Gescheiden werelden; over Aboriginals

De Australische samenleving is een kolonisten samenleving. Neem Quorn, waarover ik eerder schreef: langs de hoofdstraat staan voorname panden in hardsteen, een galerij erlangs met smeedijzeren pilaren; er tegenover het station met een siergevel. Het had een straat in Europa kunnen zijn, in Duitsland misschien. Het laat zien wat kolonisme is: thuis opnieuw opbouwen aan de andere kant van de wereld en liefst beter. Want daarvoor kwamen de kolonisten: niet om het anders te hebben maar om het beter te hebben.

image

Het station van Quorn

Vanuit Quorn kun je twee kanten op. Je kunt naar het noorden, verder het binnenland en de wildernis in en dan kom je in Marree. Marree heeft een hotel, een station en ook een politiekantoor maar de straten zijn stoffig en erlangs zijn lege plekken en het station heeft geen siergevel. In Quorn heeft thuis de wildernis overwonnen, in Marree woedt nog de strijd. Marree zal de status van Quorn, van zelfvoldaan kolonisme, overigens niet bereiken: het ligt ten noorden van de Goyder lijn, tot waar landbouw mogelijk is, en de spoorlijn is opgeheven. Vanuit Quorn kun je naar het zuiden, naar de kust. Daar is de strijd met de wildernis even verleden als in Europa, iets van de geschiedenisboeken. Adelaide heeft iets bezadigd intellectueels; het zou een universiteitsstad in Engeland kunnen zijn. Melbourne is de schepping van haven- en industriebaronnen. Canberra is een kille bestuurdersstad. Quorn, Marree, Adelaide, Melbourne, Canberra: verschillende gezichten van het kolonisme: de oude wereld overgepoot in de nieuwe. Australië is een blue collar land. Niet alleen in Marree maar ook in Quorn en Adelaide en Melbourne en zelfs in Canberra zie je ze: mannen in korte broek en werkschoenen aan. Dat hoort ook bij kolonisme: de houding van handen-uit-de-mouwen, van aanpakken.

Eerst kwamen de Britten en de Ieren. Daarna de Noord-Europeanen, vooral Duitsers. De Zuid-Europeanen, Italianen en Grieken, kwamen in de eerste helft van de twintigste eeuw. Twee decennia later waren het vooral de Vietnamezen – bootvluchtelingen – en de Thais en de Cambodjanen. Tussen die migrantengolven door druppelden Indiërs binnen. Al die mensen kwamen omdat ze moesten (de veroordeelden, Australië was voor de Britten een strafkolonie), omdat ze kansen zagen (Chinezen kwamen in de goldrush), om armoede te ontvluchten (de Ieren en de Zuid-Europeanen) en onderdrukking (de Vietnamezen) en geweld (Timorezen). Ik bezocht West Terrace Cemetery in Adelaide. Op dat kerkhof liggen de doden keurig ingedeeld naar religie en herkomst want dat gaat vaak samen. In het midden, het oudste deel, liggen de doden met de Britse namen: de Morphetts en de Kingstons en anderen die er toe deden en naar wie straten zijn genoemd. De katholieken hadden hun eigen kerkhof dat later is samengevoegd met West Terrace Cemetery. Er staat een kapel waaromheen de dienaren en dienaressen van de Kerk zijn begraven. Protestanten doen niet aan kapellen op kerkhoven. De Joden kregen al in 1843 hun eigen sectie. Dichtbij liggen de Afghanen. Die zijn naar Australië gekomen als kameeldrijver. De moslims hebben hun eigen deel en er is zelfs een hoekje van Syrische Druzen. Ik heb er geen Chinese graven gezien. De Italianen vallen op. Hun graven zijn zonder uitzondering groot en van deftig zwart marmer met portretjes in email van de overledene en beeldjes van de heilige Maagd Maria en fleurige boeketten plastic bloemen erop. Giuseppe Del Col, liefhebbende echtgenoot van Teresa en geliefde vader van Claudio en Franco, werd geboren in 1903 in Niponti. Zijn vrouw (liefhebbende echtgenote van Giuseppe en geliefde moeder van Claudio en Franco) kwam uit Pronipoti. Hun buren in de dood zijn de Spagnuolo’s. De dode Italianen zijn prominent aanwezig, zowel in exuberantie als in aantal; hun graven – gezellig allemaal bij elkaar – vormen een grote uitdijende glimmend-zwarte vlek op het kerkhof en ze penetreren inmiddels de oude joodse sectie. Al die mensen zijn uit alle hoeken van de wereld gekomen om opnieuw te beginnen, om gewoon te kunnen eten, om hun kinderen een toekomst te bieden, om te kunnen bidden zoals ze dat zelf willen en tot de god waarin ze zelf geloven, om geen lid van een partij te hoeven zijn of voorgeschreven te krijgen wat ze moeten denken, om niet vervolgd of gebrutaliseerd te worden, om het beter te hebben dan thuis.

