Outback

Ik nam afscheid van Dave die mij twee weken lang gastvrijheid heeft geboden, reed de Wallaby Holtze Road uit, sloeg linksaf en draaide Stuart Highway op. Stuart Highway verbindt Darwin in het noorden van Australië met Adelaide in het zuiden, drieduizend kilometer dwars door het continent. Het is een weg met een episch imago, als Route 66 die Chicago met Los Angelos verbond (Route 66 bestaat niet meer; de functie is overgenomen door andere snelwegen). Stuart Highway heeft een paar steunpunten: Alice Springs in het midden en Katherine en Port Augusta, de eerste op driehonderd kilometer van Darwin en de tweede op dezelfde afstand van Adelaide. Halverwege Katherine en Alice Springs ligt Tennant Creek en halverwege Alice Springs en Port Augusta ligt Coober Pedy. Dat is een rekenkundige beschrijving van Stuart Highway: een weg als een hangbrug, dwars over het Australische continent, met pylonen op regelmatige afstanden.

De kompasnaald van mijn navigator wijst pal zuid en zal blijven schommelen tussen zuidzuidwest en zuidzuidoost zolang ik op Stuart Highway blijf. Almaar zuid. Links bos en rechts bos. Open bos want de noordrand van Australië ligt wel in de tropen maar het zijn de droge tropen, met een kort regenseizoen. Af en toe een nederzetting met een ventweg langs de Highway, bungalows met gazons en niemand te zien. De road trains zijn een on-Europese belevenis: reuzenvrachtauto’s met grote neuzen en drie of vier aanhangers. Ze rijden hard, veroorzaken akelige wervelingen, de remweg is een kilometer en een noodstop kunnen ze niet maken. Dave heeft me ervoor gewaarschuwd.

image

Road train

Ik lees de tekens langs de weg. Borden wijzen naar monumenten en herdenkingsplaatsen: airstrips, plaatsen van legerkampen, oorlogskerkhoven. In februari 1942 vielen de eerste Japanse bommen op Darwin. Singapore werd bezet en de Filipijnen en Nederlands Indië en plotseling stonden de Japanners voor de achterdeur van Australië. Vanaf Kupang is het maar een uurtje vliegen, de Zee van Timor over. Darwin kreeg in twee jaar tijd vierenzestig luchtaanvallen te verduren. De Japanners vlogen hun bommen tot aan Katherine. De burgerbevolking van Noord Australië werd grotendeels geëvacueerd naar het zuiden over Stuart Highway die toen nog een zandpad was. In de loop van 1943 werden de rollen omgekeerd; vandaar die airstrips en legerkampen. Ik bezocht het oorlogskerkhof van Adelaide River. Het ziet eruit als elk ander oorlogskerkhof: piekfijn onderhouden – het gras egaal gemaaid, de struiken gesnoeid, verwelkte bloemen weggehaald – en op de uniforme grafstenen staan de woorden die mensen gebruiken als ze sprakeloos zijn. Veel “forever” en “duty” – “The path of duty is the way to glory”. Het is een klein kerkhof en dat van Katherine is niet groter. De oorlog hier was vooral een lucht- en zeeoorlog. Die produceert evenveel doden als een landoorlog maar laat er minder te begraven.

Na Katherine dunt het verkeer uit tot road trains en een enkele toerist met een caravan of een camper. Ik verlaat de economische zone van Noord Australië. En tegelijkertijd de tropen. Het bos maakt plaats voor de savanne en die gaat geleidelijk over in een steppe. Het landschap van Centraal Australië: een vlakte met een almaar wijkende horizon en baksteenrode bodems onder een blauwe hemel. Struiken en gras. Leegte. Een enkele kop benadrukt de leegte.

