Op zoek naar Bali

Ik had me voorgenomen op Bali zeker Kuta te bezoeken. Kuta zou zijn als Torremolinos in Spanje. Surfers als Apollo’s. Stranden met dikke mensen. Vrouwen net te bruin om van onbesproken gedrag te kunnen zijn. Lange rijen hotels met klinkende namen, bars met barmeiden en restaurants met fout eten. Ik wilde erheen om Australian bullfighting te zien. Stel je voor: Australiërs, kerels – echte kerels, géén mietjes – zuipen zich samen helemaal klem. Ze gaan samen pissen en om een of andere reden, of zonder reden, krijgen ze dan ruzie en wordt het vechten. Doffe bonken van vuisten op lijven, hijgende ademhaling en diep gegrom. Bloed, bloed uit neusgaten en druppelend langs oogkassen. De geur van alcoholadem, zweet en testosteron. Ik wil dat zien, horen en ruiken; het schijnt de pick van onze cultuur te zijn.

Ik weet niet of mijn fantasie van Kuta overeenkomt met de werkelijkheid. Ik ben er niet geweest. Ik ben niet verder gekomen dan Ubud. Dat is óók een pick van onze cultuur maar dan de gepolijste tegenpool. Monkey Forest Road is de hoofdstraat en koopgoot. Veel modewinkels met prets-a-porter die vast en zeker zijn gekomen uit de handen van een Jakartaanse fashionista. Designwinkels verkopen meubelobjecten die uit een boomstam of stronk zijn gebeeldhouwd en glasobjecten die over een knoest zijn geblazen. Kunstgaleries met schilderijen uit de nieuwe Balinese artistieke stroming. Souvenirwinkels van het betere soort, met Balinees antiek. Ik zie in geen van die winkels en galeries een klant. De toeristen zitten op de terrassen van de hotels en in de restaurants. Die restaurants zijn bijna allemaal Italiaans en er zijn ook Italiaanse ijssalons. Ik dineerde met een gezelschapje expats bij Bunute, een upmarket Indonesisch restaurant. Ik was in voor een nieuwe sambal maar er stonden geen sambals op de kaart. In toeristenplaatsen staan nooit sambals op de kaart. Ik koos voor de gado gado. In de gelegenheden waar ik doorgaans eet bestaat de gado gado uit doorgekookte groenten met een flinke lepel pindasaus. Lekker maar een beetje bite is lekkerder. Bij Bunute was de groenten lauw en vrijwel rauw, het tegenovergestelde van doorgekookt, en de pindasaus zat in een klein whiskeyglas. Heel upmarket maar niet lekker en zonder sambal is nasi putih – witte rijst – een laffe hap. De culturele reputatie van Ubud is in decennia zorgvuldig opgekweekt en begon met de komst naar Bali van westerse kunstenaars die nieuwe thema’s en materialen meebrachten en de kunst bevrijdden uit het keurslijf van de hindoe religie. Ubud stikt werkelijk van de kunstmusea: Museum Puri Lakusan, Neka Art Museum, het Agung Rai Museum of Art, Museum Rudana en het Blanco Renaissance Museum. Misschien zijn er meer die ik over het hoofd heb gezien en ook de kunstgalleries fungeren als kleine musea. Ik bezocht het Puri Lakusan Museum dat twee collecties toont van Balinese schilder- en beeldhouwkunst, een van vóór 1945 en een van erna. De kunstwerken zijn interessant, tonen vakbekwaamheid – hogeschoolkunst, geen dorpswerk – maar maken op mij geen onvergetelijke indruk. Ik merk de behoefte op om het werkvlak volledig te vullen. Die afkeer van lege ruimte moet diepe hindoeïstische wortels hebben; de hindoe tempels in India: tot aan de nok overdekt met over elkaar heen buitelende figuren, er is werkelijk geen vierkante centimeter onbenut.

