‘1Malaysia’

Een grote ‘1’ verpakt in de nationale vlag en daaroverheen ‘Malaysia’ is een veel voorkomend symbool in Maleisië. Die vlag: er is geen bewoonde plek in Maleisië of ergens is die vlag wel zichtbaar; aan huizengevels, langs de daklijst van de moskee, aan de winkelpui, op schuttingen, aan lantaarnpalen, op de achterruit van auto’s, op de bussen. De nationale vlag lijkt op die van de Verenigde Staten: horizontale banen rood en wit en een blauw vlak maar in plaats van de sterren een wassende maan die een ster omvat. Van een afstand gezien vermengt dat rood en wit tot roze, overal waarneembaar zodat roze de nationale kleur had kunnen zijn. Maleisië: nummer 1! Maleisië is trots en het icoon van die trots is de Petronas Twin Towers. Die torens zijn niet alleen adembenemend hoog – letterlijk: een technisch hoogstandje – maar ook adembenemend elegant. De architect heeft begrepen welk symbool Maleisië nodig had om te laten zien wat het is: een modern, ontwikkeld land. Maleisië heeft een goed wegennet met asfalt tot in de dorpen. Over dat asfalt rijden nieuwe auto’s; vooral de Proton, een auto van eigen bodem, en Japanners – Toyota, Nissan, Mitsubishi – en ook Mercedes, BMW en Porsche doen er goede zaken. Kortom: aan het wagenpark kun je zien dat er geld is onder de mensen. Meer tekenen van rijkdom? Ga eens naar de shopping malls, Suria KLCC bijvoorbeeld. Ik keek er mijn ogen uit: in de setting van een paleis met marmeren vloeren en heel veel chroom zijn er alle grote merken vertegenwoordigd in oogverblindende winkels. Armani en Boss, Benetton en Giap, Versace en Gucci, Ralph Lauren en Chanel, Cartier en Cerruti, Tissot en Tagheuer; you name it, its there, ook Diane von Fürstenberg heeft er een winkel. Over de food courts – op elke verdieping twee met alle keukens van de wereld – heb ik al geschreven. Suria KLCC doet mee in de wereldelite van de shopping malls; shopping malls van het kaliber Suria bestaan in Nederland niet en waarschijnlijk in heel Europa niet. Natuurlijk: Suria KLCC is een paradepaard – waar de Twin Towers symbool staan voor het technische succes, staat Suria KLCC voor het economisch succes – maar een grijze provinciestad als Kuantan heeft vijf shopping malls die vergelijkbaar zijn met Hoog Catharijne in Utrecht. Geld!

En toch, dat ‘1Malaysia’ klinkt net iets te luid en iets te schril om er geen vragen bij te stellen en geen poging te doen eens te krabben aan het chroom om te zien wat daar onder zit. Die Twin Towers van Petronas? Daewoo, een Zuidkoreaans bedrijf, meldt het trots bij haar andere projecten: hebben wij gebouwd! Die shopping malls? Het parade-paard Suria KLCC is natuurlijk top maar in de shopping malls van Kuantan staat veel winkelruimte leeg. Het winkelpubliek hangt er rond, zoekt er verkoeling – want ze zijn airconditioned – maar koopt bij de Maleisische variant van Zeeman. De inkomens-verdeling in Maleisië is als in veel landen: er is een kleine groep rijken en superrijken (een Maleisiër: “overrich!”), er is een grote middenklasse maar de mensen daaronder moeten gewoon sappelen. Die laatste categorie koopt niet in de shopping mall; ze fotograferen zichzelf, hun vriendin of vrouw in de futuristische setting van Suria KLCC; dat is voldoende om het gevoel te hebben deel uit te maken van de wereld waarin alles gekocht kan worden. Waarmee verdient Maleisië haar geld? Met de verkoop van grond-stoffen, vooral olie: aardolie uit het Maleisische deel van Borneo en palmolie. Ik zag uitgestrekte gebieden met louter oliepalmen en de resterende jungle wordt gekapt en omgezet in nog meer oliepalmplantages. Jason, mijn gids in de jungle van Cameron Highlands, maakt zich grote zorgen over het verdwijnen van het bos en de gevolgen ervan voor het milieu. Overigens zijn oliepalmplantages ecologisch gezien nog een paradijs vergeleken met rubberplantages. Oliepalmen zijn begroeid met varens en de plantages hebben een ondergroei, in een rubberplantage groeit niks behalve rubberbomen. Rubberplantages zag ik niet in Maleisië, wel in Thailand en vooral in Cambodja. Waarom geen rubberplantages in Maleisië? Abdul Rahman, bij wie ik logeerde in Kuala Tahan: “Voor rubber moet je elke dag vroeg je bed uit. Wie niet tapt heeft geen rubber. Maar oliepalmen groeien vanzelf en alleen tien dagen per jaar moet er gewerkt worden om de vruchten te oogsten.” Ik ontmoette de werkers in die plantages: Burmezen, Bengalis, Nepalezen; gastarbeiders. Palmolie is een vloek, niet alleen voor het milieu, ook voor de landbouw. Landbouw zag ik nergens, afgezien van wat veldjes suikerriet. Maleisië verbouwt nauwelijks voedingsgewassen, alles wordt ingevoerd: groenten en fruit, rijst en aardappelen. Aardolie is net zo’n vloek: je hoeft er weinig voor te doen, het komt gratis uit de grond, dus waarom zou je werken? In de aanloop naar de onafhankelijkheid scheidde Singapore zich af. De Maleisiërs vonden dat prima: een stadsstaatje zonder olie, wat kan dat nou worden? Nu is Singapore nog rijker dan Maleisië, pendelen tienduizenden Maleisiërs dagelijks naar het werk in Singapore en kopen Singaporezen grote huizen in Maleisië. Het echte geld wordt verdient met werken, met handen en hersens, niet met olie. Aardolie is vloek en zegen tegelijkertijd. Van het oliegeld worden de wegen betaald, worden scholen en klinieken in de dorpen betaald en wordt de orang asli, de inheemse bevolking, uit het bos gehaald en gehuisvest in dorpen zodat ook zij kunnen genieten van de klinieken en de scholen, zonder dat ze de palmolie-industrie in de weg staan.

