“Je ne suis pas Charlie!”

Ik heb een tablet met wifi maar voor het nieuws uit de buitenwereld ben ik natuurlijk wel afhankelijk van de beschikbaarheid van wifi én van een snelle internetverbinding. Veel verder dan nu.nl kom ik niet; een enkele keer is het internet zó stabiel en snel dat ik ook de websites van de BBC en van Al Jazeera kan raadplegen. Daardoor duurde het even voordat de impact van de aanslag op de medewerkers van het tijdschrift Charlie Hebdo tot mij doordrong. Oud nieuws, in de krant is alweer de vis verpakt, en toch wil ik over die aanslag wat zeggen. Op de allereerste plaats wil ik zeggen dat de moorden afschuwelijk zijn. Alle moorden zijn afschuwelijk, genomen leven is niet terug te geven. Vervolgens wil ik ook wat zeggen over die Charlie. Charlie heeft, naar het schijnt, een zekere reputatie opgebouwd met cartoons die godsdiensten, in het bijzonder de islam, belachelijk maken en beledigen. Charlie is daarin de enige niet. Wat ik daarvan vind? Ik schaar me achter de paus die de moorden heeft veroordeeld maar óók het beledigen van godsdiensten. “Onzin, daar moeten gelovigen maar tegen kunnen” zul je zeggen. Ik leg uit waarom ik achter de uitspraak van de paus sta.

Richard Kapuchinsky, mijn grote voorbeeld in mijn reizigersbestaan, heeft in “Ik en de ander” – hij heeft het over de culturele ander – enige behartigenswaardige opmerkingen gemaakt over die relatie. Hij onderscheidt drie opties: je kunt de ander negeren, net doen of hij er niet is of niet anders is, je kunt de ander afwijzen en je kunt voor de ander openstaan, de ander accepteren in zijn anders-zijn. De enige optie die ergens toe leidt is open staan. Wat de Charlie’s van deze wereld publiceren mag misschien heel stoer en geestig zijn in eigen huis, voor de ander is het afwijzen, in ieder geval niet open staan. Wie een gesprek wil, moet de ander wel serieus nemen. Het belachelijk maken en beledigen is niet abstract, het raakt mensen. Bedenk: voor honderden miljoenen mensen is godsdienst en God het anker van hun leven, ze ontlenen er zingeving, houvast en moed aan. Ik weet waar ik over praat: ik kom die mensen tegen en ik ervaar het zelf. Tegen al die mensen zeggen de Charlie’s “fuck off!”. Dus ook tegen mij. Daarom: “Je ne suis pas Charlie!”

Na de aanslag ontstond geweldige commotie: de vrijheid van meningsuiting zou in het geding zijn! Daar geloof ik niks van. Bovendien lijkt de commotie een tikje selectief. Hoe zou Charlie beoordeeld zijn als het blad antisemitische cartoons zou publiceren? Of cartoons die de holocaust belachelijk maken? Of nare cartoons over homo’s? Wie herinnert zich de imam die homo’s vergeleek met honden (of varkens, daarvan wil ik af wezen) en daarvoor op het matje werd geroepen bij de minister? Een extreemrechtse politicus sprak over “kopvoddentax”, belasting op de islamitische hoofddoek. Daarover ontstond óók commotie maar die man werd níet door de minister op het matje geroepen. In het nieuws op Nu.nl worden IS, Al Qaida en aanverwanten consequent aangeduid als “islamisten” of “islamitische fundamentalisten”. In de berichtgeving over de arrestatie van een kopstuk van het Leger van de Heer, dat vreselijk huishoudt in het hart van Afrika, omschreef Nu.nl die beweging met “… stelt zich te baseren op christelijke beginselen”. Waarom niet ‘christen fundamentalisten’? Laat ik dit vertellen: IS, Al Qaida en Boko Haram hebben net zoveel met de islam te maken als het Leger van de Heer met het christendom. Het lijkt erop dat vooral de vrijheid verdedigd wordt om welgevallige meningen, ‘onze’ meningen, te uiten. Media praten ons een beeld aan van ‘goed’ en ‘fout’, van ‘ons’ en ‘zij’. Even voor de nuance: dat doen media van de ander ook. Michael Wolfe, waarvan ik momenteel ‘The Hadj’ lees zegt terloops “De televisie zou een venster op de wereld zijn maar het is een muur tussen mensen.”

Ik ben een reiziger in de wereld van de ander, de andersgekleurde ander, de andersreligieuze ander en heel vaak de andersgekleurde andersreligieuze ander. Ik kan die ander niet negeren want ik ben er door omringd. Ik kan die ander niet afwijzen want ik heb hem nodig. Ik moet voor de ander open staan, anders kan ik niet reizen. Een reiziger is geen toerist. Omgekeerd heb ik mij overal geaccepteerd gevoeld, stond de ander voor mij open. Ik ben diep geroerd door de hulpvaardigheid, de gastvrijheid, de beleefdheid die ik heb ondervonden. Vooral in de islamitische wereld. Het grootste deel van mijn reizigersbestaan was ik in islamitische landen. Nergens is het prettiger reizen dan in islamitische landen. Andere reizigers die ik hierover heb gesproken, beamen dat. Wie de ander afwijst, maakt voor mij het reizen moeilijk. Wie de ander afwijst, wijst ook mij af want het zijn mijn mensen, mensen waarmee ik me verbonden voel. Je ne suis pas Charlie.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Over mij en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s