Over de grens

Mijn laatste avond in Thailand bracht ik door in Hat Yai. Hat Yai ligt op vijftig kilometer van de grens met Maleisië en heeft ook het karakter van een grensstad, een beetje rommelig en het volgende land kondigt zich al aan: veel moskeeën, bordjes die wijzen naar een moskee, meisjes met hoofddoekjes. Thailand is Boeddhistisch en Maleisië Islamitisch. Die avond bereid ik me voor op de grensovergang. Uit mijn reismap haal ik het Carnet de Passages, de Thaise invoerpapieren van de motor, mijn internationale rijbewijs en een setje pasfoto’s. Het vaccinatieboekje laat ik in de map; Maleisië vraagt niet om een vaccinatiebewijs tegen Gele Koorts en ook niet om een “no cholera”-verklaring. Ik lees nog eens de informatie door die ik heb verzameld van collegareizigers over de grensovergang bij Hitam. Mattam adviseert: “Better to get your CdP stamped when you enter Malaysia. You have to ask for it when you cross landborder from Thailand.” Ik weet van andere reizigers dat de Maleise douane erg nonchalant is als je het land binnenkomt maar erg secuur als je eruit wil. Kudi informeert: “After you cross over to Malaysia stop just 20m after the checkpoint. You’ll find 2 insurance companies at the right side (AAM and Kurnia I think) they will sell you an insurance for pretty cheap. Once you have the insurance you can go and register your bike officially in Malaysia next door, there’s an JPJ office (transportation department), they’ll give you a sticker and stamp for 1 or 2 months.” Zulke dingen wil je weten. ‘Mattam’ en ‘Kudi’ zijn nicknames op HorizonsUnlimited’s Bulletin Board; de HUBB is een schatkamer aan informatie voor de reiziger, daar kan geen ambassade tegenop.

De Thaise immigratieambtenaar plaatst het uitreisstempel in mijn paspoort. De douaneman neemt het invoerdocument voor mijn motor in en telt op de kalender het aantal verblijfdagen. Het niet hebben van een invoerdocument of het overschrijden van de limiet voor tijdelijke invoer wordt bestraft met een boete van duizend baht; het staat op een groot affiche aan de deur van het douanekantoor. Er kan dus geld worden verdiend en daarom telt’ie. De Maleisische grenspost ligt een kilometer verderop. Zo’n grote afstand zegt veel over de relaties tussen Maleisië en Thailand. Die zijn koel en de oorzaak daarvan ligt in de geschiedenis. In de negentiende eeuw heeft het Koninkrijk van Siam, de voorloper van Thailand, de zuidelijke islamitische provincies ingelijfd. Maleisië bestond nog niet, er waren sultanaten en Strait Settlements, maar het doet evengoed pijn aan het nationaal bewustzijn. Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft Thailand de noordelijke gebieden van Maleisië bezet op uitnodiging van de Japanners op wiens hand de Thais waren. Pijnpuntjes die weliswaar formeel vergeven zijn maar niet vergeten. De Maleisische immigratieambtenaar plakt een visumzegel in mijn paspoort; ik mag drie maanden blijven en het visum is gratis. Ik moet zoeken naar de douane – “U moet niet bij ons zijn maar bij de uniformdienst” – want niemand stelt vragen over de invoer van mijn motor. Mattam had het voorzegd. Daarna volg ik Kudi. Aan de overkant van de weg staat het gebouw van het Ministerie van Transport, ernaast een ruïne en daarvoor twee party-baldakijnen. Dat is het tijdelijke kantoor van de verzekeringsmaatschappij. Onder de baldakijnen staan tafels met papieren, computers en printers, bestierd door twee gehoofddoekte meisjes met een lieve glimlach. Ik kan verzekerd worden voor 1 maand, drie maanden of zes maanden. Ik kies voor drie maanden, want zolang is ook mijn visum geldig, en dat kost honderdveertig ringgit, vijfendertig euro. De laatste stap is de registratie bij het Ministerie van Transport. Die geven het International Circulation Permit af, het recht gebruik te maken van de wegen, en dat is gratis. Totale tijd voor de hele grensadministratie: twee uren. Dat is tamelijk kort, ik heb er weleens een halve dag aan besteed.

