De nieuwe wereld 2.0

Ik reis in Indonesië op een toeristenvisum dat twee maanden geldig is. Op 11 december liep dat visum af. Ik had het met een maand kunnen laten verlengen. Dat is een gedoe. Het is veel papierwerk dus je moet er minstens een week tevoren mee beginnen. En je hebt een sponsor nodig. Wat die sponsor moet sponsoren is mij een raadsel – je verblijf of je vertrek? – maar je moet hem hebben. Zie zo iemand maar eens te vinden en vind je zo iemand, dan wil hij natuurlijk geld zien. Voor niks gaat alleen de zon op, ook in Indonesië. Wat levert dat gedoe op? Drie weken rust want dan begint het circus opnieuw. Er is een alternatief: Indonesië verlaten en terugkomen op een VOA (visum on arrival) dat een maand geldig is of bij een consulaat een nieuw toeristenvisum kopen. Ik koos voor de laatste versie van het alternatief en boekte een vlucht naar Singapore bij Air Asia en een bed in de dorm van Travellers Inn. De receptioniste van Travellers Inn vouwt de plattegrond open en wijst: “Je bent nu hier. Daar is Little India en dat is Chinatown. Ik denk dat je zulke wijken in Maleisië hebt gezien dus raad ik je Orchard Road aan als je wil winkelen, het Colonial District als je van oud houdt of Marine Bay als je van modern houdt.” Ik ga voor modern, neem de metro – SMRT: Singapore Mass Rapid Transport – van Lavender naar Bayfront Station.

Bayfront Station roept een gevoel van desoriëntatie op. Er zijn heel veel uitgangen die leiden naar shopping malls en die zijn weer onderling verbonden. Een doolhof. De vele richtingborden dragen alleen maar bij aan de verwarring. Ik wil eruit, ik wil uit de wereld van kunstlicht en mensenmassa’s, ik wil naar buiten maar waar is ‘buiten’ en naar welk ‘buiten’ wil ik eigenlijk? Iemand helpt: “Wilt u naar het Convention Centre? Naar Marine Sands? Naar het waterfront?” Ik wil naar het waterfront, dat klinkt het meest naar ‘buiten’. “U neemt die roltrap naar beneden. Aan het einde van de gang neemt u de roltrap omhoog. Dan komt u in Marine Bay shopping mall. Daar loopt u alsmaar rechtdoor en aan het einde neemt u de lift omhoog en dan komt u aan het waterfront.” Ik nam de roltrap naar beneden, liep een eindeloze gang door totdat ik een roltrap omhoog vond, liep door een shopping mall waarmee vergeleken Surya in Kuala Lumpur kinderspel is – er is altijd een overtreffende trap – en vond, godlof, de deur naar buiten, naar het waterfront. Ik stond op een enorm dek, aan het water en keek naar de overkant: dicht opeen gepakte highrises, elk met duizend verlichte ramen als cellen van een lichthuid die de highrises scherp aftekent tegen de nachthemel en doet spiegelen in het water van de baai. Rechts vooruit staat de Singapore Flyer, het grootste reuzenrad ter wereld, met contouren in blauw neonlicht en ervoor de Helix Bridge die omgeven is door een dubbele spiraal als het dna-molecuul, met ledlichten op de plaatsen van de aminozuren. Ik, bewoner van een kleine Europese middeleeuwse stad en reiziger in een wereld van rieten en lemen huizen, zie de nieuwe wereld, de wereld van de toekomst met een aureool van onaantastbaarheid. Ik schreef eens over Tokio: “God schiep de wereld, op de eerste dag de hemel en de aarde en op de zesde dag de mens. Hier is de mens verder gegaan en schiep zijn eigen wereld.” Niet alleen Tokio, ook Singapore.