image

De Italianen: deftig zwart marmer en plastic bloemen

De Australische samenleving is als dat kerkhof: een samenleving van groepen mensen met dezelfde herkomst en religie. Chinezen gaan om met Chinezen, Chinese jongens hebben Chinese meisjes en ze eten gezamenlijk in Chinese restaurants. Indiërs gaan om met Indiërs, Indiase jongens hebben Indiase meisjes en ze eten gezamenlijk in Indiase restaurants. Gescheiden, natuurlijk, in hindoe Indiërs, moslim Indiërs en sikh Indiërs zoals de Indiase samenleving is. Italianen doen na de dood wat zo ook ervoor doen en Nederlanders hebben hun eigen clubs waar ze samen volksliedjes zingen, folkloristisch dansen en Sinterklaas vieren (het is beter te zeggen “hadden hun eigen clubs” want het verwatert: de ouden gaan dood en er zijn weinig Nederlandse nieuwkomers). Zo’n groep is handig voor de nieuwkomer die thuis moet zien op te bouwen in een vreemd land. Dankzij de groep is het fundament al gelegd – de nieuwkomer kan zich thuis voelen – en de groep levert het opstapje naar een baan, inkomen, huis. Indiërs (en Sri Lankezen en …) domineren de convenience stores. Thais hebben massagesalons en restaurants. Italianen zitten, natuurlijk, in het restaurantwezen. Nergens zag ik zoveel Italiaanse restaurants als in Australië. Ieder zijn eigen hoekje dankzij de groep. De laundry business is nog het meest gemengd: Chinezen, Pakistani’s, Thais. De groep is ook een vluchtheuvel voor de harde nieuwe wereld waar “welkom” niet vanzelfsprekend is. “Blanken zijn racisten!” beweert de blanke man. “Ik koop hier omdat niemand anders hier wil kopen!” Hij doelt op de convenience store waar ik zojuist een cakeroll heb gekocht en die uitgebaat wordt door een Sri Lankaans echtpaar. Ik blijf daar koeltjes onder: oude nieuwkomers kijken altijd argwanend naar nieuwe nieuwkomers. De Britten en de Ieren keken argwanend naar de Duitse immigranten, vooral rond de Eerste Wereldoorlog. De Britten, Ieren en Duitsers keken argwanend naar de Italianen: exuberant katholiek. De Britten, Ieren, Duitsers, Italianen keken argwanend naar de Aziatische nieuwkomers: niet blank. Australië heeft een geschiedenis van uitsluiting. Tijdens de goldrush aan het einde van de negentiende eeuw kwamen de Chinezen. Daarna ging de grens op slot voor Aziaten. Australië moest blank blijven. Op 25 april is ANZAC-day gevierd, de herdenking van Australië’s deelname aan de Eerste Wereldoorlog. In het kader van die herdenking is ook enig oud zeer opgerakeld. Chinezen die zich aanmeldden voor het leger – Ja, er waren Chinezen die zich aanmelden, onder het motto “Als je in het land wil leven, ben je ook bereid ervoor te sterven”. Dat is pas vaderlandsliefde! – werden afgewezen: niet blank. Zotter kan het niet zijn: niet blank genoeg om voor Australië te sterven! Pas in de jaren zeventig van de vorige eeuw werden Aziaten tot Australië toegelaten. Aboriginals zijn op dezelfde wijze behandeld. Niet blank: geen burgerrechten. De Aboriginal kunstenaar Albert Namatjira had in 1954 een ontmoeting met de Britse koningin – ook koningin van Australië – maar kreeg pas in 1957 burgerrechten. De koningin onderhield zich met iemand die niet waardig werd bevonden haar onderdaan te zijn. Over zotheid gesproken.