Europa, althans het Schengengebied, kent geen grensovergangen meer. Natuurlijk, er zijn grenzen – alle landen hebben grenzen – en dus ga je een grens over maar die grens is slechts gemarkeerd met een bordje. Er zijn geen grensposten met slagbomen en hekken, met gebouwen en loketten en wachtbanken, met ambtenaren van de immigratiedienst, de politie, de douane, de verzekeringsmaatschappij, de veterinaire dienst, van het Ministerie van Transport en, soms, van de veiligheidsdienst, met bussen, auto’s, trucks, motorfietsen, paarden, ezels en dromedarissen, met gedrang van mensen met koffers en tassen, dozen en pakken. Het is een zegen dat die grensposten in Europa niet meer bestaan vanwege het gedoe, de eindeloze administratie, het tijdverlies. Het is ook een gemis. Ik mis in het Europa zonder grensposten de spanning van het onbekende en het onverwachte die hoort bij grensposten. Is de post wel open? Mag een vreemdeling er passeren? Zouden er veranderingen in de regels zijn of nieuwe regels? Welke nieuwe, mij nog onbekende documenten heb ik nodig? Wat is in hemelsnaam een International Circulation Permit? Waar zit de douane? Wie moet wat tekenen? Waar is die vent gebleven aan wie ik zojuist mijn Carnet heb gegeven? Let er op dat de administratie van het Carnet goed wordt uitgevoerd, dat het visum wordt gestempeld voor de maximaal toegestane verblijfsduur! Ik mis het gesprek met de immigratieambtenaar: “Hoe heet u? Hoe heet uw vader? En uw moeder? Waar zijn uw vrouw en uw kinderen? Hoeveel kinderen hebt u? Ik heb er vijf en mijn vrouw krijgt binnenkort de zesde. In welke landen bent u geweest? Is het waar dat daar …?” Vragen en antwoorden die mensen een gezicht geven en tot medemensen maken. Met de douaneambtenaar – “U bent hierheen gereden? Dat kan toch niet, tussen Europa en ons ligt toch een grote zee?” Ik mis ook die mensen die het obstakel van de grenspost nemen omwille van werk, handel, toekomst, familiebezoek, nieuwsgierigheid. Ik ben een van hen, het obstakel verbroedert ook al ben ik vaak een BIG – een Bijzonder Interessant Geval – dat met voorrang wordt behandeld.

De afwezigheid van grensposten in Europa is ook een gemis omdat zo’n post een soort initiatieplaats is waar je afscheid neemt van het ene land (of het eigen land) en ingewijd wordt in het andere. Ik nam afscheid van Thailand, van de eindeloze bossen, van de tempels, van de ruïnes van Siamese grootheid, van de vlekkeloze service, van de tankstations met een 7-11 en een Amazon coffeeshop. Heb ik Thailand begrepen? Thailand is verborgen achter de glimlach façade zoals India verborgen is achter het magische Getal. Ik was in Thailand toen er een staatsgreep werd gepleegd. Die leek in niets op de langzame staatsgreep tegen Mubarak in Egypte die ik ook meemaakte. Daar: tanks op de straten, brandende gebouwen, uitgebrande voertuigen van de oproerpolitie, massa’s mensen op straat die leuzen roepen, stenen en vechtpartijen, gesloten banken, vluchtende toeristen, paniekerige expats. In Thailand niets van dat alles; een paar pantserauto’s langs de snelweg naar het vliegveld en twee dagen een avondklok totdat de toeristenindustrie begon te klagen. De man aan de knoppen is vervangen maar de staatsmachine bleef zorgvuldig onaangetast. Iemand zei me: “Ach, de staatsgreep, het is wel goed, de politieke onrust begon de economie te raken.” Dat is waar het in Thailand om draait. De nieuwe machthebbers begonnen een zonneschijn campagne, met grote billboards langs de weg waarop een generaal is te zien omringd door gelukzalig tegen hem opkijkende kinderen, met openbare concerten, gratis filmvoorstellingen en de couppleger legt alles op televisie nog eens geduldig uit. Een fluwelen coup, passend bij een beschaafd ontwikkeld land? Moritz, een expat met goede connecties: “Er verdwijnen hier mensen en daarover wordt gezwegen. De politie in de noordelijke grensgebieden verbrandt drugsmokkelaars levend.” Thailand heeft van de International Labour Organisation een uitbrander gekregen vanwege slavernij waartegen niets wordt ondernomen. Dat is óók Thailand achter de glimlach façade.

