Eiland hoppen

Indonesië is een eilandenstaat. Zo’n zeventigduizend, naar het schijnt, waarvan het merendeel onbewoond is: een rotspunt in zee. Een eilandenstaat heeft haar eigen charme: je ziet het land vanaf het water (in Nederland zie je het water vanaf het land). Langs de kusten liggen vissersdorpen – vis is een belangrijk bestanddeel van het Indonesisch eten – en stadjes met een kade of soms een kleine haven. Aan die kade of in de haven liggen schepen van het ouderwetse soort: met hijsmasten want er is geen hijskraan op de kade. Op de rede liggen schepen te wachten. Het leven is er even traag als eb en vloed. Er is geen betere manier om Indonesië te zien dan per veerboot van eiland naar eiland te hoppen.

image

Schepen van het ouderwetse soort, met hijsmasten

De frequentie van de veerboten is afhankelijk van de afstand die wordt overbrugd en heel toevallig neemt die afstand toe naarmate je verder komt van het Indonesië-dat-er-toe-doet: de oostpunt van Sumatra, Java en Bali. Sumatra en Java zijn gescheiden door een smalle zeestraat. Van Bakau op Sumatra naar Merak op Java vaart elk uur een veerboot maar de overtochttijd kan oplopen tot wel drie uren omdat er zoveel veerboten zijn dat er een tekort is aan afmeerplaatsen. Ook tussen Ketapang op Java en Gillimanuk op Bali gaat elk uur een veerboot, met hetzelfde probleem. Van Padangbai op Bali naar Lembar op Lombok gaat elke twee uren een veerboot. Lombok maakt deel uit van Nusa Tenggara, de Oostelijke Provincie die er niet toe doet, maar vangt nog wat economisch licht van Bali, als een planeet aan de binnenkant van de buitenste ring. Ook van Lombok naar Sumbawa vaart elke twee uren een veerboot. Dat lijkt een anomalie in het systeem dat ik hier beschrijf maar het vaarschema is onregelmatig, zodat het systeem toch klopt.

image

Veerboot

Die frequentie van elke een of twee uren een afvaart maakt handel de moeite waard. Vrouwen verkopen op de veerboot lunchpakketten in geplastificeerd pakpapier of een bananenblad dat tot een kegel is gevouwen. De inhoud bestaat uit nasi putih (witte rijst), wat groente, een visje of een gebakken ei en wat sambal. Je krijgt er een lepeltje bij. Het buffet van de veerboot biedt koffie, water, frisfrank en popmie, instant noedels. Er komen muziekgroepjes aan boord, jongens met een gitaar en een meer of minder welluidende stem. Ze zingen liedjes voor een paar (duizend) rupees. Als in alle landen met kleine armoede is life music in Indonesië populair. Er wordt heel wat gesjouwd met gitaren. Aan de hoeveelheid gitaren in het straatbeeld leest men de welvaart.

image

Lunch in bananenblad

Tussen Sumbawa en Flores vaart maar één keer per dag een veerboot. Ik kon dat niet geloven, ik was zó gewend aan een frequentie van een of twee uren en ik had het systeem nog niet onderkend. Mijn collega-motorrijder Moritz maakte het nog ongeloofwaardiger door mij te emailen dat de veerboot die hij had genomen om acht uur ’s avonds uit Sape vertrok en om twee uur ’s nachts aankwam in Labuhanbajo op Flores. Dat kon niet kloppen; zelfs een staatsmaatschappij zal mensen toch niet in het holst van de nacht op een kade afzetten? Ik had het naar mijn zin op Sumbawa, verbleef een paar dagen in een aangenaam strandresort maar reed toch maar eens naar Sape om poolshoogte te nemen. Ik kwam om vier uur in de middag aan in de haven van Sape en de veerboot lag aan de kade. De kaartjesman: “U bent net op tijd want over een half uur vertrekt de veerboot.” Ik: “Is er geen veerboot in de ochtend?” De kaartjesman: “Jawel, om negen uur.” Ik: “Dan wil ik een kaartje voor de veerboot van morgenochtend.” De kaartjesman: “Ik verkoop alleen kaartjes voor de veerboot die nu vertrekt. Als u morgenochtend wil, dan moet u morgenochtend een kaartje kopen. We gaan om zes uur open.” Er moet een misverstand zijn gerezen; de kaartjesman begon te schrijven en overhandigde mij een kaartje. Ik betaalde, in de veronderstelling dat ik toch een kaartje voor de volgende ochtend had gekocht, en keek daarna op het kaartje: “Dat is een kaartje voor vandaag!” De kaartjesman: “Dat zeg ik net: ik verkoop alleen kaartjes voor vandaag.” Zo belandde ik op de veerboot die ik niet had willen nemen maar die wel om half vijf vertrok en om elf uur ’s avonds in Labuhanbajo aankwam. Bajo Beach Hotel was nog open en ik kon zelfs op de valreep een biertje krijgen in Sky Café. Op geen enkele veerboot verkoopt het buffet bier.