image

Highrises aan het Waterfront

Ik liep langs de oever, passeerde de winkel van Luis Vuitton in het water van de baai, passeerde het Arts&Science Museum dat er uitziet als een reusachtige lotusbloem, liep onder de Helix Bridge door tot Marine Bay Sands dat in zwak floodlight spookachtig aftekent tegen de nachthemel als een gigantisch insect of misschien een ruimteschip uit een sciencefiction film. Marine Bay Sands is de nieuwste trots van Singapore: drie reusachtige torens met concave zijden die de verticaal asymptotisch naderen en bovenop die torens ligt een gigantisch – uh – ‘ding’ dat Singaporezen ‘het schip’ noemen. Ik zie er een zeppelin in, vanwege de netstructuur van de huid, de aluminium glans en de ronde uiteinden. Een zeppelin, als de Hindenburg, die is vastgeklonken aan drie reusachtige meerpalen. Marine Bay Sands heeft monsterlijke afmetingen en toch is het lichtvoetig elegant door de concave lijnen van de torens en die torens zijn ook in een licht gebogen lijn geplaatst. Het bouwwerk wekt de indruk van volkomen beheersing van techniek.

image

Marine Bay Sands en ervoor de Helix Bridge

Vanaf Marine Bay Sands steekt een wandelbrug de snelweg over naar Gardens by the Bay. Ik werd ernaar toe getrokken, bijna gezogen, door merkwaardige blauw verlichte objecten. Het bleken de ‘super trees’ te zijn van Super Tree Groove. Het zijn helemaal geen superbomen, het zijn enorme kunstbomen, kunstobjecten van staal en licht en met een huid van varens. Natuur als huid van een kunstwerk. Voorbij de Super Tree Groove staan de Domes, twee enorme koepelvormige kassen. De Flower Dome bevat weinig bloemen maar vooral cactussen en baobabs – ik wist niet dat er baobabs voorkomen in Argentinië en ook in Australië – en steenplanten uit de Namibische woestijn en andere planten die verbazing oproepen. Die verbazing wordt bevredigd want er staan bordjes bij die uitleggen waarom de baobab eruit ziet zoals een baobab eruit ziet en waarom steenplanten zo erg op stenen lijken. Het is er aangenaam koel dankzij vloerkoeling onder de wandelpaden en uit luidsprekers klinken zacht evergreens. Er is een kerststraat gebouwd met vakwerkhuisjes, een kunstsneeuwpop en een digitale open haard. Leuk voor de kerstkaart.

image

De Domes in Gardens By The Bay

In de Cloudforest Dome is een berg gebouwd, bedekt met planten uit het bergregenbos. Je kunt met een lift naar boven en een wandelpad aflopen langs de planten en de nevelstralers en de tuinman aan het werk zien die als een bergbeklimmer aan touwen hangt. In de berg is een expositie van stalagmieten en stalactieten. Lachwekkend? Nee. Ik neem die Domes serieus: ze wijzen naar een toekomst met een strikte scheiding tussen mens en natuur. Wandelen in de natuur? Nergens voor nodig, dat kun je in de Domes doen en je hebt er geen last van muggen en modder, spinnen en slangen. Ik heb daar vrede mee; het is de enige redding voor de natuur. Tegelijkertijd kruipt een gevoel van onbehagen naar boven: mensen zoals ik, die reizen door woestijnen, steppen en de jungle, zullen in die toekomst criminelen zijn die de verboden grens tussen mens en natuur overschrijden.