image

Outback

De weg en de horizon vormen een ‘T’ die de wereld verdeelt in drie segmenten en dat zal tot Port Augusta zo blijven. Borden langs de weg vertellen het verhaal van de outback,  het Australische binnenland. “Floodway”: de waarschuwing voor een laagte die na een regenbui vol kan lopen met water. Op de vlakte kan het water niet weg; er is geen drainagestelsel dat het regenwater afvoert. “Unfenced road – Beware of cattle”. Ik passeer toegangspoorten van cattle stations; erachter liggen boerderijen ter grootte van de Noordoostpolder; een boer zoekt zijn vee met een helikopter. Bij sommige staat een bord “Private Property – Keep out!!” Zou er een Australische variant bestaan van ‘Boer zoekt vrouw’? Langs de weg ligt een enkel gehucht waar mensen met wanen leven. Wycliff Well beschouwt zichzelf de “UFO capital of Australia”. “Next service 86 km” verwijst naar een road station, een tankstation met een hotel, restaurant en caravanpark.

image

Langs de weg een enkel gehucht waar mensen met wanen leven

John Stuart, naar wie de Highway is genoemd, was de eerste die het continent van zuid naar noord doorkruiste. In 1862 kwam hij in Darwin aan. Hij deed het weliswaar in etappes maar het was beslist een huzarenstukje. Denk je in: drieduizend kilometer door de wildernis! Het was de tijd van de moderne ontdekkingsreizen, van de zoektocht naar de bronnen van de Nijl, de tijd van Livingstone en van Stanley. En van Stuart; daarom deed hij het. En om de route te verkennen voor de aanleg van een telegraaflijn. Die lijn kwam er in 1872, verbond Adelaide met Darwin en via een onderzeese kabel met Nederlands Indië en vandaar met de rest van de wereld. De aanleg van de Overland Telegraph Line was net zo’n huzarenstukje als Stuart’s expedities. Het in werking houden ook. Aboriginals stalen de isolatoren om er pijlpunten en de draad om er vishaken van te maken. En ze vielen de posten aan; althans in de blanke versie van het geschiedenisverhaal. Op West Terrace Cemetery in Adelaide staat een monument voor de omgekomen medewerkers van de Telegraph Line. James Lorenzo Stapleton, station master van Barrow’s Creek, werd gedood – “speared” meldt het monument met een verwijzing naar het moordwapen – bij een aanval op 22 februari 1874. John Frank kwam om bij dezelfde aanval. Ernest Flint werd gewond en stierf korte tijd later in Alice Springs. Charles Henry Johnston werd met een speer gedood bij een aanval op de post van Daly Water op 29 juni 1875. Abram Daer bij Roper River op dezelfde datum. “This monument was erected by the officers and men on the Overland Telegraph Line in memory of their comrades who were treacherously murdered by the blacks whilst in the discharge of their duty” meldt het monument verongelijkt.

image

… treacherously murdered by the blacks …

John Stuart had geen problemen met de Aboriginals. Hij respecteerde ze en hij was een reiziger die kwam en ging. Geen bedreiging. Met de telegraaflijn kwamen de Europese kolonisten en de Aboriginals begrepen dat ze bleven. De kolonisten schoten de Aboriginals af of vergiftigden ze, in de Aboriginal-versie van het geschiedenisverhaal. Voor de vermoorde Aboriginals staat er op West Terrace Cemetery geen monument.

Mijn reis van noord naar zuid is geen huzarenstukje. Stuart Highway is keurig geasfalteerd en erlangs liggen de stations waar ik benzine koop en een maaltijd en waar ik overnacht op een camping met toiletten en een douche. Water om te douchen: wat zou John Stuart daarvan hebben gevonden? Ik passeerde Daly Water waar Charles Johnston werd vermoord en dat nu een outback pub heeft. Voor mij is reizen door Centraal Australië als reizen door andere droge gebieden, met de wind die opsteekt zodra de zon opgaat, aanwakkert en gaat liggen bij het vallen van de avond. Op de steppe en in de woestijn waait het altijd. En met vliegen. In droge streken zijn altijd vliegen maar hier, op de Australische Vlakte, zijn er wel heel erg veel. Zodra ik stop komt de eerste en even later tientallen. Ze zoemen rond mijn hoofd, kriebelen op mijn wang, kruipen in mijn oren en neusgaten en in mijn mond als ik die opendoet. Die vliegen doen eigenlijk niks, ze steken niet, ze bijten niet. Denkelijk zijn ze op zoek naar het zout van zweet. Waar komen ze vandaan? Zwerven ze rond, op zoek naar een mens of dier? Waarschijnlijk niet; ik vind ze niet verpletterd op de koplamp van mijn motor of op het vizier van mijn helm. Zitten ze dan ergens te wachten, langs de kant van de weg onder het blad van een boom of zo? Hoe lang moeten ze dan wel niet wachten? De kans is klein dat een voedselbron in de buurt van die boom stopt. Sinds mijn eerste kennismaking met die vliegen, in de Syrische Woestijn in 2001, heeft het vraagstuk van hun herkomst me geïntrigeerd.

