De tragische geschiedenis van Timor Leste

Timor Leste, ‘Oost Timor’ in het Nederlands, is ongeveer veertienduizend vierkante kilometer groot, een derde van Nederland, en het heeft iets meer dan een miljoen inwoners waarvan een kwart in de hoofdstad Dili woont. Dili is niet alleen hoofdstad, het is ook de enige stad; alle andere plaatsen zijn dorpen. Liquica is de enige mij bekende plaats die je een stadje zou kunnen noemen als je heel ruimdenkend bent. Maar dan moet je echt héél ruimdenkend zijn. Langs de noordkust loopt de hoofdweg van het land, van Batugada aan de grens met Indonesisch Timor in het westen via Dili naar Com op de oostpunt van Timor. Die weg zou, volgens de Lonely Planet, goed zijn. Ik heb die weg gereden, van Batugada tot Dili. Ik vind die weg niet goed, voor verbetering vatbaar. Daaraan wordt ook gewerkt en dat is de voornaamste reden waarom die weg nu niet goed is. Ik weet niet hoe goed de weg is van Dili verder naar het oosten; ik heb van reizigers sombere verhalen erover gehoord. De wegen die van die hoofdweg het binnenland in gaan, door de bergen naar de zuidkust, zijn allemaal afschuwelijk slecht: alleen berijdbaar met een four wheel drive of een vrachtauto, buiten het regenseizoen.

Ik kan niet claimen dat ik Timor Leste heb gezien. Ik was veroordeeld tot Dili, om mijn motor voor te bereiden op het transport naar Australië. Zonder eigen vervoer ben ik aangewezen op busjes: zes tot acht uren hobbelen naar Com en waar kom je dan? In een dorp. Wie nog meer moeite doet kan Lospalos bereiken en vandaar Jaco Island. De laatste tien kilometer moet je lopend afleggen. Reizigers die het hebben gedaan vertellen dat Jaco “heel mooi” is. Wat er dan heel mooi aan Jaco is, kunnen ze me niet uitleggen. Het is gewoon “heel mooi”. Ik vermoed dat ze Jaco “heel mooi” noemen om de ontberingen te rechtvaardigen die ze hebben geleden om er te komen. Was Jaco niet “heel mooi”, ze zouden huilend van ellende zijn neergevallen. De Lonely Planet wijst op de stranden, de snorkel- en duikmogelijkheden en de fabulous landscapes met watervallen en lispelt tussen de regels door iets over de logistieke problemen om dat moois te bereiken. De Lonely Planet kan niet schrijven “begin er niet aan” want daarmee verkoop je geen reisgidsen. Het is wel de ervaring van menig bezoeker. Ik ontmoette ze bij East Timor Backpackers: ze komen ingevlogen van Bali, van Singapore, zelfs van China, ontdekken dat ze in de val gelopen zijn, blijven een paar dagen zonder zelfs maar de stranden en snorkelmogelijkheden van Dili te hebben beproefd – er is een mooie baai met een strand en koralen en vissen achter het Christus Rei standbeeld maar dat is wel zes kilometer buiten de stad en er gaat geen bus naar toe – en stappen dan weer in het vliegtuig.

Dili mag dan een stad zijn, misschien de enige van Oost Timor, onder de hoofdsteden van de wereld is het beslist een dorp. Het heeft geen in het oog lopende monumenten op het Christo Rei standbeeld na, het grootste Christusbeeld ter wereld na dat van Rio de Janeiro. Het ligt buiten de stad op een kaap. Met wat goede wil – voor Timor Leste heb je veel goede wil nodig – zou de klokkentoren die eruit ziet als een kromme schroef en het beeld in de Jardim de 5 Maio van de inboorling die de ketenen van het kolonialisme breekt ook tot de bezienswaardigheden gerekend kunnen worden. Nog meer bezienswaardigheden? Het presidentieel paleis misschien, een vriendelijk ogend wit gebouw dat de president, naar verluidt, deelt met een jongerencentrum. Of het gerenoveerde okergeel geschilderde Portugese gebouwencomplex dat de Europese Unie huisvest: “Samen werken wij aan een beter leven voor Oost Timor.” Wordt het presidentieel paleis en het Uniegebouw als bezienswaardig aangemerkt, dan ook de vele uitgebrande en ingestorte gebouwen, waarvan alleen betonskeletten zijn overgebleven, die de binnenstad ontsieren. Ze vormen de duistere achtergrond van de eerder genoemde bezienswaardigheden.

image

Het onafhankelijkheidsmonument: de inboorling die de ketens van het kolonialisme verbreekt