Ik zag veel westerse mannen met een piepjonge Thaise vrouw. Mannen van middelbare leeftijd of daarboven, vaak met een verlopen kop en een stevige buik. Die mannen kunnen voor vrouwen, ook voor Thaise vrouwen, onmogelijk fysiek aantrekkelijk zijn. Ik ontmoette Gershon die er lustig op los date en er ondertussen een vriendin op na houdt voor de weekendseks. Ik ontmoette Didier die getrouwd is met een Thaise. Hij liet me haar op de trouwfoto zien: een jonge vrouw in een deftige sarong in een bloementuin, de tuin van hun huis in Frankrijk. Op ’n dag vertrok ze naar Thailand omdat haar zus ernstig ziek zou zijn. Maanden hoorde Didier niets. Hij ging haar zoeken en vond haar bij een Thaise man. “Ze had met mij alles. Een prachtig huis en een kat waar ze dol op was. Nu hokt ze met een man die niets heeft.” Hij wil haar terug en hij wil van haar scheiden maar de grootste nachtmerrie is dat huis: “Ohoh, als ze nu maar de afstandsverklaring wil tekenen” kreunde Didier. Dat is óók Thailand achter de glimlach façade. Wat zoekt een westerse man bij een Thaise vrouw? Wat zoekt een Thaise vrouw bij een westerse man? Didier: “Een Thaise vrouw ziet een westerse man als een geldautomaat.” Maar ze ging wel van hem weg, weg van de geldautomaat, naar een man zonder geld, dus zo eenvoudig is de verklaring niet.

Thailand deed me aan Japan denken. Dezelfde bleke architectuur in beton en de enkele tempel te midden van dat beton als een edelsteen in een lelijke zetting en hetzelfde talent voor design dat zo scherp contrasteert met die bleke architectuur. Dezelfde 7-11’s in iedere straat. Dezelfde sociale orde, dezelfde wijkpolitie die overal aanwezig is, dezelfde saamhorigheid (in ieder geval naar buiten toe), dezelfde verering voor de koning als voor de keizer in Japan, dezelfde mentaliteit van hard werken. En toch verschillend, Thais zijn geen Japanners. Japanners zijn gesloten, zijn huiverig voor de buitenwereld omdat ze bang zijn fouten te maken en gezichtsverlies te lijden, hechten daarom aan rituelen en spreken het Engels dat ze op school leren liever niet. Ook Thais zijn bang voor gezichtsverlies – stem verheffen of driftig worden betekent gezichtsverlies – maar het is geen obsessie als in Japan. Thais zijn opener, expressiever, lachen meer. Velen spreken goed Engels; Thailand is veel meer verbonden met de grote wereld dan Japan.

Achter Hitam begint de snelweg naar Kuala Lumpur. Het is een tolweg maar de motorrijder is vrijgesteld. Langs de tolplaatsen is een keurig geasfalteerd paadje aangelegd, als in India (maar daar niet zo keurig), om de motorrijder te laten passeren. Langs de weg staan bordjes, meestal in de buurt van viaducten, met daarop een parapluutje en een motor. Wat is dat? Een waarschuwing voor de gevaren van rijden tijdens regen? Nee, die bordjes verwijzen naar schuilplaatsen voor de motorrijder. Onder zo’n viaduct zijn twee openingen gemaakt in de vangrail om de motorrijder in en uit te laten. Hij staat er droog en niet op de gevaarlijke vluchtstrook. Maleisië heeft de Rechten van de Motorrijder hoog in het vaandel! Kom om zo’n voorziening eens in Nederland!

IMG_6465-regenschuilplaats

Dit bord wijst naar een schuilplaats tegen de regen, voor motorrijders

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Zuidoost Azië en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s