Timor is de Neptunus van het Indonesisch planetenstelsel. Er is maar één veerboot en die vaart drie maal per week van Larantuka op Flores naar Kupang op Timor: op maandag, woensdag en vrijdag. Tenminste, als het weer het toelaat. Het is stormseizoen. Die van maandag zal zeker niet vertrekken: de veerboot is op zondag niet uit Kupang vertrokken, kan dus maandag niet aankomen in Larantuka en ook niet vertrekken; Mathias, de baas van Hotel Rulies, heeft zijn neef in Kupang gebeld. De neef laat weten dat de veerboot op dinsdag is uitgevaren. Woensdagochtend – “Ga vroeg” raadt Mathias “want het zal druk zijn” – rijd ik naar de haven. De veerboot ligt aan de kade en is al voor de helft gevuld met brommers, een paar auto’s en vooral kleine vrachtwagens. Ik parkeer de motor dicht tegen de scheepswand zodat hij gemakkelijk kan worden vastgesjord. Ook de vrachtauto’s worden gesjord. Om een uur ’s middags vaart de veerboot uit. Flores schuift naar de horizon, ingeklemd tussen de grijze zee en de witte hoed van een onweerswolk. Dag Flores!

image

Dag Flores!

Als Flores eenmaal achter de horizon is verdwenen is er niets meer te zien dan water waaruit vliegende vissen vluchten voor het schip. De tocht naar Kupang duurt gewoonlijk achttien uur. Deze keer zullen wij Kupang in twaalf uur bereiken. De kapitein legt uit: ’s nachts vaart het schip op halve kracht om bij het ochtendgloren te arriveren – dat is prettig voor de mensen – maar wij zullen nu op volle kracht doorvaren want er is een stormdepressie ten zuiden van Timor. Die depressie zal de oorzaak zijn van de lange deining die het schip doet rollen tussen bak- en stuurboord. Vanaf het passagiersdek kijk ik neer op het autodek. Ik zie de ruggen van twee vrachtauto’s hevig zwiepen. Een passagier vertelt dat de maatschappij een nieuwe veerboot koopt als de vorige is gezonken. Deze veerboot is gebouwd in 2012. Op de trommels met de reddingsvlotten staat “Next inspection: 2015”. Dat staat op de trommels van alle veerboten waarmee ik in Indonesië heb gereisd. Ik ga naar het autodek om te zien of mijn motor goed is gesjord. Hij staat stevig vastgebonden. Deep down is het rollen minder voelbaar. Het autodek staat vol; de ruimten bij de laadklep zijn gestouwd met zakken en dozen. Daartussen zitten gezinnen te eten, kinderen spelen er verstoppertje en mannen roken er sigaretten. Het ruikt er erg naar dieselolie en naar vis. Waarom gaan die mensen niet naar het passagiersdek? Om op hun spulletjes te letten. De zon gaat onder in oranje gloed en werpt haar laatste stralen op de hoeden van de onweerswolken. ’s Avonds weerlicht het aan de hele horizon. Uur na uur ploegt de veerboot eenzaam voort. Het dreunen van de motoren en het ruisen van het water langs het schip wordt een mantra. Tegen middernacht verschijnt ver vooruit het licht van de vuurtoren van Kupang. Om half twee meert de veerboot aan in de haven en om twee uur ben ik in Kupang. Hostel Lavalon is gehuld in duisternis en niemand reageert op de bel. Hotel Pantai Wisata is wel open, dat wil zeggen: de receptionist slaapt achter de balie. Een zacht tikje helpt. Hij geeft de sleutel van een kamer en brengt later ook twee blikjes bier.

