Bedwantsen

Ik vond Bali – althans wat ik veronderstel dat Bali zou moeten zijn – in Jatiluwi en in Tirta Gangga, volgde de kust van Amed tot Candidasa en eindigde in Padangbai vanwaar de veerboot naar Lombok vertrekt. Ik besloot te wachten op de komst van collega-motorrijder Moritz en omdat ik droomde van een hotel met alles erop en eraan aan een palmenomzoomde baai met een wit strand. Zo’n hotel is er in Padangbai: Topi Inn, aangeprezen als ‘best choice’ door de Lonely Planet. Het was vol. Gelukkig. Bij eerste aanblik begreep ik: dit is geen plek voor mij: teveel toeristen aan de hamburger, teveel Ubud. En voor de deur een rommelig strand zonder palmen. Ik werd van straat geplukt door een aardig meisje, zo een die zonder zijpaden te bewandelen recht op haar doel afgaat: “Mijn hotel heeft goede kamers en is niet duur en voor je motor vind ik ook een plaats.” Daardoor kwam ik terecht bij Wisata Parta in een zijstraatje.

Ze liet me een kamer zien, een met een badkamer en airco. Ze fluisterde “Voor honderdvijfenzeventig mag je hem hebben en het ontbijt is inbegrepen. Niet tegen andere gasten vertellen want we hebben geen eenheidsprijzen.” Het zag er netjes uit en ik nam de kamer hoewel er ergens achter in mijn hoofd een belletje afging. Waarom gaat een belletje af? Ik weet het niet, ik weet het nu nog niet. Omdat de kamer een tikje donker was? Omdat er in het zijstraatje geen palmenomzoomd wit strand was? Who cares? ’s Avonds, ik lag in bed en had net het licht uitgedaan, voelde ik een beet. Ik wist onmiddellijk wat er beet. Ik sprong op, knipte het licht aan en had de bedwants te pakken voordat hij de veilige ruimte tussen matras en bedbodem had bereikt. Ik kneep hem fijn. Aan mijn vingers zat bloed. Mijn bloed.

De volwassen bedwants is een langwerpig en heel plat insect, iets meer dan een halve centimeter groot, donkerbruin, met een geleed pantser. Ze bijten en zuigen bloed. Daar leven ze van. De nimfen – embryonale bedwantsen – zijn met het blote oog nauwelijks te zien maar bijten ook. Bedwantsen huizen langs de stiknaden van de matras, in de matras als er een scheur in zit en in de kieren en naden van het bed. Houten bedden zijn een uitnodiging aan bedwantsen. Het zijn gluiperds. Ze komen te voorschijn als het donker is, vinden hun slachtoffer, zuigen bloed en bij het minste onraad – bijvoorbeeld als het slachtoffer zich omdraait – spoeden ze zich naar hun schuilplaats. Ze zijn snel dus wil je ze zien, dan moet je sneller zijn dan de bedwants rennen kan.

Hoe vaak deelde ik het bed met bedwantsen? Niet tijdens mijn reis door het Midden Oosten en ook niet gedurende mijn reis rond de wereld. Op mijn hele reis door Afrika éénmaal, in Ethiopië, maar op deze reis vijfmaal in India, eenmaal in Kuala Lumpur, eenmaal in Malang en nu in Padangbai. Ik haat bedwantsen. In volgorde van opklimmende haat onderscheid ik: de mug, de vlo en de bedwants. In de dormitory van Kampong Tourist in Malang huisden ze alle drie. Met luizen heb ik nog geen reiservaring opgedaan. Van die vier is de bedwants eigenlijk de meest onschuldige; hij brengt, voor zover ik weet, geen ziekten over. Volgens Hen Die Het Weten Kunnen is de beet van de bedwants pijnloos omdat het dier bij de beet een verdovend middel zou inspuiten. Mijn ervaring is anders; misschien heb ik altijd te maken gehad met bedwantsen van het goedkope soort, zonder verdovend middel. De beet van de bedwants wordt pijnlijker naarmate je vaker gebeten bent, zoals het geluid van de tandartsboor onverdraaglijker wordt naarmate je het vaker hoort. De bult van de beet slinkt snel maar er blijft een rudiment achter dat wel een week lang jeukt. De geur vind ik het ergst, vooral als je er een hebt fijngeknepen en aan je vingers ruikt: een vettige zalfachtige geur, de geur van zwavelzalf. Die geur achtervolgt me als een demon: ik meen de geur te ruiken als ik op de motor een huis passeer of in een hotelkamer kom. Ik ruik de geur aan de lakens en het kussen. Ik kan die geur op elk moment oproepen. Ik heb een geurfobie opgelopen.