‘1Malaysia’ kan ook begrepen worden als ‘Maleisië is één’. Dat is een bezweringsformule want Maleisië is niet één. Het land heeft drie bevolkingsgroepen: de Maleiers, de Chinezen en de Indiërs (en de orang asli en de gastarbeiders maar die doen er niet toe). Die groepen leven met elkaar maar vooral naast elkaar: de Chinezen in Chinatown, de Indiërs in Little India en de Maleiers in de rest. Chinese kinderen gaan naar de Chinese school, Indiase kinderen naar de Indiase school en Maleise kinderen naar de nationale school. Alleen het christelijk onderwijs is gemengd. De tempel is de tempel en de moskee is de moskee. Maleiers, Chinezen en Indiërs: ze laten elkaar met rust maar één is het niet. Maleisië heeft van de verscheidenheid een deugd weten de maken met de toeristische slagzin ‘Malaysia truly Asia’: een multiculturele samenleving van alle grote Aziatische bevolkingsgroepen. Schone schijn: er zijn ernstige rellen geweest waarbij vooral de Chinese bevolkingsgroep klop heeft gekregen. De oorzaak lag, zoals altijd, in economische achterstelling. De Chinezen en Indiërs hadden de economische macht in handen en de Maleiers het nakijken. Sinds die rellen voert Maleisië een politiek van positieve discriminatie. Ik weet niet of dat helpt. Meer dan een Indiase jongere klaagt over achterstelling maar Indiërs klagen altijd en gaan vrolijk door elkaar de bal toe te spelen.

Maleisië benadrukt het islamitisch karakter van het land. Het vrijdaggebed wordt uitgezonden op de televisie, met de gedragen stem van de commentator die in Nederland alleen bij de kranslegging op de Dam tijdens de dodenherdenking gebruikelijk is. Er worden nieuwe moskeeën gebouwd, van het oliegeld neem ik aan, en in het straatbeeld overheerst de hoofddoek. Het moet Maleiers het gevoel geven dat Maleisië hun land is. Dat benadrukken van het islamitische karakter gebeurt met souplesse. De hoofddoek is kleurig en tamelijk modieus, niet verplicht en niet alle moslima’s gaan gehoofddoekt door het leven. Abdul Rahman en zijn vrouw zijn vrome moslims maar zij draagt geen hoofddoek. Ik vraag haar ernaar. “Ik heb nooit een hoofddoek gedragen” zegt ze “en de Koran verplicht er niet toe.” Voor haar is daarmee de kous af. De gruwel van alcohol bestrijdt de Maleisische overheid niet met een verbod, ze zet gewoon het belastingwapen in, als elke andere verstandige regering zou doen. Bier is verkrijgbaar bij de Chinees maar is duur naar Aziatische maatstaven. Zeck, van Zeck’s Travellers Inn, is een aardige vent en een vroom moslim. Als je een biertje wil drinken, dan kan dat maar “geen alcohol parties, gebruik niet onze glazen en gooi de blikjes in de vuilnisbak.” Het idee dat een van zijn glazen door alcohol bezoedeld zou kunnen zijn of dat hij zo’n zondig blikje zou moeten aanraken, is teveel voor hem. Voor andere gruwelen toont de overheid een blind oog. Homoseksualiteit is bij wet verboden maar bestaat openlijk. Thaise gays die Phuket moe zijn gaan een weekend naar Kuala Lumpur, niet om er zweepslagen te ontvangen maar om er lekker uit te gaan. Een enkele keer wordt de wet gebruikt om een politieke rivaal uit te schakelen. “Iedereen weet dat hij homo is maar dat hoef je toch niet uit te spelen” zegt de aanhanger van de oppositie verongelijkt. Prostitutie? In Ipoh staan de hoeren langs de straat, de politie kijkt de andere kant op. De overheid heeft begrepen: ‘Malaysia truly Asia’ vereist gedogen, zoals elke verstandige overheid zou doen.

‘1Malaysia’ kan ook begrepen worden als een uiting van onzekerheid. Economisch met betrekking tot Singapore, cultureel in de relatie met het westen. Dat laatste heeft Maleisië gemeen met alle islamitische landen die ik bezocht. Is daar reden toe? Jason C. is getrouwd met een Britse: “Mijn schoonvader heeft voor ons huwelijk geen woord met me gewisseld. Tijdens de huwelijksplechtigheid kon er met moeite een woord af. Na ons huwelijk hebben wij hem uitgenodigd. Toe hij de highrises van Kuala Lumpur zag begreep hij dat ik niet uit een apenland kwam en was het ijs gebroken.” Dat is het belang van die Petronas Twin Towers: de boodschap “Maleisië is géén apenland”.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Zuidoost Azië en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s