: van 16 december tot 11 februari zijn acht weken en hij had leeftocht meegenomen voor drie maanden. Er was dus leeftocht over voor vijf weken om dezelfde route terug te nemen. Er hing een donkere wolk boven de vier.

De heenreis was geen pretje, de terugtocht nog veel erger. In februari begint het regenseizoen in het noorden van Australië. Het water valt dan met bakken uit de hemel en het is er ongelofelijk heet en vochtig (ik kwam half maart aan in Darwin en het was er een stoombad). Vier mannen, een paard en drie kamelen ploeterden voort door de hitte en de modder. Mens en dier raakten uitgeput en de leefvoorraad ook. Op een dag kreeg King een grote python te pakken en maakte er een stoofpot van. Die viel verkeerd. Burke en Gray werden vreselijk ziek, Gray zó ziek dat hij op zijn kameel moest worden vastgebonden om er niet vanaf te vallen. Uitgeput en ziek strompelden de mannen voort. Ze lieten een spoor van kleren en instrumenten achter. Er deed zich nog een incident voor: Burke betrapte Gray bij het stelen uit de leefvoorraad en gaf hem een pak slaag. De volgende dag was Gray dood. Hij was de eerste.

Ondertussen in het bevoorradingskamp aan de Cooper Creek wachtten de achterblijvers op de bevoorradingstroep die niet kwam en op Burke en zijn mannen die ook niet kwamen. De drie maanden die Burke had gezegd over zijn reis te doen waren al lang om. Een van de achterblijvers viel van zijn paard, brak een been en had medische verzorging nodig. De achterblijvers besloten terug te keren naar Menindee. Voordat ze vertrokken begroeven ze een kleine leefvoorraad, voor het geval Burke toch nog op kwam dagen. De plaats van de begraven leefvoorraad krasten ze in een boom: ‘Dig 3 feet down at 40 feet NW’ en daarbij de datum van hun vertrek. Daarna krijgt het drama een slapstick karakter.

Op dezelfde dag dat de troep naar Menindee terug trok arriveerde Burke en zijn mannen bij het bevoorradingskamp aan de Cooper Creek. Op dezelfde dag maar negen uur later. Waren ze iets eerder aangekomen, ze zouden zijn gered. Dat is pech hebben. Nu troffen ze een leeg kamp aan. Het moet een ontzettende ervaring zijn geweest. Ze vonden wel de begraven leefvoorraad en bakten er pannenkoeken van. Burke beraadde zich op de situatie. Die terugtrekkende troep beschikte over goed gevoede en uitgeruste paarden, die zouden ze nooit kunnen inhalen. En de afstand naar Menindee was te groot. Hij besloot de kortste weg te nemen naar de bewoonde wereld, naar Mount Hopeless Station, driehonderdentachtig kilometer door de woestijn. Burke maakte een notitie van hun plan en begroef die op de plaats waar ze de leefvoorraad hadden aangetroffen. De volgende dag vertrokken ze. Het werd een ramp. Een van de kamelen kwam vast te zitten in de modder en moest worden afgemaakt. Een andere kameel stierf de volgende dag. De situatie was zo hopeloos als de naam van het station. Burke besloot met King terug te keren naar het bevoorradingskamp om daar te wachten op redding. Wills bleef achter om zaden van de Nardoo plant te verzamelen. Hij had gezien dat de Arboriginals van die zaden meel maakten en daarvan koeken bakten. Toen Burke en King vertrokken zat Wills onder een boom en stierf daar dezelfde nacht. Burke redde het ook niet. Hij stortte in en stierf, op veertig kilometer van de Cooper Creek. King was de enige overlevende; hij werd gered door Aboriginals.

Met de dood van Wills en Burke is het drama met het slapstick karakter nog niet afgelopen. Terwijl de troep van de Cooper Creek terugtrok naar Menindee was de bevoorradingstroep in Menindee onder leiding van Wright eindelijk in beweging gekomen. Die twee troepen ontmoetten elkaar. Ze besloten om terug te gaan naar de Cooper Creek om te zien of Burke daar misschien was aangekomen. In het bevoorradingskamp zagen ze geen sporen van de aankomst van Burke en zijn mannen en ze vonden ook de notitie niet. Burke had de notitie begraven op dezelfde plaats als de leefvoorraad en had de in de boom gekraste datum niet veranderd. Was Burke in het kamp aan de Cooper Creek gebleven, hij zou zijn gered. Was de notitie gevonden, dan was de troep hem achterna gegaan en was hij ook gered. Twee keer pech.

Burke heeft veel pech gehad, zóveel pech dat je je afvraagt of hij de pech niet aantrok. Ik zou willen weten wat voor man hij was. In het hoofdstuk ‘Burke and Wills’ van de website van de State Library of Victoria wordt Burke omschreven als “een aanhanger van militaire discipline en procedures maar notoir slonzig en excentriek in zijn privéleven. Hij was humeurig, impulsief en geneigd tot emotionele uitbarstingen wanneer hij het gevoel had dat zijn autoriteit niet werd erkend.” Dat is niet vleiend en geen aanbeveling voor een expeditieleider.