Driehonderdvijftig kilometer van Alice Springs – ‘in de buurt’ –  liggen de natuurlijke beeldmerken van Australië: Uluru en Kata Tjuta. Foto’s ervan staan op elke toeristenposter van Australië. Om er te komen nam ik de Ernest Giles Road die honderdvijftig kilometer ten zuiden van Alice Springs van Stuart Highway afsplitst. Die weg is een piste. Collega-motorrijder Moritz had die weg vóór mij genomen en ervoor gewaarschuwd: vreselijk wasbord. Hij schreef: “De brandstofpomp van mijn motor is afgebroken, de knipperlichten en de claxon.” De beste manier om wasbord te rijden is snelheid maken; minimaal 40 kilometer per uur maar zestig is beter en tachtig nog beter. Ik vond het wasbord meevallen, ik reed tussen de zestig en tachtig kilometer per uur. Het ging goed, het ging héél goed. Totdat ik in een bocht diep zand tegenkwam. Ik zag het en wist het: te laat. Met zestig kilometer per uur ging ik onderuit. Het was een klap. De schade viel mee: het draagrekje van de jerrycans was afgebroken, ikzelf had een tand door lip en gekneusde botjes. Over dat diepe zand had collega-motorrijder Moritz niets geschreven. Ik had het kunnen weten als ik de tekens langs de weg had gelezen: zandduinen, weliswaar begroeid maar toch: duinen. De laatste zestig kilometer van de Giles Road, die ik had gedacht in twee uren af te leggen, waren vergeven van diep zand waarover ik bijna vijf uren heb geworsteld. Ik heb gevloekt, niet op God en niet op Moritz maar op mezelf: waarom moest ik zonodig …? Ik had ook Lasseter Highway kunnen nemen die prima is geasfalteerd.

image

Kata Tjuta

Ik zag Uluru en Kata Tjuta – het zijn niet alleen iconen van Australië maar ook toeristische hotspots – en nam, heel verstandig maar ook saai, de Lasseter terug naar Stuart Highway. Ik nam me voor voortaan de piste te mijden; mijn motor heeft straatbanden, die hebben een hard oppervlak nodig en zijn onhandelbaar in zand. Ik reed Stuart Highway all the way tot Coober Pedy. Daar was ik het zat. Ik was de keurige saaiheid zat van Stuart Highway, dat almaar rechtuit zonder dat je er iets voor hoeft te doen. Ik was ook bang om bang te worden, de piste niet meer te durven. En ik wilde de outback zien, weg van de weg, weg van de beschaving; misschien zou ik de woestijn ontmoeten in plaats van die eindeloze steppe.

image

Stuart Highway; de weg en de horizon vormen een ‘T’ die de wereld verdeelt in drie segmenten