Aboriginals zijn de oorspronkelijke – “inheemse” zegt men – bewoners van Australië. Ze wonen er misschien al wel veertigduizend jaar, in ieder geval waren ze er lang voordat het continent “Australië” werd gedoopt. ‘Aboriginal’ is een verzamelnaam voor ik-weet-niet-hoeveel stammen. Je hebt Pintupi en Kuninkju en Warlpiri, Pintjantjatjara en Anmatyerr, Kaiadilt en … Ieder met zijn eigen leefgebied. Verder zijn er nog de Torres Strait Islanders, die leven op de eilanden in de Torres zeestraat ten noorden van het continent, en die willen absoluut geen ‘Aboriginal’ worden genoemd. Politiek correct is dus: Aboriginal and Torres Strait Islanders. Overigens willen activistische Aboriginals liever aangeduid worden als ‘original people’. De Australische overheid trapt daar niet in want ‘original’ suggereert ‘eerste’ bewoners met, uiteraard, bijzondere rechten. Ik houd het op ‘Aboriginal’ omdat er veel ‘original’ volkeren op aarde zijn en sluit daar de Torres Strait Islanders bij in omdat het anders zo’n lange naam wordt.

Iedere groep zijn eigen wereld met eigen taal, eigen gebruiken en een eigen plaats in de economie. Ieder zijn eigen wereld maar samengehouden door het cement van de Westerse cultuur in het openbare leven en door de gedeelde ideologie van een nieuw leven opbouwen, geld verdienen, bezit, een eigen huis en een auto voor deur. Aboriginals vallen buiten die samenleving. Ze delen dat westerse wereldbeeld niet. Tegenover het beeld van de mens als meester van de schepping – ‘rentmeesterschap’ in christelijke taal – staat het Aboriginal beeld van de aarde als meester van de mens. Een groter verschil in wereldbeeld kan er niet zijn. Voor de westerling is de aarde om te exploiteren, om open te scheuren, om te woelen, te pletten, te veranderen om er grondstoffen uit te halen, er huizen op te bouwen en resorts en pretparken, er geld aan te verdienen. Voor de Aboriginal is de aarde de goede geefster van bessen en wortelknollen, van kangoeroes en emoes, van water, van bast en kleurstoffen, niet om er geld aan te verdienen maar om ervan te leven. De Aboriginal ontleent zijn identiteit aan het land, het land maakt de mens. De Aboriginals hebben ‘dreamings’, verhalen over het land en de mensen, en heilige plaatsen waar de aarde ‘bijzonder’ is en waarop dreamings betrekking hebben en ‘songlines’ die die plaatsen met elkaar verbinden; een wereldbeeld als een ingewikkeld vlechtwerk. Een Aboriginal zou nooit koloniseren of migreren tenzij hij ertoe gedwongen wordt. En dan raakt hij los van dat vlechtwerk dat betekenis geeft. Twee wereldbeelden die elkaar afstoten. “Duizenden jaren hebben ze op dit land gewoond en wat hebben ze ermee gedaan? Niks!” zegt de blanke. “Het gaat ze alleen om geld, altijd om geld!” zegt de Aboriginal. Allebei “ze”. Ook twee levensstijlen die elkaar afstoten. Het westerse leven is er een van werken van negen tot vijf en op zaterdag het gazon maaien en de auto wassen. Neighbourhood watch, community centre, wipkippen in keurig onderhouden parken. Regels, waarschuwingen en verboden. De Aboriginal: een wilde onverzorgde haardos, stoppelbaard, slonzige kleren. Ze wonen in gammele huizen in communities buiten de stad en op het erf staat een autowrak. Ze klitten samen bij het busstation, voor de ingang van het shopping centre, in de parken en bij de road stations. Ze drinken bier en roken als ketters. In een park in Alice Springs zag ik een bord: “Alcohol free area. Drinking alcohol in this public area without a permit is a serious offence. Penalties include: alcohol tipped out or confiscated, $100 on the spot fines and up to $ 500 if the matter goes to court, court might order person not to drink.” “Alcohol tipped out” en “court might order person not to drink”: een grotere neerbuigendheid is niet denkbaar. Het woord ‘Aboriginal’ komt in de tekst niet voor maar zij zijn de enigen die zich in een park bezatten. Iemand vertelt mij: alcoholisme is onder blanken een groter probleem maar die drinken thuis dus dat zie je niet. Twee wereldbeelden en twee levensstijlen die elkaar afstoten; geen samen-leven. Ik nam geregeld de bus tussen Darwin en de suburb Palmerston. Op die buslijn reizen ook Aboriginals. Geen lid van de geordende samenleving – oude en nieuwe nieuwkomers – zit naast een Aboriginal. Geen Aboriginal gaat naast een lid van de geordende samenleving zitten. Ieder kijkt voor zich uit of naar buiten, de leden van de geordende samenleving en de Aboriginals. Men negeert elkaar. Het is heel moeilijk om contact te krijgen. Bij een road station vraagt een Aboriginal aan mij: ” Zeg, kun je me twee dollar geven; ik heb honger.” Op het tafeltje vóór hem staan zes bierblikjes. Ik: “Hoeveel kost zo’n blikje?” Hij, bereidwillig: “zeseneenhalve dollar.” Het is moeilijk. Toch, een scheiding kan niet zó totaal zijn of er springen wel vonkjes over. Er zijn Aboriginals die inburgeren in de samenleving en daarvoor hogelijk worden geprezen door de geordende samenleving vanwege “de grote bijdrage aan de samenleving en de onvermoeibare inzet voor de zaak van de Aboriginals”. Er zijn leden van de geordende samenleving die het opnemen voor de Aboriginals en er zijn leden die die samenleving de rug toekeren, hun heil zoeken in de wildernis en Aboriginals als buren hebben. Een andere vonkenboog is die van de kunst. Aboriginals produceren kunstwerken tegen de klippen op en het wordt gekocht. Ik heb nog geen museum bezocht dat niet een grote collectie Aboriginalkunst aan de muren had hangen. Het Ian Potter Centre in Melbourne, de National Gallery in Canberra, de Art Gallery of New South Wales in Sydney: allemaal een Aboriginal afdeling. Ik heb me laten vertellen dat ook gewone Australiërs Aboriginalkunst thuis aan de wand hebben hangen. Die kunst wordt dus erg gewaardeerd en dat is begrijpelijk. Het is schilderwerk met heldere kleuren – vooral baksteenrood, wit en zwart – in composities van lijnen, cirkels en stippen, zorgvuldig opgezet, abstract en toch ook weer voorstelbaar: een mens, een slang, een krokodil. Het is leuk werk en je wordt er vrolijk van. Als die kunst een uiting is van de geestesgesteldheid van de kunstenaar, dan zijn Aboriginals beslist gelukkige mensen. Ik zag er een paar aan het werk in een galerie. Drie vrouwen; ze zaten op de grond, vel papier tussen de benen, omringd door potjes verf, bedachtzaam bezig lijnen te trekken en stippen te zetten. Geen ‘see-me’ types die van gekkigheid niet weten wat te doen om volgende week weer in de Privé te komen. Die vrouwen zijn als hun werk: je wordt er vrolijk van.