Dili heeft geen hoogbouw, op één gebouw na waarvan de hoogte en de postmoderne arrogantie benadrukt worden door de nederige bebouwing in de directe omgeving, huisjes van hout en golfplaten daken. Timor Plaza, het enige winkelcentrum van de stad, tekent Dili. Er is geen groter verschil denkbaar dan tussen de schitterende shopping malls van Singapore of Kuala Lumpur en Timor Plaza: vaal geel licht, geen glimmend chroom, geen airconditioning en rommelige winkeltjes die goedkope spullen verkopen. Het meest bijzondere aan Dili: het is er schoon, onnatuurlijk schoon voor wie de steden van Indonesië en India is gewend. Er ligt geen snipper – werkelijk: geen snipper – papier of plastic of vuilnis op straat en de parkjes en plantsoenen zijn keurig onderhouden. Het is een wonder.

Dili is het dorp onder de hoofdsteden. Desondanks is het leven er goed voor de Timorees, de enkele toerist en de expat met een gevulde portemonnee. Dat laatste is een voorwaarde voor het goede leven want Dili is duur. Een biertje? Bij East Timor Backpackers kost een grote fles Bintang viereneenhalve dollar. Timor Leste is vastgenageld aan de Amerikaanse dollar. In andere gelegenheden vijf tot vijfeneenhalve dollar. Dat is veel geld. Dili heeft, voor haar dorpsrang, een opmerkelijke variëteit aan restaurants. In de onmiddelijke nabijheid van East Timor Backpackers vind ik een Indiaas, Thais en Chinees restaurant. Langs de strandboulevard serveren restaurants steaks, pizza’s en pasta’s. Reken op vijftien tot twintig dollar, inclusief een stevige Bintang. Ik eet meestal bij Resto Mama, een Indonesisch restaurant in Padangstijl waar de maaltijd, afhankelijk van de keuze, tussen de vier en de zeven dollar kost, inclusief een es teh (ijsthee). Dat is betaalbaar. In Dili is geen vestiging van Starbucks en ook niet van McDonald’s maar er is wel één Burger King. De afwezigheid van internationale fastfood ketens wordt ruimschoots goed gemaakt met trendy ingerichte lunchrooms die goede koffie serveren en sandwiches en gebak.

Is Dili welvarend? Wie het verkeer bekijkt op de Avenida Almirante Americo Tomas, de slagader van de stad, ziet veel SUV’s, een enkele Jeep en Hummer. Ik weet niet wie daar in zitten, de ruiten zijn getint. De klanten van de upmarket restaurants en lunchrooms zijn vrijwel uitsluitend expats. Bij Resto Mama eten Timorezen. Waar ik mijn bord laat volladen met de heerlijkheden van de Indonesische keuken, beperken zij hun keuze tot rijst, wat groenten en een visje. Twee dollar. Ik vraag me af hoe Resto Mama het volhoudt. De afwezigheid van Starbucks spreekt boekdelen: die keten opent pas een filiaal in een stad als er een voldoende en stabiel welvaartsniveau is bereikt. Vestigt zich een Starbucks, dan mag een gemeentebestuur gerust een flesje opentrekken: de vestiging heeft dezelfde betekenis als een triple-A waardering van Standard&Poor’s. De werkelijkheid is: Timor Leste, en ook Dili, is straatarm. Niet een beetje arm – armoede in de kieren en hoekjes van de welvaart – nee, echt straatarm. Het gemiddelde inkomen bedraagt vierhonderd dollar per jaar. Gemiddeld: inclusief de SUV-, Jeep- en Hummerbezitters, voor zover dat Timorezen zijn. Gemiddeld inkomen: stad en platteland samen. Een stad is altijd welvarender dan het platteland. Hoe erg is het op het platteland? De dorpen die ik passeerde tussen Bataguda aan de grens met Indonesisch Timor en Dili: rieten hutten. Het contrast tussen Timor Leste en Indonesisch Timor is groot. In Indonesisch Timor zag ik langs de weg vooral stenen huizen, fleurig geschilderd en met een tuintje.