image

Geen vierkante centimeter onbenut

Verzadigd van de kunst besloot ik een kopje koffie te drinken in het museumrestaurant. Volgens de menukaart kost een ‘black coffee’ tienduizend rupees en dat is een heel acceptabele prijs, zelfs goedkoop voor een museumrestaurant. De ober brengt de koffie en later ook de rekening. Die vermeldt: “Bali Coffee, 15.000 Idr”. Daar komt nog vijfentwintighonderd rupees bij voor de btw en de service. In totaal kost dat ene kopje koffie zeventienduizendvijfhonderd rupees, bijna het dubbele van waarop ik had gerekend maar geen gigantisch bedrag. Ik besluit dat te laten passeren – want ik draag de kunst een goed hart toe – en leg in het rekeningmapje een biljet van twintigduizend rupees en wacht op het wisselgeld. De ober, na een tijdje: “Goh, wacht u op het wisselgeld? Ohh…” Hij brengt het rekeningmapje en daarin zit een biljet van duizend rupees. Dat doet voor mij de deur dicht. Ik roep hem terug. De ober legt nog een biljet van tweeduizend rupees op mijn tafel. De ervaring in het museumrestaurant deed mij definitief een streep onder Ubud trekken.

Dat groepje expats, hoe dat zit? Ik werd er geïntroduceerd door Mary N. Ik ontmoette haar ooit in Esfahan. Mary is het type vrouw waarmee ik graag van doen heb: van rijpere leeftijd, zelfstandig en kordaat, geestig en een tikje vreemd. Phyllis, die ik als een vriendin beschouw, is net zo. Phyllis is Amerikaanse, every inch, en Mary is Brits, every inch. Wat ze gemeen hebben, behalve dat ‘every inch’, is dat ze geen man meer hebben in hun leven. Phyllis is gescheiden en Mary is weduwe en de verlossing van de man is wat hen gevormd heeft; daarvan ben ik zeker. Mary informeerde naar mijn reisplan, en gaf me haar visitekaartje: Mary N., MBE. Member of the order of the British Empire. Miljoenen zijn member van het British Empire maar weinigen zijn Member of the order of the Empire; ik heb dat nagetrokken. Dat ‘MBE’ heeft me definitief voor Mary ingenomen. Toen ik, meer dan anderhalf jaar later, in de buurt van Bali kwam heb ik haar geschreven. Ik kreeg een enthousiast antwoord – very British. Ze nodigde me uit voor de lunch. Ze wachtte me op bij het hek van haar huis. Ik herkende haar niet – onze ontmoeting was per slot van rekening meer dan anderhalf jaar geleden – maar we hadden een onderhoudend lunchgesprek alsof we elkaar een maand niet hadden gesproken, over Iran natuurlijk. Ons gesprek was heel beschaafd – We hadden lof voor de Iraanse overheid die transgender operaties gewoon betaalt, dat is héél beschaafd, maar Mary meldde dat volgens de BBC op homo’s druk wordt uitgeoefend zich te laten ombouwen en dat is minder beschaafd. – en zó very British dat je precies weet wanneer het tijd is om op te stappen. Bij het afscheid zei ze “Morgen hebben wij onze quizavond, met de expats van Ubud. Most of them your people. Kom als je daar zin in hebt.” Die uitnodiging heb ik aangenomen, vooral om die expats te bekijken in de Secret Garden van restaurant Bunute. Het is een gezelschap van ongeveer vijftien, met cocktails in de hand of een parelend glas witte wijn, een enkeling met een klein flesje bier. Mary stelt me voor aan die en die: “Mathew … from the Netherlands … met him in Iran … on his way to Australia … on a motorbike, mind you!” Mary is met mij ingenomen maar die expats tonen niet meer dan lauw-beleefde interesse. Mary en ik zullen een koppel zijn voor de quiz want “Ik wil winnen en jij hebt de wereld bereisd dus je weet veel.” Ze stoot me aan: “Daar, aan de overkant, dat is Janek, een Pool. Met hem vorm ik meestal een koppel. Hij spreekt niet zo goed Engels dus veel heb ik niet aan hem.” Ze zwaait vriendelijk naar Janek: “I see, you joined this time the winning team!” Ik mag dan heel bereisd zijn, de vragen sluiten daar niet bij aan. Van een vraag over de namen van de hoofdsteden van piepkleine staten in de Cariben – Wie heeft ooit gehoord van Saint Kits? – maken we niets. Een expat die zijn leven heeft gesleten met zeilen in de Cariben heeft ze alle tien goed. Een fotoherkenningsvraag over tennissers; ik kijk nooit naar tennis. Het is een kwestie van deduceren en elimineren. Ons team – “fans of Iran” – wint verrassend; Mary juicht. Aan die overwinning heb ik weinig bijgedragen maar Mary heeft een groot hart en stelt voor te dineren in het restaurant, samen met nog een paar expats, twee dames. Aan tafel probeert Mary nog eens belangstelling op te roepen voor haar exotische introducee: “Mathew crossed the Baluchi dessert, in a sandstorm!” De dames in koor: “You must had incredible experiences!” en babbelen vrolijk voort. De een is net terug van een reis door Sulawesi – “So amazing” – en de ander – die mij erg doet denken aan Bubbles uit Absolutely Fabulous – brengt haar recente drama: “My baby was attacked by three dogs!” Ik spits de oren, benieuwd naar de bloederige details van de verscheuring van haar kind. Het blijkt om haar hondje te gaan en het is niet verscheurd, alleen gebeten.