Kupang is de hoofdstad van West Timor en heeft een universiteit maar geen bezienswaardigheden en is shabby met de landerige sfeer die hoort bij een ver-weg provincie. Toch bleef ik er twee dagen, om van het Oost-Timorese consulaat de autorisatiebrief te krijgen waarmee ik aan de grens om het visum kan vragen. Ik vertrok op zondag voor het laatste stukje Indonesië. Ik had gepland te komen tot Kefamenanu, tweehonderd kilometer verderop, maar de weg was zó goed en zonder noemenswaardig verkeer dat ik dat stofnest al vroeg in de middag bereikte. Ik besloot door te rijden naar Atambua op dertig kilometer van de grens. Daar, in Atambua, ontmoette ik een Indonesische motorrijder, een trots lid van een Honda club, die zó blij met mij was dat hij mij naar het hotel van zijn tante loodste en voorstelde mij de stad te laten zien. Ik: “Wat voor bezienswaardigheden heeft Atambua?” Hij: “Nou, uh, we hebben een zeepfabriek.” Ik moest denken aan Chile Chico en Hornopiren en voelde medelijden. Denk niet dat het de Indonesische overheid niets kan schelen. Sumbawa, Flores en ook Timor hebben elk een riante en goed onderhouden weg van de ene naar de andere kant van het eiland, een weg met een tot de verbeelding sprekende naam: Trans Sumbawa Highway, Trans Flores Highway. Het is niet genoeg, er is geen verkeer, geen economische activiteit. De eilanden liggen gewoon te ver van het Indonesië-dat-ertoe-doet, te ver van Java, zoals Hornopiren en Chile Chico te ver van Santiago liggen. Waarom organiseert de regering geen wereldfestival of de Verenigde Naties niet de bijeenkomst van de G7 of de G20 in plaatsen als Atambua, Kefamenanu, Hornopiren of Chile Chico? De mensen daar zouden eens per jaar met de wereld mee kunnen doen en het geld zou met bakken binnenrollen. Het antwoord op die waarom-vraag ligt voor de hand: er zijn gewoon heel veel Atambua’s, Kefamenanu’s, Hornopirens en Chile Chico’s op de wereld, plaatsen waar de komst van een motorrijder een evenement is.

Na Atambua kronkelt de weg tussen heuvels en door dorpen langzaam naar beneden, naar de azuurblauwe zee en volgt dan de kustlijn van kleine witte stranden en plukken mangrove, passeert het vissershaventje van Wapupu en daarachter ligt de grenspost. Ik ben er de enige passant. Er hangen wat jongeren rond, hopend op een geldwisseltransactie. De Indonesiërs aan de ene kant en de Timorezen aan de andere kant hebben weinig tijd nodig om mij en de motor uit respectievelijk in te schrijven. Alleen de dame die de visum verstrekking doet vraagt wat tijd. Niet omdat de verstrekking zo ingewikkeld is maar omdat ze aan een vroege lunch zit.

Ik had er op gerekend dat de verrukkelijke weg van vóór de grens zich achter de grens zou voortzetten. De Lonely Planet belooft dat ook: afwisselend, langs het strand en dan weer hoog op de heuvelhellingen met een geweldig uitzicht op de zee. Het viel tegen: regen en modderstromen hadden de weg erg beschadigd en reconstructiewerk met bulldozers deed de rest. Een berijdbare weg maar geen ontspannen rit. Om vier uur arriveerde ik in Dili. Met het bereiken van Dili ben ik uitgehopt. Dat vind ik.

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Zuidoost Azië en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s