image

Arboriginalkunst

De geschiedenis van de relatie tussen Aboriginals en kolonisten is tragisch, vooral voor de Aboriginals. Ze stierven massaal aan de ziekten die de blanke meebracht, werden vermoord, verdreven, bedrogen, bestolen, rechteloos in het land waar ze al veertigduizend jaar woonden. Voor de kolonisten was Australië ‘terra nulla’, onbewoond land, en Aboriginals een onaangenaam bewijs van het tegendeel. Hun cultuur was ‘minderwaardig’ en daarom werd hen het christendom opgedrongen en hun kinderen ontnomen om ze ‘beschaafd’ op te voeden in tehuizen en pleeggezinnen. Die kinderroof is nu bekend als de ‘stolen generations’ en is een van de schandvlekken van Australië. Het is allemaal gebeurd met de beste bedoelingen, de kinderroof, met de wet in de hand, de landroof, en uit zelfverdediging, als de Aboriginals niet opschoven of zich verzetten. De geschiedenis is net zo tragisch als die van elke andere relatie tussen de vertegenwoordigers van de westerse beschaving en een inheemse bevolking. De indianen van Zuid- en Noord-Amerika: uitgeroeid of gedecimeerd tot een quantité negligable. Geen beschaving heeft zoveel bloed vergoten en zó radicaal uitgeroeid als de westerse; bij mijn weten kunnen alleen de horden van Djengis Khan en van Tamerlane in haar schaduw staan. Misschien is het regiem van Pol Pot in Cambodja een recente concurrent voor een nominatie in het Guiness Book of Records voor het thema ‘moorddadigheid’.

