Terug naar de outback

Ik verliet Cairns. De hemel was grauw en het miezerde af en toe. Dat was geluk hebben: s’nachts stortregende het nog. Ik reed de stad uit en omhoog naar de Tablelands. Het begon te regenen. De Tablelands is een verzameling van plateaus; het moet een oud gebergte zijn waarop het schuurpapier van wind en water haar werk heeft gedaan. De aarde heeft alle tijd. De Tablelands was mij aanbevolen. Het bleek het soort landschap waar Australiërs dol op zijn en misschien wel de meeste mensen: groene weilanden, akkers en boomgaarden, afgezet met keurig wit geschilderde hekken – symbool van privébezit – en langs de wegen bakeries met homemade pies en verkooppunten van Australian peanutbutter en fresh mango ice en in de stadjes – Mareeba en Atherton – de Coles en Woolworth supermarkt en natuurlijk ontelbare restaurants met aanbiedingen voor de lunch. Een openluchtwinkelcentrum in een parklandschap, dat zijn de Tablelands. Op het hoogste punt – duizend meter, het is er koud – staat een windmolenpark met een lookout. Die is er natuurlijk voor het molenpark maar dat interesseert me niet. Ik kijk weg naar het westen, over de afdalende trappen van de plateaus naar het groene vlak in de verte dat begrensd wordt door de rechte lijn van de horizon: de outback, mijn doel en bestemming. Achter me, in het oosten waar Cairns ligt, is de hemel grauw, boven mij rijzen witte reuzenwolken op, die in westelijke richting krimpen en oplossen in het blauw voordat ze de horizon hebben geraakt. De beschrijving van de hemel is ook de beschrijving van mijn gemoed. Opgelucht rijd ik de Tablelands af, van duizend meter naar driehonderd, naar de groene vlakte; weg van de kust, terug naar de outback.

Ik begon mijn reis langs de kust bij Adelaide in het zuiden en volgde die kust naar het oosten. Het landschap daar lijkt op dat van West Vlaanderen: vlak, groen en leeg op een enkele massieve boerderij na en op wegkruisingen een gehucht. Op een warme stille zomerdag is dat een saai landschap. Ik reisde er niet op zo’n zomerdag; het was koud en er stond een harde wind die boomsingels deed buigen en grote wolken van de zee over het land joeg. Dan is het een land dat siddert voor de Wrake Gods. Een smalle duinenrij scheidt het land van de zee. Vanaf Warrnambool tot aan Melbourne volgde ik de Great Ocean Drive die pal langs de kust loopt en uitzicht biedt op de bulderende zee die bijt in het land en de botten bloot legt. Hoge witte kliffen als langs de Engelse zuidkust. Stormvogels hingen in de wind en in beschutte baaien en riviermondingen landden pelikanen als kleine vliegtuigen. Die kust is een toeristische must see – op parkeerplaatsen staan bussen van Chinese touroperators – maar is ongetemd gebleven. Geen bakeries en verkooppunten met Australian peanutbutter en fresh mango ice. Genoot ik van de ongetemde zuidkust, de oostkust ervoer ik als een kwelling. Er is geen Great Ocean Drive langs de oostkust. De hoofdweg loopt ver van de zee door landschap zonder identiteit: bossen en weilanden en suikerrietplantages. In de kuststrook verbinden binnenwegen dorpen met veel verkeerslichten, zebrapaden en rotondes ter bescherming van de grijze golf die er domicilie heeft in een van de vele resorts. Vrijwel nergens is onbelemmerd zicht op de zee omdat mensen het huis van hun dromen hebben gebouwd op de duinen. Als er zicht is: een lome blauwe zee want het Great Barrier Rif houdt de golven van de oceaan buiten. Port Macquarie, Yamba, Airly Beach, Cairns: allemaal hetzelfde; een jachthaven waarin veel geld dobbert en gepensioneerden op terrassen die tevreden zien op hun bezit. De oostkust is een grijze kust van stramme knieën, buikjes en wee makende voldaanheid. Het is er zo loom als de zee zelf. Voor jongeren bieden ondernemingen in dergelijke plaatsen kunstmatige adrenaline activiteiten: duiken en speervissen, waterskiën, skydiven waarvan je een kick krijgt zonder noemenswaardig risico te lopen. De oostkust beviel me niet: teveel gericht op behouden, op bezit en geld, op zekerheden, op germ free fun.

