Wat men zegt over de Bataks

De Lonely Planet schrijft over het schiereiland van Tuktuk in het Toba meer: “It was almost overrun by tourism: wild full-moon parties would kick off, and travellers in beach-bum mode would get ‘stuck’ on the island for months on end. Whilst the travelling world has hardly forgotten about Toba, those heady party days are certainly a thing of the past.” Wat is daar gebeurd? Is het eiland in het Toba meer – ‘overrun by tourism’ – uitgewoond? Heeft de bevolking zich tegen de ‘full-moon parties’ gekeerd? De Lonely Planet geeft geen verklaring. De introductie is merkwaardig voor een reisgids, zeker voor de Lonely Planet die optimistisch is op het manische af en suffe oorden monter weet aan te prijzen. Meer kan er niet van af dan: “Nowadays the Batak people continue to warmly open their arms to travellers after a lazy, low-key lakeside sojourn.” Daar word je toch niet warm van? De introductie zou een reden zijn het Toba meer te mijden of juist het te bezoeken, om te onderzoeken wat daar is gebeurd. Ik ging niet om die reden naar het Toba meer maar om een andere, om de nagedachtenis aan mijn vader. Ik kan het mijn vader horen zeggen: “Het Toba meer? Oh, daar zijn wij ook geweest.” ‘Wij’: mijn ouders, in het begin van de jaren tachtig; ze waren verzot op Indonesië. Ze waren zeker niet in voor ‘wild full-moon parties’ en ik kan me mijn moeder niet voorstellen in ‘beach-bum mode’. Daarom ging ik naar Tuktuk aan het Toba meer, om op dezelfde plaats te zijn als zij en toch ook een beetje om te onderzoeken.

Het is een streek met een lieflijk, aantrekkelijk landschap zonder spektakel: akkers, weilanden, bossen, dorpjes met kerken – de Gereformeerde kerk en de Hervormde – en het meer, natuurlijk. Het deed mij denken aan het landschap van de meren in Zwitserland, ook lieflijk zonder spektakel. De Bataks waarover de Lonely Planet spreekt zijn de mensen die daar wonen. Hun huizen zijn van hout en staan op palen, zoals overal in de tropen. Bijzonder zijn de zadelvormige daken met een scherpe nok, van golfplaat (vroeger van palmnerven, er is vooruitgang) en de wanden die wijken als de wanden van een schip. De voorzijde is uitbundig versierd met abstracte ornamentiek; schilderwerk en houtsnijwerk. Hun graven lijken op de huizen, met dezelfde dakvorm maar met twee verdiepingen. De onderste verdieping is de grafruimte, meestal een kamer, soms meer; het zal van de familiegrootte afhangen. De bovenste verdieping is het ossuarium. Dient zich een nieuwe bewoner aan, dan verhuizen de botten van zijn voorganger naar boven. Mensenhuizen en dodenhuizen: elegante, enigszins sprookjesachtige architectuur. Beslist iets voor toeristen. Mijn vader zou het fotoboek gepakt hebben en zeggen: “Kijk hier. Daar staat je moeder voor zo’n huis.” Ik vind vakantiefoto’s kijken verschrikkelijk – “Hier zie je Truus op het strand met reisleider Herman.” – maar van mijn vader kon ik het hebben omdat hij er nog zichtbaar van genoot.

DSCN1137-Batakhuizen(1)

De huizen van de Bataks, als uit een sprookje

Het verhaal gaat dat de Bataks vroeger kannibalen waren. Zou dat ‘vroeger’ de reden zijn dat het massatoerisme verleden tijd is? Ik bedoel: dat ze nu geen kannibalen meer zijn? Wat is er toeristisch gezien spectaculairder dan aan te schuiven bij een kannibalistisch feestmaal – liefst tijdens een ‘full-moon party’ – en dat thuis te kunnen vertellen? Ik geloof dat verhaal niet. Kannibalisme is een verschijnsel dat incidenteel voorkwam (voorkomt?) op geïsoleerde plaatsen. In het dichtbevolkte Sumatra met machtige rijken zou kannibalisme weinig kans maken: de omringende volkeren zouden de benen hebben genomen of – veel waarschijnlijker – de Bataks hebben verpletterd. Wie duldt een kannibalistische buurman naast zich? Het bewijs zou een stenen tafel zijn in het dorp Ambarita. In dat dorp staan twee cirkels van stenen stoelen. De ene cirkel is de plaats waar de dorpsoudsten vergaderden en recht spraken, de andere cirkel is de executieplaats en daar staat die stenen tafel. Volgens de plaatselijke gids werd het slachtoffer daarop vastgebonden, sneden in zijn huid gekerft, ingesmeerd met chili en knoflook en daarna geëxecuteerd. Die behandeling komt iets teveel overeen met een recept voor lamsbout uit het kookboek van de Amsterdamse Huishoudschool om geloofwaardig te zijn. Ik denk dat de gids het verhaal uit zijn duim zuigt om de plaats spannender te maken. Misschien is het uit de duim gezogen door de Hollanders om een koloniale expeditie te rechtvaardigen. Of het komt uit de duim van de omringende moslimvolkeren, om zich af te zetten tegen de christelijke Bataks. Dat komt veel voor: afkeer van en angst voor ‘andere’ mensen worden geprojecteerd in een demonische daad. Ik bezocht ‘ns Ahlat op de noordoever van het Van meer in Turkije. Bij Ahlat ligt een interessante begraafplaats met tombes en stenen uit de elfde en twaalfde eeuw en ik bezocht die plaats met ver achter mij een stoet kinderen. Logisch: een buitenlander, dat is interessant. Ik liep naar die kinderen en ze vluchtten als hazen. De baas van het hotel waar ik logeerde verklaarde: “Die kinderen is verteld: de christenman neemt je mee en eet je op.” In mijn kindertijd bestond eenzelfde dreigement: “Als je stout bent stopt Zwarte Piet je in een zak, neemt je mee naar Madrid en maakt daar speculaas van je.” Ik bekeek een speculaaspop altijd aandachtig, of ik er iemand in herkende die stout was geweest. Nee hoor, dat kannibalisme is uit de duim gezogen, net als de mensenetende christenman en Zwarte Piet.

 

DSCN1127-stone_chairs

De ‘stone chairs’ met de tafel.

Er gaat nog een verhaal over de Bataks: dat ze honden eten. Honden! Dat is bijna net zo erg als mensen eten. Gefluisterd wordt dat eetgelegenheden waar hond wordt geserveerd op het uithangbord een code ‘B2’ hebben. Een code als bij een geheim genootschap, spannender kan toch niet? Zou het bekend raken van de betekenis van die code misschien de reden zijn dat het massatoerisme verleden tijd is? Ik bedoel: dat de hondenliefhebbers het Toba meer mijden terwijl de liefhebbers van hond zijn gebleven? Veel zullen dat er toch niet zijn? Ik was in het dorp Ambarita, bezocht de cirkels met de stenen stoelen en de tafel, hoorde het verhaal aan over de bereiding van mensenbout en was toe aan de lunch. In de hoofdstraat is een restaurant dat aanbevolen was door mijn gastvrouw. Stond er op het uithangbord een code ‘B2’? Ik bestelde er soep. Die soep was niet lekker, hij smaakte muf. Ongeveer zoals een natte hond ruikt.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Zuidoost Azië en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op Wat men zegt over de Bataks

  1. Geert van der Velde zegt:

    Het is goed toeven bij de Bataks! Heb je de muziek van de groep Massada op Silington Island nog gehoord? Genieten maar …

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s