Het aanzicht van een stad verwijst soms naar een glorieus verleden, bijvoorbeeld dat van Amsterdam, soms naar een toekomst van onbegrensde technologische mogelijkheden en de Nieuwe Mens, zoals Singapore, of naar een acuut heden zoals Rio Grande dat eruit ziet alsof het ieder moment zou kunnen worden opgedoekt. Het aanzicht van Dili verwijst naar het verleden en dat is een tragisch verleden. Vierhonderd jaar lang was Timor Leste een kolonie van Portugal. Daar hebben de Timorezen weinig van gemerkt, tot in de twintigste eeuw toen Portugal economisch aan de grond kwam en het nodig vond de koffieproductie op te voeren door arbeidsdwang. De Portugezen hebben weinig achtergelaten. Nauwelijks wegen, nauwelijks scholen. In Dili herinneren het gebouw waarin nu de Europese Unie is gehuisvest, de vuurtoren, de Motael kerk en het onaanzienlijke monumentje voor Hendrik de Zeevaarder aan de Portugese tijd. Portugal is meer terug te vinden in de gelaatstrekken van de mensen – er schemert iets onder die donkere huid, iets dat ik niet kan definiëren maar dat mij herinnert aan de Angolezen – in de taal en in de producten in de supermarkt. In 1974 stortte de volkomen verkalkte dictatuur van Salazar in – de Anjerrevolutie, een van de weinige keren dat militairen de democratie herstelden – en brak het besef van de onhoudbaarheid van het koloniale rijk door. In Portugees Timor ontstonden drie partijen: een die voor onafhankelijkheid was, een die opteerde voor een protectoraat onder Portugal en een die aansluiting bij Indonesië voorstond. “Fijn” zou je zeggen “er valt iets te kiezen” maar de Timorezen waren op die keuze niet voorbereid. Net zomin als de Mozambikanen en de Angolezen. Gevechten braken uit – de Portugezen namen de benen – en die strijd werd gewonnen door de onafhankelijkheidsbeweging. Dat waren langharige bebaarde jongelui met een vaag-links gedachtengoed, Chequevara types (nu zijn bebaarde jongelui ‘islamisten’). Daar waren Indonesië, Australië en de Verenigde Staten niet van gediend. Indonesië wilde graag dat laatste ontbrekende stukje aan haar eilandenrijk toevoegen en Australië en de Verenigde Staten waren het daarmee van harte eens. Beter de dictator Suharto, die al tot zijn enkels in Indonesisch bloed stond, dan baardige types als buurman. En de verlokking van de olie, natuurlijk. In 1989 sloten Gareth Evans, minister van buitenlandse zaken van Australië, en zijn Indonesische collega Ali Alatas een verdrag over de verdeling van de zee en de bodemschatten van Timor: de Timor Gap Treaty. Van die roof hangt een uiterst compromiterende foto in het Verzetsmuseum in Dili: de rovers heffen het glas in het vliegtuig, vliegend over de Timor Zee. In het Verzetsmuseum mag niet worden gefotografeerd maar ik heb de foto gevonden op het internet en hieronder opgenomen. Evans glundert van hebzucht. In dat museum hangt nog een compromiterende foto, een van een verslag van een gesprek tussen de Amerikaanse ambassadeur in Djakarta en Indonesische regeringsvertegenwoordigers: het mag mits de Indonesiërs niet al te opzichtig met Amerikaanse wapens zwaaien.

