Tussen JB Sentral en Woodland

Singapore? Moet ik naar Singapore? Is Singapore een stad waar je geweest moet zijn? Zou het een mijlpaal zijn op de Lange Weg Naar Beneden? Ach, ik ben in zoveel steden geweest waar je geweest moet zijn en het zijn evenzoveel mijlpalen. Ga maar na, alleen al op deze reis: Istanbul, Teheran, Lahore, Islamabad, Delhi, Varanasi, Kolkata, Bangkok, Kuala Lumpur. Ik ben in zoveel steden geweest waar je geweest moet zijn, ik kan kwartetten – ben ik nu blasé? – en daarom hoeft Singapore niet per se aan dat lijstje te worden toegevoegd. Ik zou Singapore kunnen laten op het lijstje van steden waar je geweest moet zijn en waar ik niet geweest ben: New York, Moskou, Mumbai, Being, Shanghai. Er is maar één reden om Singapore te bezoeken: de botanische tuin. Ik heb ook een lijstje van botanische tuinen waar je geweest moet zijn en waar ik geweest ben: Stellenbosch National Botanic Gardens bij Kaapstad, de Jardim Botanico van Rio de Janeiro, de Jardin Zoobotanique van Belem, de Botanischer Garten van Berlijn en natuurlijk de botanische tuin van de Rijksuniversiteit van Utrecht. Het is me op het hart gedrukt: die van Singapore hoort op dat lijstje (Kew Gardens hoort ook op dat lijstje maar dat is voor later, als ik oud ben en moeilijk ter been). Het is een reden om Singapore te bezoeken, niet om er te verblijven. Ik heb wat uitzoekwerk gedaan en ben geschrokken: wat is het daar af-schu-we-lijk duur! Ik vond geen hotel onder de tachtig dollar, zelfs voor een bed in de dormitory – die ik mijd als het enigszins kan – wordt vijftig dollar gevraagd. Mijn dagbudget is vijftig euro en daarvan moet ik alles doen: eten, slapen, bezienswaardigheid bezoeken, benzine kopen, motor onderhouden en af en toe transporteren en het lenigen van andermans nood. Daar komt bij dat ik er een grens voor over moet, met alle bureaucratische rompslomp die bij een grensovergang hoort: visum, Carnet de passage, stempeltje hier, stempeltje daar, formuliertje zus, formuliertje zo. Mijn Maleisische motorvoertuigenverzekering is niet geldig in Singapore; ik zou een nieuwe verzekering moeten afsluiten bij een Singaporese verzekeringsmaatschappij. Dat laatste deed voor mij de deur naar een verblijf in Singapore definitief dicht. Ik bezoek Singapore vanuit Johor Bahru in Maleisië voor ’n dag en met het openbaar vervoer. Johor Bahru – ‘JB’ in local slang – is van Singapore gescheiden door een nauwe zeestraat en er weer mee verbonden door een causeway. Ik logeer in Lavender Inn in Permas, een suburb van JB, voor drieënzestig ringit, vijftien euro; een vijfde van de prijs die ik in Singapore voor het goedkoopste aggenebisj hotel zou betalen. Voor die drieënzestig ringit heb ik een eenpersoons kamer met douche en toilet, met airco – en met een dekbed ter bescherming tegen de kou van de airco – zonder raam en wel met de lieve glimlach van de Chinese receptioniste en met een bewaker die op mijn motor past.