Coober Pedy heeft een informatiekantoor voor de wegen in de Outback. Ik informeerde naar de weg naar William Creek. “Het heeft in maanden niet geregend dus die is goed. Nee hoor, geen zand; leem en grind maar geen zand.” Naar William Creek is honderdzestig kilometer, daar heb ik vier uren voor nodig, het is twee uur in de middag dus het is te doen. Ik besloot het te doen. Ik reed eerst voorzichtig veertig kilometer per uur, daarna vijftig en uiteindelijk zestig. Het was gewoon een goede piste. De steppe dunde uit tot een woestijnsteppe, borstelige graspollen en een kiezelvloer en zand tot aan de horizon. Een familie emoes kruiste de weg in looppas met de gratie van ballerina’s in het Zwanenmeer. Ik was in mijn element, in de woestijn en helemaal alleen in het eindeloze niets. Om vijf uur was ik nog maar veertig kilometer van William Creek, de zon stond laag en wierp gouden glans over de vlakte. Ik was betoverd. Misschien kwam het daardoor; ik zag het teken, het dieper wordende spoor, maar verbond er geen conclusie aan. In een bocht van de weg was de leemlaag kapot gereden tot op het onderliggende zand. Ik ging onderuit, voor de tweede keer. Ik kwam onder de motor terecht. Die draaide nog. Ik kon niet bij de contactsleutel, wel bij de benzinekraan. Die draaide ik dicht zodat de motor er na een tijdje vanzelf mee ophield. Ik kon er niet onder uit en er kwam niemand voorbij om te helpen. Vijf uur in de middag en wie wil er dan naar William Creek? Ik kon bij het pakje sigaretten in mijn jasje, nam er een en de aansteker om de situatie te overdenken. Toen zag ik benzine uit de tankdop druppelen. Beter niet. Het lukte mezelf onder de motor uit te graven. De schade viel deze keer niet mee: windscherm gebroken, spatbord gebroken, kuip aan de rechterzijde ingedrukt, stuur ontzet, knipperlichtjes afgebroken. Het vizier van mijn helm was zwaar bekrast en mijn horloge en mijn bril, mijn motorbroek was aan flarden en ik had een bebloede kop. Ik heb het windscherm verwijderd, het spatbord met tape gespalkt, het stuur rechtgezet, de knipperlichten met trekbandjes vastgemaakt en het bloed van mijn kop gewist. Het was bij zessen toen ik weer op de motor klom, in het staartje van het licht en ik moest nog veertig kilometer. De nacht viel, ik reed stapvoets, zag konijnen de weg oversteken en bereikte om half acht William Creek. Ik heb twee biertjes in de bar gedronken en het “Are you allright, mate?” zo beleefd mogelijk genegeerd.

William Creek is een station: een benzinepomp met een winkel, een pub met een restaurant en hotelaccommodatie en een caravanpark. Meer is er niet. Op de benzinepomp hangt een briefje: niet meer dan dertig liter, alstublieft, u bent niet de enige. Een liter benzine kost twee dollar twintig, een biertje acht dollar en een halve liter mineraalwater vier dollar. Water is hier duurder dan benzine. Het kraanwater is zout. De pub is een trefpunt voor de bewoners van de cattle stations in de verre omtrek. Ze komen met bakkies. Meiden op sneakers en een gezicht dat nooit door make-up is aangeraakt. Wie gebruikt er make-up in de outback? Jongens en mannen op laarzen, een Stetson op het hoofd of een cap met de zonnebril erop geklemd, twee riemen. Een riem dient om de broek op te houden, de ander hangt eroverheen en herbergt mes en aansteker. Ik vraag naar de toestand van de Oodnadatta Track tot Marree, tweehonderd kilometer piste verderop. “Currogated” zegt er een, maar na Coward Springs wordt het beter. Hoever is Coward Springs? Hij weet het niet. Wie moet er nou naar Coward Springs of Marree?