image

De rovers toasten op de verdeling van de buit

Een week na het uitroepen van de onafhankelijkheid, in 1977, voerden de Indonesiërs een invasie uit met land-, lucht- en zeestrijdkrachten. Het viel tegen: Oost Timor is bergachtig, de wegen slecht en het Fretilin taai. Het lukte, met wreedheid en meedogenloosheid, met een ‘omsingel en uitroei’-tactiek en door mensen als schild te gebruiken. Na jaren van strijd werd Oost Timor ingelijfd als de zevenentwintigste provincie van Indonesië. Suharto liet het Christusbeeld neerzetten en de grote kathedraal en het standbeeld van de inboorling (daarmee heeft Suharto zich lelijk in de vingers gesneden: stond dat beeld voor de bevrijding van het kolonialisme, nu staat datzelfde beeld voor de bevrijding van het Indonesische juk). De paus kwam een jaar later, zegende het Christusbeeld en de kathedraal en wiste daarmee de bezoedeling door Suharto’s handen. Indonesië beweert dat ze wegen heeft aangelegd, scholen heeft gebouwd en de levensstandaard heeft verhoogd. Dat kan zijn, maar de Timorezen legden zich toch niet neer bij het verlies van hun vrijheid; er waren protesten, demonstraties en opstootjes waartegen het Indonesisch leger optrad met dezelfde meedogenloosheid als waarmee ze de bezetting hadden uitgevoerd. Militair stelde het Fretilin weinig voor, wat speldenprikjes, maar publicitair hadden ze meer succes. Dankzij de Indonesische bruutheid, dankzij de komst van de paus die de aandacht op Oost Timor vestigde, dankzij journalisten die van het onrecht verslag deden zonder op hun verzekeringspolis te letten en dankzij televisiekijkers die nog geschokt konden worden. Australische journalisten zagen de voorbereidingen voor de invasie. Ze werden uit hun huis gehaald en geëxecuteerd. Ze zijn later bekend geworden als de Balibo Five (Balibo is het dorp waar het gebeurde). De Indonesische regering én de Australische wisten die vijfvoudige moord onder het tapijt te schuiven (Pas in 2007 is de toedracht komen vast te staan, inclusief de Australische rol bij het verdonkeremanen). Natuurlijk lekten de wreedheden uit; de beelden kwamen op de televisie, schokten de mensen in de Verenigde Staten en Australië en de steun voor de houding van hun regeringen – net doen of er niets aan de hand is – nam af. Een gebeurtenis die bekend is geworden als het ‘Santa Cruz Massacre’ deed de publieke opinie definitief omslaan. Het was de begrafenis van Sebastiao Gomes, een protestleider. Hij had zijn toevlucht gezocht in de Motael Kerk, was er door Indonesische soldaten uitgehaald en op het plein voor de kerk doodgeschoten. Natuurlijk leidde zijn begrafenis op het Santa Cruz kerkhof tot demonstraties. De sfeer zal rellerig geweest zijn maar volgens getuigen zeker niet gewelddadig. Het leger kwam en begon in het wilde weg te schieten. Het resultaat: tweehonderd doden. Later zijn er in ziekenhuizen en op politiebureaus nog eens tweehonderd vermoord. Er was een Australische cameraploeg bij die begrafenis. Ik heb de beelden van de schietpartij bekeken in het Verzetsmuseum. De verslaggever heeft dekking gezocht achter een grafsteen. De angst is van zijn gezicht te lezen en in zijn stem te horen maar hij gaat door, vertelt wat er gebeurt; links en rechts vallen mensen. Het zijn lugubere beelden. Ik heb het Santa Cruz kerkhof bezocht. Er staat geen monument voor de slachtoffers. Ik heb naar het graf van Sebastiao gezocht – het kerkhof ligt werkelijk eivol – en gevonden. Hij is erop vooruit gegaan: het eenvoudige blauw-wit geschilderde kruis, dat zijn graf volgens een foto in het Verzetsmuseum markeerde, is vervangen door een monumentale steen met een mooie buste en een plaquette. Toch een monument.

image

Het graf van Sebastiao Gomes

De Amerikanen zagen dat de moordpartij uitgevoerd werd met Amerikaanse wapens en in Australië kreeg de foto van de glunderende Evans een heel nare bijsmaak. Indonesië verloor de steun van de Verenigde Staten, van Australië en van de rest van de ‘beschaafde’ wereld maar het was de Aziatische Crisis die Indonesië op de knieën kreeg. De Indonesische Rupiah maakte een duikvlucht, de staat balanceerde op het randje van bankroet, het regende faillissementen, er braken rellen uit, er werd geplunderd – vooral de Chinezen kregen klop – en het leger verloor de controle. Suharto hield het voor gezien en liet de puinhoop over aan zijn vicepresident Habibi. Habibi had belangrijkere zaken dan Oost Timor aan zijn hoofd, wilde van geen toegeven weten maar zonder de steun van de Verenigde Staten en haar diepe zakken was Indonesië reddeloos verloren. Hij stemde in met een referendum door de Verenigde Naties over de toekomst van Oost Timor. Hij moest wel. In de aanloop naar het referendum terroriseerden het Indonesisch leger en pro-Indonesische milities de straten en intimideerden de bevolking. Toch koos bijna tachtig procent van de Timorezen voor onafhankelijkheid. Toen brak de hel pas echt los. Het leger en de milities rampokten het land en moordden bij duizenden. Vijfenzeventig procent van de gebouwen werd verwoest, waterleiding, elektriciteits-voorziening en telecommunicatie werkten niet meer. Oost Timor had haar Stunde Null. In een van haar zeldzame momenten van besluitvaardigheid stuurde de Verenigde Naties een vredesmacht en nam het bestuur over. En de NGO’s kwamen natuurlijk ook, helpers met een delicate balans tussen hun goede bedoelingen en hun salaris. Daarom zijn er zoveel upmarket restaurants en lunchrooms in Dili. Ze herstelden de water-leiding, de elektriciteitsvoorziening en de telecom. De straten en de goten werden gerepareerd. Het ziekenhuis van Dili en de universiteit zijn bij de tijd gebracht en ook de politie, de brandweer, de vuilnisophaaldienst en het leger. Met een katapult werd Oost Timor als het ware de eenentwintigste eeuw in geschoten. Er zijn bakken geld uitgegeven waarvan een groot deel terecht kwam in de zakken van de snelle jongens van binnen en van buiten. Daarom zijn er zoveel SUV’s. De armoede en werkloosheid is natuurlijk bestreden en daardoor is Dili zo onnatuurlijk schoon. Vooral de landen met een slecht geweten hebben bijgedragen. Niet alleen Australië en de Verenigde Staten maar ook Japan dat in de Tweede Wereldoorlog op Timor vreselijk heeft huisgehouden – een monumentje voor de doodgemartelde Arturo Rezende is de enige tastbare herinnering in Dili aan het Japanse optreden – en de Europese Unie vanwege Portugal. China heeft in de buidel getast, vast en zeker om politieke redenen en misschien ook met een schuin oog op de olie. De president van Indonesië Abdurahhman Wahid is gekomen en heeft “sorry” gezegd. Dat vind ik een kerel. In 2002 was het karwei geklaard en werd de onafhankelijkheid van Timor Leste uitgeroepen. Voor de tweede keer. Die hele geschiedenis wordt uit de doeken gedaan in het Verzetsmuseum dat tot stand is gekomen dankzij de ruimhartige bijdragen van het bedrijfsleven dat stevig heeft geprofiteerd en van de landen met een slecht geweten.