Ik schreef het al: het is erg moeilijk met Aboriginals in contact te komen buiten het toeristisch discours. Al ben ik dan een reiziger, voor hen ben ik toch een vertegenwoordiger van de andere kant van de kloof. Omdat het zo moeilijk is contact te maken, bezocht ik de Embassy van de Aboriginals in Canberra. Het is een tentenkamp, een protestkamp op het gazon voor het voormalige parlementsgebouw. Het onderwerp van het protest komt vilein tot uiting in dat ‘Embassy’: een vertegenwoordiging bij een vreemde mogendheid, geen burger van Australië. Het kamp staat er al vierenveertig jaren dus heel erg effectief is dat protest niet. De Australische overheid heeft de Embassy inmiddels op een lijst gezet van Bijzondere Objecten en het parlement zelf is verhuisd. Die reactie is even vilein als dat ‘Embassy’. Voorlopig is de stand 1-1. Ik ontmoet er Vince: een donker gezicht, een baard, wilde zwarte en grijze haren, in korte broek en groene legertrui; een Aboriginal in Australische mannen outfit. Bij hem zitten twee blanke vrouwen; groupies. Ze spreken Vince aan met Uncle Vince. Uncle Vince is een heel masculiene man. Die twee vrouwen zitten daar omdat “de Aboriginal cultuur zoveel méér te bieden heeft dan de westerse”. “Jullie zijn dus drop-outs” stel ik vast. “Nee …!” roepen de dames in koor “wij zijn drop-ins! Wij droppen in in de Aboriginal cultuur.” Sorry hoor. “Hoe staat het met de belangstelling?” “Nou, dat gaat wel. Gisteren kwam een Belgisch stel. Ze zijn net vertrokken met hun camper.” Ik vermoed dat die Belgen er óók waren omdat je er gratis kunt overnachten. “En de contacten met andere ambassades?” “Vorige week is iemand van de Spaanse ambassade gekomen en deze week de consul van Israël.” “Van Israël? Israël behandelt Palestijnen op dezelfde manier als Australië Aboriginals!” Vince: “Maar het is óók een mens.”

Vince wijst naar het oorlogsmonument op de helling in de verte. “Daar worden de doden herdacht uit alle oorlogen die Australië heeft gevoerd, zelfs uit de Boerwar en de Sudanese veldtocht, maar de oorlog tegen de Aboriginals staat er niet bij. In die oorlog zijn vier en een half miljoen doden gevallen.” Dat is een beetje flauw van Vince want hij weet best dat zo’n monument alleen de eigen doden eert en bovendien van oorlogen waaraan een beetje eer te ontlenen valt, als je al wil spreken van een oorlog tegen de Aboriginals. Dat getal van vier en een half miljoen Aboriginal doden lijkt me aan de hoge kant en de meesten zullen omgekomen zijn door blanke ziekten. Als ik de scherpe kantjes ervan af haal en focus op het herdenken, dan heeft’ie wel een punt: ik zag nergens een monument voor de tragedie van de Aboriginals. In Europa zijn de monumenten voor de Holocaust menigvuldig – opdat wij niet vergeten – en in Zuid Amerika bezocht ik monumenten voor de uitgeroeide indianenvolkeren. Niet in Australië. Overigens ook niet in de Verenigde Staten; daar zorgen de indianen – die van Wounded Knee bijvoorbeeld – zelf voor hun monumenten. Dat zouden de Aboriginals ook kunnen doen.