image

De Cloudforest Dome, met het looppad

De wereld van Tokio en Singapore is de wereld van Chicago en New York voorbij. Dit is de Nieuwe Wereld 2.0 en dat is een Aziatische wereld. Is in de kunst de Aziatische wereld ook de Westerse wereld voorbij? Dat ga ik onderzoeken in SAM, het Singapore Art Museum. Een museum dat zichzelf serieus neemt heeft haar naam tot een acroniem gemaakt, dat is gewoon zo. SAM toont Signature, de genomineerden voor de Art Prize 2014 van de Asia Pacific Brewery Foundation. Kunst is business. Ik val dus met mijn neus in de boter, kan kennis nemen van de nieuwste ontwikkelingen in de Aziatische kunst. Schilderkunst? Beeldhouwkunst? Vergeet het, dat is kunst 1.0! Het draait nu om ‘installaties’ en ‘performances’. ‘Unsubtitled’ van Nguyen Trinh Thi uit Vietnam is een video performance. In een donkere ruimte worden video-opnames van mensen geprojecteerd op zwarte borden, zodat het lijkt alsof elk afzonderlijk aanwezig is. Het zijn sleutelfiguren uit de moderne kunstbeweging in Hanoi. Ze eten en staan en dat is een ongemakkelijke houding om te eten. De een trekt zich er niets van aan en eet geconcentreerd zijn kartonnen bakje leeg. De ander kauwt bedachtzaam een boterham. Een derde is zich erg van de opname bewust en staart voortdurend in de camera. Allemaal individuen maar collectief in een ongemakkelijke positie en dat is kennelijk het issue voor de moderne kunstbeweging in Hanoi. ‘Custos Cavum (Guardian of the hole)’ van Choe U-Ram uit Zuid Korea is een kunstmatig organisme. Een schedel, lijf en staart en dat lijf bestaat uit metalen strips waarachter zuigers zitten die de strips doen uitzetten en krimpen zodat het lijkt alsof het ding ademt. Uit het lijf steken veren die traag wapperen, aangedreven door elektromotoren. Ook de kunst is de natuur voorbij: de kunstenaar schept zijn eigen soort, Custos Cavum. Wat is een kunstwerk? Een object? Voor Allan Oei uit Singapore is het werken aan de kunst het kunstwerk. Van hem toont het SAM een video waarin een portret wordt geschilderd. Dat portret verandert voortdurend en wordt uiteindelijk uitgewist door het te overdekken met zwarte verf. Dat gebeurt ‘vanzelf’, slechts tweemaal is een flits van de hand van de kunstenaar te zien. Misschien is dat een foutje. Kunst trekt gordijnen weg. Ho Tzu Nyen uit Singapore trekt letterlijk gordijnen weg: in zijn installatie worden eindeloos gordijnen opzij geschoven. De tentoonstellingsgids meldt: “Installation with 4-channel HD video, 8-channel sound, automated curtain track, fans, lights and show control mechanism”. Ik zei het toch: kwast en verf is uit! Het is allemaal goedgekeurde kunst: mensen met gezag hebben de kunstenaars en hun werk genomineerd voor de Art Prize 2014. Hoe staat het met de niet-goedgekeurde kunst, de straatkunst? Er is in Singapore heel veel kunst op straat, openbare kunst, maar ook die is goedgekeurd. Er is géén niet-goedgekeurde kunst in Singapore, nergens zag ik graffiti. Nergens! Dat zegt veel over de kunst 2.0: kunst binnen de orde. Die orde is het wezen van de Nieuwe Wereld 2.0 waarin ze zich onderscheidt van de Nieuwe Wereld 1.0.