Voor het Verzetsmuseum houdt met de onafhankelijkheid de geschiedenis op maar die loopt in werkelijkheid natuurlijk gewoon door. Nog geen half jaar na de onafhankelijk-heid sloeg de vlam in de pan omdat de Timorezen geen toekomst zagen. In 2006 beleefde Timor Leste opnieuw een crisis. De regering vertrouwde het leger niet en ontsloeg de helft van de soldaten op staande voet. Dat was niet handig, om het maar diplomatiek te zeggen, want die jongens worden kwaad en hebben wapens. Honderdvijftigduizend mensen sloegen op de vlucht voor het geweld en de Australiërs konden terugkomen om de orde te herstellen. In 2008 werd een moordaanslag op  president en Nobelprijs-winnaar Ramos-Horta gepleegd – hij overleefde – en er vonden ernstige rellen en plunderingen plaats. De Australiërs konden opnieuw terugkomen. Denk niet min over de Timorezen: de subtiliteit van besturen én van bestuurd worden moet geleerd worden; dat komt niet vanzelf. ‘Subtiliteit’ betekent dat democratie niet altijd gelijk is aan de helft plus een, dat de bevoegdheid om een handtekening te zetten niet altijd gebruikt kan worden en dat een bestuur niet zomaar aan de kant kan worden geschoven omdat het niet bevalt. Het duurt even, niet alleen in Timor Leste. Denk aan onze Republiek in 1672, het Rampjaar: het land was reddeloos, de regering radeloos en het volk redeloos. In Nigeria, tijdens mijn reis door Afrika, hoorde ik van een christen: “Zij [hij bedoelde: de moslims] zijn de minderheid, dus moeten ze hun mond houden en gewoon luisteren.” Dat is niet handig, het is smeerolie voor Boko Haram en belemmert de bestrijding van die bende. In Egypte begreep president Mursi, die geen enkele bestuurservaring had, die subtiliteit ook niet maar het volk evenmin en daardoor zit Egypte weer opgezadeld met een nieuwe dictator. Dat doet pijn want ik was erbij, ik heb meegedemonstreerd op het Tahrirplein tegen Mubarak omdat ik de Egyptenaren vrijheid gunde en het recht hun mond open te doen.

En de toekomst van Timor Leste? Ik ben voorzichtig optimistisch. Het land is eindelijk redelijk stabiel (tijdens mijn verblijf was er een opstootje in Baucau). Timor Leste verdient aan de verkoop van olie een miljard dollar per jaar – dat is duizend dollar per inwoner – en dat blijft de komende tien tot vijftien jaar zo. Dat is een financiële basis voor verdere ontwikkeling  mits de corruptie wordt geëlimineerd. Er zit toekomst in het toerisme en in de koffieproductie – Timor heeft uitstekende koffie – als het wegennet wordt verbeterd. De Verenigde Naties en de NGO’s pakken hun koffers. Toch zou ik de dames en heren willen vragen het met dat pakken langzaam aan te doen. Anders heeft Timor Leste een economisch probleem. Die upmarket restaurants en lunchrooms hebben klanten nodig.

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Zuidoost Azië en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s