Australië heeft geen monumenten opgericht om de tragedie van de Aboriginals te herdenken en schuld te bekennen – ik heb daarvan tot nu toe geen tekens gevonden – en weigert te spreken over ‘original people’, onberoerd heeft de tragedie de overheid toch niet gelaten? Dat moorden is toch opgehouden? Vince: “Dat zeg jij. De regering wil nu honderdvijftig Aboriginal gemeenschapscentra in de outback sluiten omdat ze te duur zijn. Voor die gemeenschappen is dat de doodsteek. Waar moeten die mensen naar toe?” In Melbourne kwam ik terecht in een protestdemonstratie tegen de sluiting van die centra. De demonstranten droegen borden met de tekst “Stop the genocide”. Dat vind ik een erg groot woord – doorgaans schiet je daarmee in eigen voet – maar van veel begrip voor de Aboriginal gemeenschappen getuigt de maatregel niet. [Even de achtergrond van die maatregel. De zorg voor die centra was een zaak van de federale overheid. Die heeft de verantwoordelijkheid en de financiering bij de afzonderlijke deelstaten gelegd. De deelstaten staan dichter bij de belastingbetalende burger en die heeft niet zoveel op met in het zand zittende Aboriginals. In Nederland gebeurt iets soortgelijks met de sociale zorg. Je bent gewaarschuwd!] Ik vraag Vince naar discriminatie: worden Aboriginals door de wet behandeld als andere Australiërs? Vince: “Het gaat niet alleen om de wet maar het gaat ook om wat er gebeurt. Als een Aboriginal een fout maakt, zit de politie er boven op. Wij maken twee procent van de bevolking uit maar de helft van de gevangenisbevolking bestaat uit Aboriginals. Zitten een paar van ons op een bankje in het park, dan komt onmiddellijk de politie om te vragen wat we daar doen.” De samenstelling van de gevangenisbevolking heb ik niet onderzocht maar dat andere kritiekpunt van Vince heb ik zelf waargenomen: zit er ergens een groepje Aboriginals dan zie ik verderop ook een man in het geelgroene fluoriserende vestje van een veiligheidsdienst naar dat groepje staren, vast en zeker ingehuurd door de neighbourhood watch. Niet leuk. Aboriginals hebben grote stukken land teruggekregen (ze zijn op mijn wegenkaart gearceerd en voor het gebruik van de wegen, meestal pistes, erdoorheen moet toestemming worden gevraagd). Dat is een sigaar uit eigen doos maar soms moeten mensen daarmee tevreden zijn. Vince: “Dat is waar maar het is lang niet genoeg en wat we hebben teruggekregen wordt onteigend zodra er ertsen worden gevonden.” Australië is verslaafd aan de winning van grondstoffen. Ik bezocht de rots Uluru, een van de toeristische trekpleisters – en geldmachines – van Australië. Het is na jaren praten teruggegeven aan de lokale Aboriginal stam, met veel toespraken van hoogwaardigheidsbekleders en andere fanfare. Foto’s van dat evenement hangen in het plaatselijke museum. Ik heb me afgevraagd: stel je voor dat de Aboriginals gezegd zouden hebben “Dit is voor ons een heilige plek dus al die toeristen moeten ophoepelen”, zouden ze dan ook Uluru hebben teruggekregen? Op een punt is een leuning naar boven aangelegd. Ernaast staat een bord met het dringende verzoek Uluru niet te beklimmen want dat vinden de Aboriginals niet goed. In het informatiecentrum kun je een verklaring tekenen dat je echt, erewoord, de rots niet beklommen hebt en dat ook niet zal doen. Hoever strekt dat eigenaarschap als je zelfs niet gewoon kunt verbieden dat mensen naar boven klimmen? Een blanke toerist moppert “En waarom zou ik niet naar boven klimmen? Dit is ook mijn land!” De regering heeft onderzoek laten doen naar de kinderroof. Het rapport daarover, dat schokkend schijnt te zijn, is gepubliceerd. Dat is moedig, de regering heeft ook haar spijt betuigd en er zou compensatie zijn betaald. Nou, Vince? “Het gebeurt nog steeds, door de DOCS [Department of family and Community Services]. Ze halen kinderen bij de ouders weg als het huis niet aan hun normen voldoet, als bijvoorbeeld kinderen bij de ouders in een bed slapen. Ze zijn bij een familie gekomen in het midden van de nacht, met een anti-terreureenheid, kerels in het zwart met bivakmutsen op. Wat denk je dat dat met een kind doet? Ze maken zich zorgen om kinderseks. Als dat hun zorg is, waarom pakken ze dan niet de katholieke scholen aan want daar allemaal gebeurt …”