image

William Creek, een road station

De volgende ochtend heb ik de schade aan de motor geïnspecteerd. Het ziet er ernstig uit maar het is blikschade, buitenkant. Motorisch vind ik geen schade. De radiator lekt niet, de accu zit op zijn plaats en heeft niet gelekt, ik zie geen oliesporen, de motor start onmiddellijk en reageert goed op het gas. Het remsysteem werkt normaal en aan het bagagerek zie ik geen schade. En ik inspecteer mezelf: schaafwonden in mijn gezicht en een bloeduitstorting boven mijn neus, schaafwonden aan mijn linkerbeen en een pijnlijke rechterenkel. De motor kan verder en ik kan verder. Zal ik het doen, de Oodnadatta Track, of terug naar Coober Pedy en verder over de veilige saaie Stuart Highway? De Oodnadatta Track volgt ongeveer de route die John Stuart heeft afgelegd. Ik besloot het te doen, de Oodnadatta Track. Ik vertrok om elf uur, na de inspectie van de motor en zonder ontbijt want “we hebben vandaag geen kok” (ik vroeg om toast met gebakken eieren). Tweehonderd kilometer: als ik maar dertig kilometer per uur rijd, dan haal ik Marree vóór zonsondergang. De Track is goed; wel veel wasbord maar de smalle grens tussen spoor en grind is redelijk wasbordvrij. Er ligt zand, maar nergens diep zand. Ik reed niet harder dan veertig kilometer per uur, tuurde het wegdek af op zoek naar aanwijzingen voor diep zand, remde af bij elke kleurverandering van het wegdek en voor elke laagte en elke bocht. Tot Coward Springs, zeventig kilometer verderop, kwam ik één tegenligger tegen. Coward Springs is een oase met een artesische bron die zoutig water geeft. Ooit liep er een spoorlijn langs waarvoor Springs een waterplaats was. Het tracé ligt er nog. Veertig kilometer na Coward Springs passeert de Oodnadatta Track Lake Eyre South, een zoutvlakte. Zestig kilometer vóór Marree ligt een beeldenpark, kunst uit oud ijzer. Het doet me denken aan El Mano del Deserto in de Atacama Woestijn in Chili. Kunst in eenzaamheid. Ik kwam een motorrijder tegen – aan de ontmoeting heb ik een adres in Brisbane overgehouden – en verder niemand meer tot Marree. De laatste kilometers leg ik in het donker af. Over tweehonderd kilometer heb acht uren gedaan maar ik ben in Marree gekomen zonder ongelukken. Ik heb genoten van het rijden, van de vlakte tot de horizon en de eenzaamheid van de outback.

 

image

Oodnadatta Track

Ik verliet Marree vroeg in de ochtend voor de laatste tachtig kilometer piste. Bij Lyndhurst begint het asfalt van de B83 naar Port Augusta. De piste was gemakkelijk – een hard oppervlak, weinig wasbord en grind, geen zand – maar het asfalt een verademing. Heerlijk saai! Saaiheid wordt gewaardeerd na spanning. In Lyndhurst – “Welcome to Lyndhurst” staat op een bord – is geen mens te zien, het benzinestation met winkel en cafetaria is voor onbepaalde tijd gesloten en de rolluiken van het community centre zijn naar beneden. Ik ben nog steeds in de outback. Quorn, tweehonderdvijftig kilometer verderop, is de eerste echte stad. Een stadje waarvan de naam op mijn kaart in een vetter lettertype is gedrukt dan die van Marree. Marree is een frontier post waar de strijd met de wildernis wordt geleverd, in Quorn is die strijd beslist in het voordeel van de beschaving. Langs Railway Terrace, de hoofdstraat, liggen een paar hotels en kerken, het postkantoor, de politiepost en het treinstation. Hotels met veranda’s, gietijzeren pilaren en kroonlijsten. Achter Railway Terrace liggen straten in een rechthoekig patroon met een minder aanzienlijke bebouwing dan die langs de hoofdstraat maar met dezelfde sfeer van voldaanheid. De beschaving is gebracht door de Great Northern Railway. De Great Northern liep over Quorn en Leigh Creek naar Marree en verder over Coward Springs naar het noorden. Voor Marree heeft ze haar heilzame werking niet meer kunnen doen: de spoorlijn is opgeheven – het spoor bij Quorn wordt door enthousiastelingen in leven gehouden voor een toeristentrein – en daarmee is de bron van beschaving verdwenen. Waar leeft Quorn nu van? Ik vraag het mijn buurman in de pub. “Graaaazing and faaaaarming and tourists”. Hij spreekt het woord “tourist” afgeknepen uit zoals de voormalige Amerikaanse president Bush het woord “terrorist” uitsprak en misschien heeft hij er dezelfde opvatting over. Ter verduidelijking voor de stedeling voegt hij er aan toe: “Graaaazing is cattle, faaaarming is barley”. Slik de ‘tt’ in – “ke-l” en laat de ‘b’ van barley in je mond exploderen. Dat is Quorn.

image

Quorn, Railway Terrace

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Australië en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s