Ik trok een streep onder Ubud en daarmee ook onder Kuta dat de andere kant is van dezelfde medaille: een kolonie die met Bali niets van doen heeft zoals Thamel in Kathmandu of Lakeside in Pokhara niets met Nepal van doen hebben. Ook de noordkust van Bali is toeristisch maar van een minder opdringerig soort. Bedaagde dames en heren maken er een strandwandeling, lezen een boek op een terras of maken een fietstocht in de omgeving. De mensen zijn er vriendelijker en je betaalt er niet voor de neerbuigendheid van een ober of de fratsen van een kok. Visrestaraunt Chi Chi heeft sambals op de kaart staan en ze zijn gratis, zoals het hoort. Toch, wie Bali zoekt moet het binnenland in. Daar, op de flanken van Gunung Pohen en van Gunung Agung, liggen dorpen met evenveel tempels als inwoners en de straten zijn er omzoomd met penjors.

image

Straten omzoomd met penjors

Jatiluwi is er zo een, temidden van rijstterrassen en aan de kop van een dal dat wijd opent naar de oceaan in de verte. De rijstterrassen geven het dal het uiterlijk van een openluchttheater. Het is het begin van het plantseizoen (rijst wordt geplant, niet gezaaid). De terrassen staan onder water en spiegelen de hemel in roze en geel, later in blauw en daarna in zwart en grijs. Heldergroene kweekbedden en het donkere groen is van bananenplanten, bamboe, kokospalmen, guavebomen. Water ruist in irrigatiekanalen en plenst in miniwatervallen van terras naar terras. Bij elk akkerterras staat een offerschrijn, een grijze stenen zuil met daarop een huisje, een microtempel, waarin het dagelijks offer staat: een bakje van gevlochten palmblad met wat rijst en groenten, soms een bloem.

image

Een landschap als een openluchttheater

Dit land druipt van water en geloof, de bestanddelen van het groen, maar is gemaakt door mensenhanden. Boeren schonen kanalen, herstellen terrasranden, ploegen met de buffel, eggen met de kleine machine, planten rijst. Rijstbouw is zwoegwerk. Sommige akkerterrassen zijn niet groter dan tien vierkante meter. Dit landschap van water, God en mensenhanden zal verdwijnen: het is niet opgewassen tegen de opbrengsten uit de toeristenindustrie en niet tegen het geweld van de wereldmarkt die gedicteerd wordt door de grote gemechaniseerde bedrijven in de Verenigde Staten, India, China. Er zijn nog wat plukjes over, in het dal, op een helling. Het landschap rond Jatiluwi staat op de lijst van Werelderfgoederen. Dat is hier geen goed teken. Er wordt toegang geheven die, hopelijk, gebruikt wordt om de boeren te steunen. Het zal niet baten. De toekomst van Bali ligt niet in de rijstterrassen van Jatiluwi maar in Kuta en Ubud.

****

Een paar anekdotes over mensen.

Ik ontmoette een boer, een oude man. Ik wilde wat weten over de rijstopbrengst. Ik vroeg voorzichtig “Spreekt u misschien Engels?” “Ja zeker” zie de boer en beantwoordde mijn vraag in perfect Engels. Ik complimenteerde hem daarmee en vroeg waar hij dat had geleerd. “Ik luister elke avond naar de Voice of America en de BBC.”

Ik ben bezig de bagage van mijn motor te halen. De baas van het pension waar ik logeer springt over het tuinmuurtje en vraagt “Zal ik u even helpen met uw bagage?” Ik bekijk de man en vraag “Hoe oud bent u eigenlijk?” “Vijfenzeventig” zegt’ie.

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Zuidoost Azië en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s