Ik reed dus de trappen van de Tablelands af naar beneden naar de outback en liet de ergernissen los en de zekerheden. Reizen is een voortdurende oefening in loslaten, in ieder geval voor mij. Ik reed de Savannah Road die loopt van Cairns aan de oostkust naar Broome aan de westkust. Het is een rechte lijn door open bos, een bos van lage bomen met kronkelige stammen en waarvan de kronen elkaar niet raken en met een ondergroei van hoog geel gras. In deze wildernis is de Savannah Road de draad waaraan de beschaving hangt, een enkel dorp. Ik passeer Mount Garnet (honderdvijftig kilometer van Atherton), Georgetown (honderdveertig kilometer verderop), Croydon (honderdvijftig kilometer) tot Normanton (ook honderdvijftig kilometer). Wat doen mensen daar? In de buurt van Mount Garnet wordt granaat gevonden maar die is te bros om bruikbaar te zijn als edelsteen. Dat vertelt Dolly, een van de twee bejaarde dames waarop het lokale informatiecentrum drijft. Van Georgetown herinner ik me het benzinestation annex kruidenierszaak annex camping. Die herinnering is vastgehaakt aan een reclamebord voor Manning’s pies: “If it’s not a Manning’s pie, ask why?”, een reclame met de toon van de jaren dertig. Normanton is een service centre voor de toeristen die op weg zijn naar Karumba aan de Golf van Carpentaria (“Wat doet een mens in Karumba?” “Nou … vissen!” “En als je niet vist, wat moet je daar dan?” “Dan ga je erheen voor de zonsondergang.”). Alleen Croydon langs die lange Savannah Road heeft zichzelf op de toeristische kaart weten te plaatsen dankzij de General Store, de oudste nog bestaande winkel in Australië. Uit 1894. Het is een vrolijk blauw geschilderd pand van hout en golfplaat. Binnen is sinds 1894 niets veranderd; er is nog steeds een toonbank (het is dus geen zelfbediening) en de verkopen worden bijgehouden in een schriftje door een oude dame wier overgrootvader de zaak begonnen is. Het enige dat er in honderddertig jaren is veranderd, zijn de producten en vooral de verpakkingen: plastic. In het verlengde van het succes van de General Store zijn de Town Hall, de Court Hall en de school – houten gebouwen – gerestaureerd tot musea en zo is het Croydon gelukt om bezoekers toch een halve dag vast te houden. Petje af.

image

De General Store, uit 1894

Ik reed naar Karumba. Niet om te vissen maar om de zonsondergang te zien. Op de camping in Karumba ontmoette ik Wolfgang en Heidi; Duitsere namen bestaan niet. Ze hebben hun stokoude en loodzware BMW motor vanuit Duitsland verscheept en toeren nu voor een half jaar door Australië. Het bevalt niet. Wolfgang: “We rijden nu drie maanden door Australië en ik heb het wel gezien. God, wat is dit land saai. Al die rechte wegen. Er is niets bijzonders te zien. En we moeten nog drie maanden, onze terugvlucht is geboekt voor eind september. Wat moet ik doen?” Heidi glimlacht; ik vermoed dat Heidi altijd glimlacht als haar man het woord voert en ik vermoed dat haar man altijd het woord voert. Ik: “Je zou naar Uluru en Kata Tjuta kunnen rijden.” “Daar zijn we al geweest.” “En als je nu eens de pistes zou rijden?” “Daar is onze motor veel te zwaar voor.” Wolfgang vraagt: “Darwin, is dat wat?” Ik: “Darwin is als Cairns: erg veel gepensioneerden, veel restaurants en er is niets te beleven.” Wolfgang: “Misschien gaan we voor een paar weken naar Sulawesi. Daar zijn we twintig jaar geleden geweest. Dat was bijzonder.” Heidi glimlacht.

image

De zonsondergang bij Karumba

Ik vind de outback helemaal niet saai. Er is genoeg te zien, als je er oog voor hebt. Honderden kilometers open bos maar in dat bos zijn veel verschillende boomsoorten. In drie maanden is het me niet gelukt zelfs de meest voorkomende soorten op het oog te herkennen. Alleen de bomen die bloeien kan ik in het voorbijgaan benoemen. Daar is de native kapok tree die grote gele bloemen draagt nadat het blad is afgevallen. Acacia’s bloeien en ook de Grevillea’s die honingeters aantrekken; Australië heeft meer soorten honingeters dan welk ander continent. De outback barst van de vogels: in het open bos huizen de honingeters, vliegenvangers, bijeneters en heel veel vinken. Op de steppe lopen kraanvogels, Brolga’s en Sarussen; allebei een rood beveerde kop. In de lucht cirkelen zwermen roofvogels: haviken, valken, buizerds en wedgetailed eagles die gemakkelijk te herkennen zijn aan de wigvormige staart. Die roofvogels hoeven niet te jagen: ze leven van de doodgereden kangoeroes langs de weg, ongetwijfeld tot opluchting van de kleine vogels en zoogdieren. Er liggen veel dode kangoeroes langs de weg, koeien ook en wilde varkens en roofvogels die tijdens de maaltijd het naderende gevaar niet opmerkten. Ik ruik de dood vaker dan ik haar zie. Een enkele kangoeroe hopt de weg over, in de namiddag zitten er meer in de wegberm, bij het vallen van de avond tientallen en later honderden. Dieren herkennen een auto niet als mensengevaar. Een motorrijder wel: kangoeroes, koeien, vogels vluchten op mijn nadering. Ik heb geluk.