Het doel van orde is voorspelbaarheid. Singapore is een heel erg ingewikkelde stad en daarom is er veel behoefte aan voorspelbaarheid – dus aan orde – anders loopt het zaakje vast. ‘Orde’ is: verkeersregels waaraan mensen zich houden, anders loopt het verkeer vast en gebeuren er ongelukken. Ik heb in Singapore geen files gezien. In Indonesië en India en al die andere landen waar ik heb gereisd houdt niemand zich aan de verkeersregels en daardoor zijn er voortdurend files. Indonesiërs en Indiërs zijn in staat om uit niets een file te creëren. In Indonesië kan ik niet de straat oversteken zonder het aanzienlijke risico te lopen te worden doodgereden door een brommer die het rode verkeerslicht heeft genegeerd (maar de brommerrijder roept wel in het voorbijgaan “Hello mistar!” en zwaait vriendelijk en dat is bij een aanslag toch vertederend). In Singapore kan ik zonder gevaar de weg oversteken zodra het voetgangerslicht op groen staat (daar moest ik erg aan wennen). ‘Orde’ is: gave bankbiljetten omdat de kaartjesautomaat van de metro geen gekreukte bankbiljetten kan verwerken. Het metrosysteem zou vastlopen als er veel gekreukte bankbiljetten waren. In Indonesië en India (en al die andere landen) zijn bankbiljetten groezelige papiertjes waarvan je hoopt dat je aan de aanraking geen huidziekte overhoudt. ‘Orde’ is dat je wacht naast de metrodeuren om mensen de gelegenheid te geven uit te stappen. In de metro van New Delhi vechten mensen zich de trein in zodra de deuren opengaan. Marine Bay Area is schoon en fris, nergens ligt vuil en het stinkt er niet. Dat is óók orde. De Singaporese orde is een weldaad, een behaaglijk bad. Als je vers uit Indonesië komt. De Singaporese orde heeft twee kenmerken. Het eerste is dat gezag en burgers het eens zijn over de orde. Daardoor is er weinig dwang nodig. Er zijn veel suggesties. Rode voetjes op het metroperron waar de deur van de metro zal komen: niet hier staan. Groene voetjes: hier staan. Een vriendelijke vrouwenstem adviseert om het midden van het rijtuig op te zoeken want dan kunnen meer mensen instappen. Dat is toch anders dan het Nederlandse “Wil-u-effe-doorlopen-naar-achteren-astublief-er-moeten-nog-meer-mensen-mee”. C’est le ton qui fait la musique. Het tweede kenmerk is dat er veel servicemen zijn. Complexe orde vereist menselijk assistentie bij de uitvoering. De kaartjesautomaat spuwt mijn 10-dollar biljet terug. Er komt een helper: “De automaat accepteert alleen 2-dollar biljetten” (dat staat op de automaat maar ik had dat niet gezien; er staat zoveel op zo’n automaat) en hij begeleidt me naar Customer Service waar ik kan wisselen. Ondertussen blokkeer ik die automaat niet met mijn gestuntel. De serviceman doet meer: hij loopt ook mee terug en bedient voor mij de automaat. Servicemen wijzen de weg: “U moet naar de Jalan Besar? Dan moet u exit B nemen. Dat is rechtdoor en dan linksaf.” Exit B staat ook aangegeven op bordjes maar zie maar eens dat bordje in het woud van bordjes. Die assistentie kan in Singapore ver gaan. Vanaf het dak van Marine Bay Sands zag ik de containerhaven en daar wilde ik graag naar toe. De enige manier om daar te komen was te wandelen langs de snelweg. Dat mag natuurlijk niet. Ver heb ik niet gelopen. Er stopte een politieauto naast me; ik was vast en zeker gesignaleerd door een camera. De agent: “Waar wilt u naar toe?” Ik: “Ik wil graag een kijkje nemen bij de containerhaven.” De agent: “Hier lopen is erg onveilig voor u. Stapt u in, dan breng ik u.” Ik was verbijsterd: geen bekeuring maar hulp. Hij bracht me naar een plaats waar ik een mooie foto kon nemen en … wachtte: “Ik breng u terug naar het Convention Centre, dat is veiliger voor u.” Bij de Nieuwe Wereld 2.0 hoort orde 2.0.

Singapore saai? Helemaal niet! Ik genoot van de Nieuwe Wereld 2.0. Vier dagen was ik in Singapore en vloog terug naar Yogyakarta. De bus naar het centrum doet er een uur over, vanwege de files. Bij het uitstappen word ik bijna aangereden door een brommer. Het is een jonge jongen. “Hello mistar!” roept’ie. Ik roep “sama sama”, niks te danken. Gelukkig! Ik hoor niet in de Nieuwe Wereld 2.0, ik ben van de Oude Wereld 0.9.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Zuidoost Azië en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s