Practising English

Ik bezocht de Botanische Tuin van Bogor. Het was een vrijdag, de beste dag om in een islamitisch land een attractie te bezoeken, vooral tussen elf en drie. Vrome moslims zitten dan in de moskee, bereiden zich voor op het moskeebezoek of kicken ervan af. Het was rustig in de tuin. Ik genoot. De informatieve waarde laat te wensen over – weinig bordjes bij de planten en bomen – maar daar tegenover staat een hoog gehalte aan eerbiedwaardigheid en romantiek. Bomen van een eeuw oud, met dikke hoge stammen, enorme wortels en majestueuze kronen in een parklandschap met kronkelpaden, bosschages, gazons en vijvers. Een tuin om lekker in te dwalen, een interessante boom te zien met merkwaardige bladvormige bloemen (of misschien zijn het bloemvormige bladeren; de tropische flora is vaak raadselachtig) en te lunchen in het theehuis. Dat theehuis in de donkere baksteen van de jaren dertig draagt bij aan de romantiek net als het kleine kerkhof met witte stenen, groen mos en bruine bladeren. Daar liggen koloniale hoogwaardigheidsbekleders begraven die weinigen zich zullen herinneren – wie herinnert zich Luitenant-Generaal D.J. de Eerens, Gouverneurgeneraal van Nederlandsch Indië, of mr. A. Prins, in leeven vicepresident van den Raad van Nederlandsch Indië? – en wier erfenis hooguit te vinden is in archieven. Er is geen beter medicijn tegen machtshonger dan een bezoek aan zo’n kerkhof. Op een steenworp afstand daarvan staat een statig Hollands buiten – Buitenzorg – waar die hoogwaardigheidsbekleders wellicht hebben verbleven en dat nu het buitenverblijf is van de Indonesische president. Dat is de enige plaats waar het druk is, met camera-ploegen, televisiewagens en bewakers. De nieuwe president Joko Widodo is een ster. Ik hoop dat hij af en toe zich een blik op dat kerkhof gunt.

Ik had dus genoten van de tuin maar niet toegekomen aan de palmensectie, de afdeling Bedreigde Soorten vluchtig bezocht – vanwege de muggen – en onduidelijke aantekeningen gemaakt over de waterplanten en daarom besloot ik tot een tweede bezoek. Op zaterdag. Dat heb ik geweten. Op zaterdag hebben de scholen vrij en die zenden de leerlingen uit de hogere klassen en masse naar de tuin met de opdracht een westerling te strikken om het Engels te oefenen. Er zijn niet zoveel westerlingen met botanische interesse dus ik was er een opvallende verschijning. Ik had de tuin nog maar nauwelijks betreden of daar diende zich het eerste groepje al aan. Of ik even tijd heb om een paar vragen te beantwoorden? Ik ben van nature ongeduldig – reizen is voor mij een oefening in geduld – maar voor ‘practising English’ maak ik graag tijd. Wellicht draag ik in tien minuten meer bij aan de toekomst van Indonesië dan al die koloniale hoogwaardigheidsbekleders op het kerkhof bij elkaar hebben bijgedragen (Nederland heeft alleen in het onderwijs in Indonesië geïnvesteerd voor zover dat was in het koloniale belang en toegang tot de wereld was daarin zeker geen doel). Vóór mij vormt zich een halve cirkel van jongens en meisjes, er wordt een gespreksleider aangewezen en een zal de smartphone hanteren voor de verplichte foto of video die het bewijs van het interview is. Het duurt even, zo’n groepsproces neemt tijd. De vragen staan op een papiertje dat ze van de leraar hebben meegekregen en zijn voorspelbaar, zelfs de volgorde, als je een paar keer zo’n interview hebt gedaan. Waar ik vandaan kom? Hoe lang ik al in Indonesië ben? Waar ik geweest ben? Wat ik vind van Indonesië? Wat mijn beroep is? En mijn lievelingsgerecht? En mijn lievelingsmuziek? Met soto ayam zit ik altijd goed en ook met Michael Jackson. Ik merk op dat mijn antwoorden er eigenlijk niet toe doen: terwijl ik antwoord is de gespreksleider in zijn hoofd bezig de volgende vraag te formuleren. Ik probeer er een gesprekje van te maken – Ik vraag wat hun lievelingsmuziek is (Michael Jackson, natuurlijk), in welke klas ze zitten, wat hun toekomstplannen zijn (ze gaan allemaal studeren) – maar lang moet ik dat niet rekken want … oh … ze moeten er nog vier. Het afscheid is net zo beleefd als de introductie, met een bedankje en een hand van iedereen. Zo’n interview is heel aandoenlijk. Zolang het blijft bij een enkele groep. Maar na de eerste komt de tweede, de derde, de vierde, de vijfde. Ik kom aan de palmsectie niet toe, niet aan de afdeling Bedreigde Soorten, niet aan de waterplanten. Het zesde verzoek voor een interview weiger ik. De teleurstelling is op de gezichten te lezen. Of ze dan tenminste een foto van me mogen maken? Die foto is het bewijs dat ze geïnterviewd hebben. Ik vlucht naar het theehuis. Daar komen ze niet, dat is veel te duur. In de middag barst een hevige onweersbui los die wel twee uren duurt en de scholieren uit het park drijft. Daarna is de afdeling Bedreigde Soorten gesloten en ook de orchideeënkas.

image

Practising English, maar niet te lang want ze moeten er nog vier

Niet alleen in de Botanische Tuin van Bogor. Ook bij de Borobudur, op straat in Yogyakarta, in de kraton, zelfs op het uitzichtspunt voor de Bromo: overal zijn die groepen scholieren op jacht naar een westerling. In Berastagi, Sumatra, waar ik een paar dagen verbleef om de uitbarsting van de Sinagung te zien, bracht de lerares Engels elke dag na schooltijd haar klas naar Wisata Sibayak om haar leerlingen Engels met de gasten te laten oefenen. Zelf keek ze van een afstandje toe hoe wij haar taak vervulden. ‘Practising English’ is een opgave in veel niet-westerse landen, in het ene land meer dan in het andere. In Iran waren het vooral meisjes die om een gesprek vroegen. Geen interview maar een echt gesprek met interesse voor mijn antwoorden. Daar gaat het niet alleen om de oefening van het Engels maar ook om informatie over de buitenwereld. Ik leer hun dromen kennen en de grenzen die de Iraanse realiteit daaraan stelt. In Maleisië werd ik nauwelijks geconfronteerd met “I want to practise my English”. De drie grote bevolkingsgroepen van dat land – Maleiers, Chinezen en Indiërs – leven naast elkaar en voor zover er tussen die groepen gecommuniceerd moet worden, gebeurt dat in een neutrale taal, het Engels. Indonesië heeft veel meer bevolkingsgroepen met eigen talen maar voor hen is het Bahasa Indonesia de lingua franca. Indonesische jongeren groeien niet op met Engels als tweede taal en daarom is de behoefte aan ‘practising’ erg groot. Kennis van het Engels is zó belangrijk!

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Zuidoost Azië en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s