Al vanaf het begin van de expeditie had Burke meningsverschillen met zijn rechterhand Landell. Het ging vooral om de driehonderd liter rum die Landell had ingeslagen om de kamelen op te peppen. Die meningsverschillen werden tot een openlijke ruzie in Menindee. Landell nam ontslag en met hem nog een aantal anderen, waaronder de dokter. De spanningen in de expeditie moeten groot zijn geweest en het vertrouwen in Burke gering. Landell was niet alleen zijn rechterhand, hij was ook de kamelendeskundige. Een kameel is geen paard, moet op andere wijze worden behandeld. Op de tocht naar de Cooper Creek gaf een kameel er de brui aan, wilde niet meer lopen en moest worden achtergelaten. Wills, die de plaats van Landell innam, liet twee kamelen ontsnappen. Een kameel kwam vast te zitten in de modder, moest worden afgemaakt, en een andere viel dood neer. Burke miste zijn kamelenman. In het bevoorradingskamp aan de Cooper Creek zei Burke tegen de leider van de achterblijvers dat hij erop rekende in drie maanden terug te zijn. Wills daarentegen, die de kaarten beheerde en positie kon bepalen, zei in vertrouwen tegen de leider dat het wel vier maanden kon duren. Wills zei niet tegen Burke: “Luister, die drie maanden van jou zijn wel heel erg optimistisch.” Burke was niet de persoon die gemakkelijk kon worden tegengesproken. Met de aanstelling van Wright als gids toonde Burke weinig mensenkennis. Wright smeerde het hem bij de eerste de beste gelegenheid, keerde terug naar Menindee en kwam daarna niet meer in beweging. Hij liet Burke en zijn mensen aan hun lot over. Dat is nogal wat. Wright zou bang zijn voor de gevaren van de wildernis. Die angst moet dan wel heel groot zijn geweest. Misschien had Wright niet veel behoefte opnieuw in het gezelschap van Burke te verkeren? Met het splitsen van zijn expeditie, tweemaal, gaf Burke de controle over het geheel uit handen. Dan moet je wel heel erg op je mensen kunnen vertrouwen. Een expeditie is people business.

Burke was ongeduldig. Dat is begrijpelijk – hij verkeerde in de veronderstelling in competitie te zijn met Stuart in de race naar het noorden – maar hij nam wel enorme risico’s. Het splitsen van zijn expeditie was een organisatorisch risico. De drie maanden die hij uittrok om van de Cooper Creek naar de noordkust te trekken – en terug – was een planningsrisico. Met het vertrek uit Menindee nam hij nog een groot risico: hij vertrok met de hete droge zomer en daarna het regenseizoen in het vooruitzicht. Zijn expeditieleden hadden dat niet verwacht; die rekenden erop dat hij in Menindee zou blijven totdat de koele wintermaanden aanbraken. Dat kan een reden zijn waarom de bevoorradingstroep vanuit Menindee niet in beweging kwam naar de Cooper Creek: veel te heet. Burke’s concurrent Stuart was aanzienlijk voorzichtiger. Stuart keerde terug naar Adelaide nadat hij aangevallen was door Aboriginals, gooide het met hen op een akkoordje en probeerde het daarna opnieuw. Stuart bereikte de noordkust en verloor geen man.

Burke keek erg neer op Aboriginals en had een afschuwelijke hekel aan ze. In de terminologie van vandaag zou je hem een racist noemen. Als hij er een zag – Aboriginals kwamen wel eens een kijkje nemen – dan trok hij zijn revolver en schoot op ze. Hij wilde niets met ze te maken hebben, ook niet toen de nood aan de man kwam. Dat was erg arrogant: de Aboriginals wisten met gemak te overleven in dezelfde omstandigheden als waarin de expeditie in de grootst mogelijke moeilijkheden verkeerde. Wills en King wisten dat de Aboriginals zaden van de Nardoo plant verzamelden, daaruit meel maakten en van dat meel koeken bakten. Ze probeerden het ook maar kenden de bereidingswijze niet. Het Nardoo meel bevat een enzym dat vitamine B2 afbreekt. Een tekort aan vitamine B2 leidt tot beriberi, de ziekte die door sommigen wordt gezien als de oorzaak van de dood van Burke en Wills. De Aboriginals wisten niet wat vitamine B2 was (Burke ook niet; vitamines waren in zijn tijd nog niet ontdekt) maar kenden wel de gevolgen van het gebrek en pasten hun bereidingswijze van Nardoo koeken erop aan. Wills en King hadden halve kennis. King werd gered door Aboriginals. Die lieten hem zien dat het land barstte van vogels en kangoeroes en het water van vissen. Had Burke niet zo neergekeken op Aboriginals, zijn expeditie zou niet zo’n tragische afloop hebben gehad.

Was Burke een held? Wat is een held? Als een held iemand is die zijn eigen angsten onder ogen ziet, voor zichzelf toegeeft dat hij bang is, en desondanks doorgaat, dan was Burke waarschijnlijk geen held. Zijn karakter stond hem in de weg. Burke is eerder tragisch te noemen. Zijn pech was de pech die hij aantrok door zijn karakter. Daarbij sleepte hij drie anderen mee de dood in.

****

Voor dit verhaal over de expeditie van Burke heb ik gebruik gemaakt van:

Stories of the outback, Bert Bolton, Brolga Publishing, 2020.

Het hoofdstuk over de expeditie van Burke en Wills op de website van de State Library of Victoria (http://victoria.slv.vic.gov.au/burkeandwills/explorers/burke.html).

Het hoofdstuk over de expeditie van Burke en Wills op de Engelstalige versie van Wikipedia (https://en.m.wikipedia.org/wiki/Burke_and_Wills_expedition).

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Australië en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s