Wat regen doet

Ik vertrok om half tien ’s ochtends uit Tuktuk aan het Tobameer met het doel die dag het dorp Ketambe te bereiken in Leuser National Park in het noorden van Sumatra. De hemel was blauw maar ik was al te laat: in dat blauw schoten stapelwolken omhoog. Op het middaguur waren die uitgegroeid tot volwassen onweerswolken met donkere regenbaarden. Ik had geluk, ik kwam tussen de buien door, en bereikte Sidikalang, het enige stadje op de hoogvlakte, zonder ’n spatje. Achter Sidikalang begint de lange afdaling naar de vallei waarin Ketambe ligt: veertig kilometer naar beneden in eindeloos veel haarspeldbochten waarin het asfalt is doorgroefd en kapot gereden. Onder droge omstandigheden is zo’n weg gewoon hard werken – afremmen, terugschakelen, de beste route zoeken over de groeven en langs de kuilen, opschakelen en naar de volgende bocht – maar geen vermelding waard in een reisverhaal. Dat wordt het pas als het gaat regenen. En het ging regenen, stortregenen. Ik schuilde in de markthal van een dorp, wachtte tot het ergste voorbij was. Zo’n bui kan uren duren als er geen wind is die de regenwolken meeneemt. Na de regen zag de weg er anders uit: de greppels waren verstopt met aarde en stenen van de helling, het water stroomde woest over de weg, nam grind en stenen mee, liet plakken modder en leem achter en vulde kuilen en laagten zodat niet vast te stellen was hoe diep ze waren. Onder zulke omstandigheden is rijden even risicovol als trapezewerk. Zonder ongelukken bereikte ik de bodem van de vallei. Die streek is dichtbevolkt. De ene kampong gaat naadloos in de volgende over en de weg was vol met klanten zoekende becaks en minibussen, pijlsnelle brommertjes met roekeloze jongeren erop, vrachtautobrommertjes met een zo hoog en breed mogelijke koffer, ambulante snackbars en langzaam voortsukkelende auto’s. Dat kost tijd en ik had al veel tijd verloren op de lange afdaling. Het was opgehouden met regenen, er was zelfs een flets zonnetje en ik bereikte het stadje Kutacane min of meer opgedroogd. Van daar is het nog maar dertig kilometer naar Ketambe maar het was ook zes uur, het licht werd al vaal en in de rijrichting hing een inktzwarte lucht. Wat te doen? Zou er een hotel zijn in Kutacane? Ik besloot door te rijden naar Ketambe met de zekerheid van een comfortabel gasthuis in de jungle van Leuser National Park. Het werd donker en het ging regenen, het water viel met bakken uit de hemel. Vanwege de duisternis reed ik met het helmvizier open en dat is geen pretje met regen. Het groot licht hielp om de berm te zien, de bochten en de kuilen in de weg, de onverlichte truck met pech, het kind met de paraplu. De enkele tegenligger heeft ook groot licht en de verblinding is gevaarlijk. Waar is de berm? Waar is dat kind? Ik bereikte Thousand Hills Guesthouse in Ketambe om acht uur, drijfnat en helemaal afgedraaid vanwege die laatste dertig kilometer. De hele nacht regende het aan één stuk door.

image

Wortel met een gel-omhulsel om vochtig te blijven

Ik bleef in Ketambe om de rijkdom van het tropisch bergregenwoud te zien. In het bos groeien heel veel gembersoorten, orchideeën en ook begonia’s, klimplanten in lagen over elkaar en vanuit duistere hoogten hangen wortels neer met punten die met een gel zijn omhuld om ze tegen uitdroging te beschermen. Het lijkt gek, uitdroging is een serieus probleem in een regenwoud. Voor planten dan. Orchideeën die hoog tegen de stammen van de bomen groeien hebben vocht zolang het regent maar droogt de stam op, dan verandert de leefomgeving voor die orchideeën in een woestijn en daarom hebben ze verdikte stengels om er water in op te slaan. Hetzelfde geldt voor die neerhangende wortels: het duurt een tijd voordat ze de vochtige bodem bereiken. In die tijd kunnen ze uitdrogen en daarom zijn die wortels voorzien van een gel-omhulsel.

Mijn kleren waren na twee dagen droog op de voering van mijn helm, mijn handschoenen en mijn schoenen na, voldoende droog om de volgende etappe te doen: naar Takengon, tweehonderdvijftig kilometer verderop. Even buiten Ketambe had de rivier een deel van de weg meegenomen. Verderop had een banjir twee huizen verwoest en over de weg een dikke laag van grote stenen afgezet. De motor zakte er in weg, bleef steken. Twee jongens hielpen de motor door de steenmassa te duwen. Het water sopte in mijn schoenen. De genie wachtte op de bulldozer om de weg vrij te maken. Die bulldozer was een paar kilometer verderop ingezet, waar de weg over de volle breedte was afgestort. De bulldozer had een omleiding gemaakt, een modderpad over een vreselijk steile helling langs de afgrond. Ik volgde het spoor van de bulldozer, kwam langzaam en slippend tot halverwege de helling waar de motor vastliep in de modder en afsloeg. Voorzichtig – de afgrond! – liet ik de motor zakken totdat er weer vaste grond onder de wielen was, schakelde terug naar de eerste versnelling en nam een aanloop. Deze keer ging het beter, ik bereikte het einde van de omleiding op de top van de helling. Het waarschuwingslampje voor de koeling brandde, de radiator was dichtgemodderd. Ik liet de motor koelen, maakte de radiator schoon en rookte een sigaret om de spanning te laten wegebben.

image

De rivier heeft de helft van de weg meegenomen

image

Verwoesting door een banjir

 

Daarna viel het mee, de weg was schadevrij op een paar hellingafstortingen na, en ik had een ontspannen rit door de jungle. Tot vier uur, toen ging het weer regenen. Ik kwam drijfnat aan in Takengon en in mijn schoenen zat modder. Takengon is zo’n plaats die er leuk uitziet als de zon schijnt en het droog is – met kraampjes langs de straten, een markt, de ballonnenman wiens waren boven alles uit torenen en dus van ver is te zien, mensen die van mij en de motor een foto willen maken, jongeren die met brommercrossen de verveling verdrijven en “hey mistar” roepen – maar oogt troosteloos in de regen; het water druipt van de daken, glimmend asfalt, plassen en modder, verlaten straten op natte katten, natte honden en natte kinderen na. En het is koud, regenkoud.