Hoe in Singapore te komen? Ik heb wat gesurft op het internet en kom tot het volgende. Het Maleisische immigratiekantoor is in Larkin Terminal, het Singaporese immigratie-kantoor is aan de overkant van de zeestraat in Woodland Terminal en vanaf Larkin gaat een bus, de Causeway Link, via Woodland naar het hart van Singapore. Ik ben vroeg opgestaan, om zeven uur, want ik wil wat aan mijn dag hebben. De zon is net op – de zon gaat om zeven uur op en ook weer om zeven uur onder – en het is nog koel buiten. Volgens de receptioniste kan ik het best een taxi nemen. Dat vind ik niet avontuurlijk; ik neem de bus. Lijn 10 komt niet langs Larkin Terminal maar lijn 123 wel. De buschauffeur is een indische jongen met glinstersteentjes in zijn oorlellen en op het hoofd een baseball petje met een grote groene klep waarop staat ‘Yaya’; misschien zijn naam. Hij is de koning van zijn bus. De radio naast hem schalt luid hindoepop met het dubbelsnelle ritme, om half acht ’s morgens. Ik zie zijn gezicht in de binnenspiegel; knappe jongen. De bus stopt bij Larkin Terminal maar daar stapt niemand uit. “Next stop” zegt de buskoning. De volgende halte is JB Sentral, het bus- en treinstation, en daar stapt iedereen uit. Ik volg de passagiers de roltrap op en door lange gangen. Ik zit goed want er hangen bordjes met ‘Woodland’ erop. Die lange gangen komen uit in een grote hal met misschien wel twintig loketten van de immigratiedienst. Van die twintig loketten zijn er tien open en daarvoor staan lange rijen wachtenden tussen dranghekken. Een enkele toerist maar vooral lokale mensen, denkelijk op weg naar hun werk in Singapore. Van elke passant wordt de pasfoto bekeken en de persoonsgegevens ingelezen in de computer om te zien of er een signalering is. Dat duurt wel even. Ik sta twintig minuten in de rij en alle anderen dus ook, mensen die naar hun werk moeten. Voorbij de loketten zijn weer lange gangen en roltrappen naar beneden die uitkomen op een busstation. Honderden mensen staan te wachten op de 170, de CW1 en de CW2, bussen naar het centrum van Singapore. Ik wacht weer twintig minuten, deze keer totdat ik aan de beurt ben voor de bus, en heel veel andere mensen dus ook, mensen die naar hun werk moeten. De bus rijdt de busbaan van de Causeway op. Ernaast staat een file van auto’s, motoren en brommers richting Singapore. Goed dat ik er niet voor heb gekozen om met de motor naar Singapore te gaan. Overigens staat op de busbaan ook een lange file naar de Woodland Terminal. Woodland Terminal: roltrappen naar boven, lange gangen die uitkomen in een grote hal waar de immigratiedienst huist, wel twintig loketten waarvan er tien open zijn en lange rijen wachtenden tussen dranghekken. Twintig minuten wachten. Zij, die naar hun werk moeten, en ik ondergaan dezelfde procedure met dit verschil dat ik nog een inreiskaart moet invullen (de immigratiebeambte leest de kaart met mijn voornamen: “Hoe moet ik u noemen? Gerard?” “No, Mathew”. “Welcome to Singapore, mister Mathew” Hij stempelt een visum voor een maand in mijn paspoort). Voorbij de immigratieloketten gaan lange gangen naar roltrappen naar beneden naar het busplatform. Daar staan honderden mensen te wachten op het vervolg van hun reis met de 170, de CW1 of de CW2. De rit naar Newton Circus, het eindpunt van de CW2, duurt een half uur in langzaam voortkruipend verkeer. Vanaf Newton Circus is het nog een half uur lopen naar de Botanic Gardens. Ik vertrok om half acht en ben tegen elven bij de tuin; drie en een half uur over dertig kilometer. Om half zeven neem ik weer de CW2 terug naar Johor Bahru. De bus kruipt in de file naar Woodland Terminal, roltrap op, lange gangen door, immigratiedienst, lange gangen door, roltrap af, de bus in die voortkruipt in de file over de causeway naar JB Sentral, roltrap op, lange gangen door, immigratiedienst (ik krijg een nieuw visum voor drie maanden), lange gangen door, roltrap omlaag naar het busplatform voor de 123 die mij terugbrengt naar Perwas. Om negen uur doe ik de deur van mijn hotelkamer open. Totale reistijd, heen en terug: zeven uur. Is dat erg? Niet voor mij want ik heb tijd maar al die mensen uit Johor Barhu die werken in Singapore doen er ook zeven uur over. Die reistijd had een uur kunnen zijn als er niet dat grensobstakel was. Wie dat tot zich laat doordringen begrijpt wat een groot goed het vrije personenverkeer in Europa is, een verworvenheid die menig Europeaan vergeten lijkt te zijn. Het zou goed zijn om een week per jaar – bijvoorbeeld in december, als het donker is en koud en nat en iedereen kerstinkopen wil doen – de grenscontrole in te voeren. Dat kan natuurlijk niet en daarom schrijf ik mijn ervaring zo uitgebreid op.