Er is in Australië geen bijzondere plek of er staat wel een bord bij: dat het een samenkomstplek was van Aboriginals, wat ze daar deden, wat de betekenis was van de plaats in een dreaming. Iedere botanische tuin – daarvan zijn er veel in Australië; Australiërs zijn verzot op planten zolang ze bruikbaar zijn voor een tuin – heeft wel een Aboriginal afdeling. Bij de planten in die afdeling staan bordjes over waarvoor en hoe Aboriginals die planten gebruikten en meestal kun je er ook een rondleiding krijgen door een echte Aboriginal die het allemaal weet. Belangstelling en respect voor de Aboriginal cultuur, een impliciete schuldbekentenis of spijtverklaring? Met die bordjes zijn de Aboriginals in het toeristisch discours terecht gekomen. In de Royal Botanic Garden van Sydney las ik een bord met de titel “Who are the Cadigal?”. De Cadigal zijn de Aboriginals die leefden op de plaats die nu Sydney is. Het bord verhaalt kort de geschiedenis van de ontmoeting met de blanken: tweederde stierf aan de mazelen van de blanke en de rest werd verdreven. Het is de beschrijving van een gebeurtenis in de geschiedenis, emotieloos – er staat geen vloek in – en zonder schuldverklaring of spijt; het is gewoon zo. Sterker, het bord suggereert dat er in wezen niets is veranderd: “The traditional owners of this land may no longer be living here, but its importance to Aboriginal people is as powerful as ever.” Jammer dat die Cadigal er niet meer zijn. Vince: “Onderzoekers verzamelen onze dreamings, voor het nageslacht omdat onze cultuur stervende zou zijn. Maar door het verzamelen verklaren ze onze cultuur dood.” Een stervende cultuur? De handel in Aboriginal kunst, in schilderwerk, beelden en didgeridoos is levendig en elk museum heeft er een collectie van, van dode én levende kunstenaars. Vince: “Kunst, zoals je zegt. Niemand ziet de ceremoniële betekenis. Het is alleen maar kunst!” Zo heb ik er zelf ook naar gekeken: kunst, intrigerende kunst, en de ceremoniële achtergrond die spreekt uit de titel en de bijbehorende uitleg neem ik voor kennisgeving aan. Natuurlijk kijk ik er zo naar, met westerse ogen, want ik heb geen andere, net als de Australiërs.

Vince suggereert dat er een groot onderscheid is tussen een ceremoniële uiting en een kunstuiting. Ik betwijfel dat. Aboriginals tekenden op rotsen, schilderden op boombast met natuurlijke pigmenten om aan een plaats betekenis te geven, om dreamings over te dragen en kennis. Hoe jaag je op een emoe? Nou, zó! Het viel me op, in de musea: al gauw na de komst van de blanken begonnen Aboriginals houten panelen en doek te gebruiken: iets om aan de muur te hangen, kunst. Later werden ook moderne verven gebruikt: “Synthetic polymer paint on …” is bij veel kunstwerken vermeld. Heel moeilijk kan de overgang van ceremoniële uiting naar kunst voor de Aboriginal niet zijn geweest. Sommige Aboriginals namen ook de thema’s van de nieuwkomers over. Albert Namatjira, die ik eerder noemde, schilderde heel verdienstelijk aquarellen van landschappen. “When Europeans arrived, the old ways of painting changed … We have changed the law, the old-fashioned way of painting has finished and we are new people doing new kinds of painting together for non-Aboriginal people as well” meldt John Mawurndjul optimistisch. Jonge Aboriginal kunstenaars zijn in hun werk in vrijwel niets meer te onderscheiden van andere jonge kunstenaars, op de betekenisgeving na. In het Museum of Contemporary Art in Sydney is een hele zaal ingeruimd voor een installatie van neonbuizen van Jonathan Jones. Het werk heet “Naa (to see or look)” en verbeeldt de sterrenhemel van Sydney maar ook de relatie tussen William Dawes, de astronoom van de eerste Britse vloot, en de Aboriginals in het licht en donker. Een enkele jonge Aboriginal kunstenaar gebruikt de kunst als protest tegen de manier waarop Australiërs Aboriginals bezien en bejegenen. Brook Andrew heeft een oude foto van een Aboriginal – zo een uit een antropologische studie – gebruikt en op de borst geprojecteerd “sexy and dangerous”, ook in Chinese karakters: zo kijkt de nieuwkomer naar de Aboriginal. Van Tony Albert is ‘Ash on me’, een typografisch werk. Op de letters van het woord ‘ash’ zijn asbakjes geplakt. Van die asbakjes met een fotootje onder het glazuur, zoals er zoveel zijn, in dit geval fotootjes van Aboriginals. Zo’n asbakje gebruik je om de as van je sigaret op de dippen of je sigaret uit te maken. Op een afbeelding van een Aboriginal. Heb je over de betekenis van dat gebaar weleens nagedacht? Van lieverlee kwam bij mij de vraag op of er misschien ook kunstenaars van Europese of Aziatische komaf waren die de Aboriginal beeldtaal of technieken overnamen. Ik heb ernaar gezocht. Ik heb er geen gevonden. De beïnvloeding is eenzijdig.