Voorbij Takengon gaat de bergjungle van Gunung Leuser National Park over in de open ruimte en de dennenbossen van de Gayo Highlands. Het had de hele nacht geregend maar de ochtend begon licht bewolkt en zonnig. Op de hoogvlakte zijn geen haarspeldbochten en de weg is schadevrij zodat ik al op het middaguur bij Bireuën de Trans Sumatra Highway bereikte die van Medan langs de oostkust van Sumatra naar Banda Atjeh loopt. De weg die de naam heeft druk, saai en vervelend te zijn is inderdaad druk – de oostkust van Sumatra is dicht bevolkt – maar niet saai – de weg loopt door een aantrekkelijk landschap van velden en heuvels – en niet vervelend; er zijn uitspanningen waar ik kan lunchen en koffiedrinken, waar ik poseer voor de onvermijdelijke foto en gesprekjes heb met jongeren die hetzelfde zouden willen doen als ik, als ze maar geld hadden. Ik heb heel ontspannen gereden en arriveerde tegen vieren in Banda Atjeh. Ik bezocht het Tsunami Museum, de ‘boat on the house’ en de gestrande energiecentrale, het kerkhof en de moskee. Ik dronk koffie bij Tower Coffee – er is geen betere koffie dan Sumatra koffie – en dineerde bij Country Steakhouse waar ze bier serveren als je er nadrukkelijk om vraagt. Twee dagen lang genoot ik van zon, warmte en regenloosheid, dreef langzaam het vocht uit mijn kleren en bagage. Ik was zó verrukt dat ik de regen vergat en het plan opvatte om aan de cultuur een korte strandvakantie vast te knopen.

image

Zonsondergang bij Lhoknga

Daarom ging ik naar Lhoknga op twintig kilometer van Banda en vond er onderdak bij Eddie wiens homestay op tweehonderd meter van het strand ligt. In de namiddag dronk ik koffie in een strandtent en bezag de zonsondergang zoals oudere heren van stand dat plegen te doen. Het was een prachtige, bloedrode zonsondergang en dat had me moeten waarschuwen: avondrood betekent water in de sloot. De volgende ochtend was de hemel loodgrijs en daaruit viel het water met bakken. Het ratelde op het zinken dak van Eddie’s huis, gorgelde in de afvoerpijpen, klaterde op het beton, smoorde het geluid van de zee. Drie dagen en drie nachten lang regende het vrijwel onafgebroken. De tuin overstroomde en de schepselen die daar huizen zochten hun toevlucht in Eddie’s huis. Sprinkhanen en krekels en spinnen ter grootte van een handpalm en waarvan de pootjes hoorbaar tikten op de tegels van de zitkamer. Na drie dagen verdreef een noordenwind het grijze zwerk en daarvoor in de plaats kwam een blauwe hemel met witte schapenwolkjes. Ik zou graag weg willen, ik had geen enkele behoefte meer aan een strandvakantie, maar ik kon niet weg: de televisie meldde dat de Jallan Nasional naar het zuiden was geblokkeerd door een grote aardverschuiving en dat Meulaboh was getroffen door een banjir die de straten had bedekt met een dikke laag modder. Ik wachtte ’n dag, sopte naar de strandtent die gesloten was wegens gebrek aan klandizie en bad dat de weersomstandigheden tenminste nog een dag gunstig zouden blijven.

De noordenwind viel weg en witte cirrus – de aankondiging van een depressie – sierde de blauwe hemel. Naar mijn inschatting viel er voorlopig niets te vrezen en ik begon welgemoed aan de lange tocht naar het zuiden. Twintig kilometer voorbij Lhoknga kruist de weg een landtong waar de aardverschuiving had plaats gevonden. Bulldozers hadden inmiddels een weghelft vrijgemaakt maar een dikke laag modder achter gelaten. Voorbij de aardverschuiving had de opruimploeg nog werk te doen. Kleine aardverschuivingen en modder, telefoonpalen waren omgevallen en de draden hingen ordeloos over de weg. Er was door te komen, met oplettendheid vanwege die draden. Na de landtong volgde de weg de kust en was van regenschade geen sprake. De kust is buitengewoon mooi. De weg en de oceaan dansen een tango. Nu eens loopt de weg vlak langs de kust met uitzicht op de azuurblauwe oceaan en groene eilandjes met witte brandingsringen eromheen, dan weer kiest de weg voor het bos in het binnenland. Als in een moeizaam huwelijk. In Meulaboh, tweehonderd kilometer ten zuiden van Lhoknga, was van de verwoesting door een banjir niets te zien. Tegen vieren bereikte ik Blangpidie, waarvan zelfs de meeste Indonesiërs nooit hebben gehoord. Hoog boven het stadje torende een dreigende onweerswolk en ik rook de regen. Net op tijd vond ik onderdak bij Khana Pakat Guesthouse. Khanil stond er op dat ik mijn motor stalde in de lobby. Vanwege de regen.

wpid-dscn1634-onweerswolk.jpg

Hoog boven het stadje torende een dreigende onweerswolk

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Zuidoost Azië en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s