Van Normanton nam ik de weg naar Burketown. Dat is een piste van de tweede categorie: je moet je kop erbij houden maar ik hoef zelden van spoor te wisselen. Een hard leemdek, weinig wasbord en af en toe een beetje grind. Niet moeilijk. In Burketown informeerde ik bij de politie naar de toestand van de Top Road naar Borroloola, driehonderd kilometer verderop. De politieman: “Tot Doomadgee is de weg geasfalteerd. Daarna bestaat het wegdek uit grind tot aan de grens. De weg is pas onderhouden en er wordt nog aan gewerkt.” De grens is de grens tussen Queensland en de Northern Territories. Het langste deel van de Top Road ligt in de Northern Territories. Ik: “En na de grens?” De politieman: “Dat weet ik niet.” Zo is Australië: een losse federatie van staten en wat aan de andere kant van de grens gebeurt is onbekend. Hij belt voor mij de wegwerkers – “Hi, how are we doing?” Daarna, tegen mij: “Dustbowls en …” Ik: “Hou maar op, ik weet al genoeg.” Een dustbowl is een laagte die gevuld is met stof. De politieman: “De wegwerkers hebben gisteren een fourwheel drive uit een dustbowl getrokken. Die had er vierentwintig uur vastgezeten.” Ik heb een alternatief: “Hoe is de weg naar Camooweal?” De politieman: “Tot Gregorie Downs is de weg geasfalteerd. Daarna komt een ruwe piste: zwaar wasbord maar geen dustbowls.” Ik nam de weg over Gregory Downs naar Camooweal. De piste was er een van de derde categorie: je moet je kop erbij houden, vaak van spoor wisselen om het ergste wasbord te vermijden, lastig grind maar geen diep zand of dustbowls. Over tweehonderdtwintig kilometer deed ik bijna zes uren en bereikte Camooweal in het staartje van de dag.

image

Tussen Gregory Downs en Camooweal

Stel je van Camooweal niet teveel voor: een benzinestation met een camping, een hotel met een bar, een postagentschap met een kruidenierszaak en een mini-supermarkt. De kassière vraagt waar ik vandaan kom. “Ik kom uit Nederland en jij komt vast en zeker uit Camooweal.” “Nee” zegt ze “Ik ben van de Filipijnen” Ze heeft in Cairns gestudeerd, daarna een sponsor gezocht om een vaste verblijfsvergunning te krijgen en die sponsor heeft ze in Camooweal gevonden. “Het is hier vreselijk saai” zegt ze “Zodra ik mijn contract heb uitgediend ben ik weg. Ik wil aan de Goldcoast wonen.” Ach, Camooweal; je zal er geboren zijn. Bij de uitgang staat een bord ‘260 km No Fuel’. Tweehonderdzestig kilometer verderop ligt Barkley Homestead, een station. Tussen Camooweal en Barkley Homestead ligt Avon Downs dat bestaat uit een boerderij en een politiekantoor waarvóór een bord staat ‘No Fuel Sorry’. Dit is de Barkley Highway, een eenzame weg: een paar road trains en fourwheel drives met caravans is al het verkeer dat ik tegenkom. Bij Barkley Homestead neem ik de Tableland Road naar het noorden, een smalle asfaltstrip, één rijbaan breed, driehonderdvijfenzeventig kilometer over de steppe. Driehonderd-vijfenzeventig kilometer niets, geen dorp, geen tankstation, geen hotel of camping, geen dode kangoeroes, helemaal niets. Niets dan de gele steppe en daarboven de blauwe lucht. De wereld is van mij. Ik adem de lucht van de aarde in en raak vervuld van de aarde. Ik zou in haar kunnen verdwijnen als ik niet vastzat aan die smalle streep asfalt. Saai? Welnee, het is een extase.

image

De Tableland Road naar Cape Crawford

Ik bereik Cape Crawford aan het einde van de Tableland Road in het staartje van de dag. Er staat een grijze koe op een grijs wegdek. Ik mis haar op een haar. Het zal een koe van Indiase komaf zijn. Cape Crawford: een hotel annex benzinestation annex camping, met een bar. Ik eet er bief met frieten en gravy die de frieten slap maakt en drink een glas wijn van het huis.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Australië en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s