image

Ik ving dus de bedwants, haalde de matras van het bed, vond er nog een onder de stiknaad van de matras en nog een en nog een, ging weer liggen en werd even later opnieuw gebeten. Zo ging het de hele nacht door. Ik ving er uiteindelijk tien – een veelvoud is aan de jacht ontkomen – en verzamelde ze in een plastic zakje. In dat zakje kon ik ze goed bekijken: ik zag ze tegen het gladde plastic opklimmen en weer naar beneden vallen, op hun rug tussen de andere. Ik voelde zowel voldoening als medelijden. Dat zakje heb ik de volgende ochtend, na een doorwaakte nacht, aan het hotelmeisje gegeven. Ze schrok: “Oh jee, nee!” – de aanblik van zo’n zakje is niet prettig – en fluisterde “Vertel het alsjeblieft niet verder. Je krijgt een andere kamer. Je krijgt de kamer van de Japanner. Die gaat vandaag weg.” Ik ben de kamer van de Japanner gaan bekijken. De Japanner had een lange reep plakband aan de betegelde wand gehangen en daarop alle bedwantsen gekleefd die hij had gevangen. Hij vertelde: “Ik heb op de vloer geslapen. Het was niet uit te houden. Daarom ga ik weg.” De Japanner vertrok. Het meisje: “Waar is de Japanner?” Ik: “Die is vertrokken.” Zij: “Maar hij heeft helemaal niks gezegd!” Japanners hebben hun eigen manier om een vervelende boodschap te brengen. Dus niet de kamer van de Japanner. Het meisje: “Je krijgt de bruidssuite, helemaal boven, met het beste uitzicht, voor dezelfde prijs!” Helaas, ook het bruidsbed bleek bezet door bedwantsen, misschien wel paren. Ik werd tweemaal gebeten, ging kortstondig op jacht en gaf het op. Ik heb mijn tent uitgepakt en de binnentent opgezet op het bed en daarin heerlijk geslapen. Ik droomde van bedwantsen die dorstig probeerden door het gaas van de binnentent te komen en rook in mijn droom hun geur.

Ik zag het hotelmeisje aan de slag. Met de stofzuiger zoog ze de naden van de matras schoon. Met heet water nam ze het bed onder handen. Insecticiden waarmee kakkerlakken worden bestreden deren bedwantsen niet maar hitte legt ze om. Ik had medelijden met het meisje. Ze werkte hard maar het was een verloren strijd, het hele hotel was van  wantsen vergeven. Ze voelde het zelf, ze huilde bijna: “Het zijn de toeristen die van de Gilli’s komen, die brengen het mee.” Ze heeft gelijk. Het zijn de backpackers. Die openen hun rugzak en spreiden de inhoud door de kamer. Zit daar, tussen het vuile goed, een wants, dan wandelt die naar zijn nieuwe behuizing. Zit er in de kamer een wants, dan verbergt die zich in het goed en reist mee naar het volgende adres. Het zijn zwervers. Ik houd mijn bagage altijd gesloten, leg mijn kleren niet op het bed, klop mijn kleren uit (in de badkamer, dan is gemakkelijker te zien of er iets wegloopt) en controleer de zomen voordat ik mijn kleren opberg of aantrek. In Kuala Lumpur vond ik een bedwants in de stiknaad van mijn broek.

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Zuidoost Azië en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s