image

Sexy and dangerous

De relatie tussen Aboriginal en Australië, om binnen het wereldbeeld van Vince te blijven, is moeizaam. Voor een relatie zijn er twee nodig die geïnteresseerd zijn in elkaar, elkaar proberen te begrijpen, voor elkaar ruimte scheppen, misschien zelfs wel dingen van elkaar overnemen. De gemiddelde Australiër is niet geïnteresseerd in de Aboriginal, behalve aan de muur, en beschouwt de Aboriginal zoals in Nederland bijstandstrekkers worden bezien. De tragedie is iets van het verleden waaraan de huidige Australiër part noch deel, laat staan schuld, heeft. Dat geldt al helemaal voor de nieuwe nieuwkomers. “Ze zouden eens vooruit moeten kijken in plaats van voortdurend achterom” is het welgemeende advies. Ook Israëliërs ligt dat advies in de mond bestorven als ze het hebben over Palestijnen. Het is een advies dat past voor hen die aan het langste eind hebben getrokken: als zij nu maar vooruit kijken hoeven wij niet in te leveren. Ook ‘gelijke rechten’ wordt zo gebruikt. “Dit is ook mijn land” zegt de blanke Australiër. “Waarom zouden Joden daar niet mogen wonen?” vraagt de Israëliër over de Westbank. De Australische overheid wil best begripvol zijn zolang het geen geld kost en de economie niet in de weg staat. En de Aboriginals? “Wij hebben genoeg gegeven” meent Vince. Hij straalt iets onverzettelijks uit, hij is met zijn opponent niet meer in gesprek, hij heeft zich ingegraven in die Embassy-tent. Het is een hopeloze positie: die tent doet de Australische overheid al lang geen pijn meer, is zelfs een bewijs van de ruimhartigheid van de overheid – het mag – en een extra bezienswaardigheid in Canberra. Hetzelfde geldt voor dat protest tegen de sluiting van die gemeenschapscentra: het gebruik van het woord ‘genocide’ is geen uitnodiging aan de overheid over de sluiting nog eens na te denken. Zijn er alternatieven voor die tent en dat protest? Vince komt op de Maoris, de inheemse bevolking van Nieuw Zeeland: “Die hebben zich verzet. Ze zijn zelfs op een gegeven moment naar de blanken gegaan en hebben gezegd “We hebben nu fijn oorlog gevoerd. Maar jullie hebben vuurwapens en wij niet. Als jullie ons ook vuurwapens geven wordt het nog veel leuker!” Daaruit begrepen de blanken dat de Maoris niet zouden opgeven en hebben ze een akkoord gesloten.” Ik moest denken aan de Waimiris in Brazilië door wier stamgebied ik in 2005 reisde. Die namen het niet dat de Braziliaanse overheid een weg over hun grondgebied aanlegde. Heel wat wegwerkers en soldaten zijn aan hun gifpijlen blijven hangen, nog veel meer Waimiris stierven door de kogels van de Braziliaanse overheid. Toen de slachtpartij op de televisie in de huiskamers van het westen kwam en de Braziliaanse overheid in verlegenheid bracht, toen zijn beide partijen met elkaar gaan praten en daaruit zijn de Waimiris goed uit gekomen in vergelijking tot minder assertieve indianenvolkeren. Is geweld een alternatief voor die Embassy? Er zijn te weinig Aboriginals om het de overheid echt lastig te maken, de Aboriginals zijn te afhankelijk van de overheid en er zijn te weinig medestanders. Dat wordt niks.

Toch ben ik optimistisch. Ik zie een kans voor ze: de tijd zal het tij doen keren. Door mijn reizen ben ik tot de conclusie gekomen: de westerse samenleving (ik bedoel: de moderne technologische samenleving) loopt regelrecht de ecologische afgrond in tenzij ze in staat is de mens rigoureus van de natuur te scheiden. Zoals het geval is in Japan en in Singapore waarover ik eerder heb geschreven als de Nieuwe Wereld 2.0. Dan valt een beheertaak voor de natuur vrij en die taak zouden de Aboriginals kunnen uitvoeren. Ik zou de Aboriginals aanraden: bevorder de immigratie en laat de zaak maar stevig vervuilen. De wal keert het schip. Daar moet ik nog eens over nadenken.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Australië en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s