Het enige bewijs dat ik in Singapore was

Het enige bewijs dat ik in Singapore was

En hoe was de Botanic Gardens waarvoor ik al die moeite deed? Teleurstellend: het is minder een botanische tuin, meer een showtuin. In een botanische tuin staan bordjes bij de planten met daarop de lokale en de wetenschappelijke naam, liefst aangevuld met wat informatie over de ecologie en enige bijzonderheden (is hij eetbaar? Levert hij een grondstof voor een medicijn? Is het een levend fossiel?). In een showtuin staan de planten er voor “oh” en “ah”. Het een hoeft het ander niet uit te sluiten: een goede botanische tuin verschaft niet alleen informatie op bordjes maar heeft de planten ook aantrekkelijk opgesteld. Bij Singapore Botanic Gardens gaat het vooral om de show. De orchideeën afdeling: allemaal hybriden, geselecteerd op zo groot en kleurrijk mogelijke bloemen; geen informatie. Er is een VIP-sectie met orchideeën die genoemd zijn naar staatshoofden en andere hotshots, waarvan de meesten al lang door de geschiedenis zijn begraven en vergeten. Ik kwam voor de bosorchideeën – de jungle van Maleisië is bekend om haar soortenrijkdom – en de meeste hebben tamelijk kleine en daardoor onopvallende bloemen. Afgezien van de bamboe orchidee, die uitbundig bloeit op de hoge hellingen van Cameron Highlands, zag ik in de tuin geen enkele natuurlijke ochidee; allemaal hybriden. De afdeling Zingiberaceaen – de gemberfamilie; de Maleisische bossen zijn rijk aan gembersoorten – is een ramp: er staan wel bordjes maar bij de verkeerde plant en veel soorten ontbreken. Niet attractief genoeg? Te midden van het gembergeweld staat een Ensete, de nepbanaan. Wat doet die daar? Die staat daar met zijn grote mooie gele bloem attractief te wezen.

Ensete lasiocarpum, de nepbanaan

Ensete lasiocarpum, de nepbanaan

Ik heb geen afdeling varens gevonden hoewel het tropisch bos tjokvol varens staat (ik was op zoek naar de naam van een varen met een opvallend gekleurd, bijna blauw, blad). De palmen afdeling is de enige die het predicaat “botanische tuin” verdient, in mijn ogen: de palmen zijn voorzien van naambordjes met af en toe nog wat uitleg en zijn landschappelijk aantrekkelijk gerangschikt. Dat is met palmen niet zo moeilijk: de kleuren groen en de verschillende bladvormen laten zich goed combineren en palmen kunnen veel van elkaar hebben dus je hoeft je niet af te vragen of ze wel samen in een bosje kunnen. De meeste palmen zijn overigens exoten die niet in Maleisië voorkomen. Hoort Singapore Botanic Gardens tot de botanische tuinen waar je geweest moet zijn? Misschien voor de servicebalie. Daarachter zit een jongen die van wanten weet maar dat wist ik toen nog niet. Ik: “Op de Perhentian Islands zag ik een boom met grote kwastvormige bloemen, een nachtbloeier. Is er misschien iemand die mij zou kunnen helpen aan de naam?” De jongen: “Misschien kan ik u helpen?” Ik: “Het lijkt me iets voor een deskundige.” Ik kan heel erg onaardig zijn. De jongen negeert de afwijzing: “Hebt u een foto van die bloem?” Ik laat hem de foto op mijn tablet zien. Hij pakt een vuistdikke flora en begint te bladeren. Binnen dertig seconden toont hij mij een foto in het boek: het is de Barringtonia asiatica.

Dit is de Barringtonia asiatica

Dit is de Barringtonia asiatica

Ik was in Singapore. Singapore kan geschrapt worden van het lijstje steden waar je geweest moet zijn en waar ik nog niet geweest ben.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Zuidoost Azië en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s