Leven in Bangkok

Om vier uur stond ik aan de stadsrand van Bangkok op twintig kilometer van mijn bestemming. Om half negen kwam ik aan bij Bluefin Guesthouse. Viereneenhalf uur over twintig kilometer. Een verkeersinfarct. De tijdmelding van de verkeerslichten werkt niet meer, een rode streep, en dat is ook een signaal: het is hopeloos. Politieagenten staan werkloos langs de weg; er is niets aan te doen. Ach, afleiding genoeg. Op bijna elke straathoek hangt een groot digitaal billboard dat reclames toont, nieuwsflitsen, filmfragmenten. Ik heb vanaf mijn motor een volledige documentaire kunnen bekijken van National Geographic over het baltsgedrag van een paradijsvogelsoort op Nieuw-Guinea. Het is vooral heet. Aan de hitte van het klimaat wordt de hitte van de verbrandingsmotoren toegevoegd. Het is stil, afgezien van het ronken van die motoren. Niemand toetert. Tegen wie of wat zou je toeteren? Ergens ver achter me gilt de sirene van een ambulance. Iemand met een hartinfarct? Een vrouw die moet bevallen? De patiënt heeft pech. Een verkeersinfarct in Nederland zal beslist de voorpagina’s van de kranten halen. Niet in Thailand. Een verkeersinfarct in Bangkok is niet uitzonderlijk op vrijdag en deze vrijdag is het begin van een lang weekend in verband met de verjaardag van de koningin. Op alle dagen en op elk uur staan de hoofdwegen vol langzaam voortkruipende files. Het hoort er gewoon bij. Alles is gedaan om de stad berijdbaar te houden, met elektronische adviesborden, met wisselstroken en met snelwegen op twee verdiepingen. Bangkok lijkt op het Prins Clausplein op megaschaal te midden van woonwijken en winkelcentra. Stedenschoon en leefomgeving zijn opgeofferd – snelwegen passeren huiskamers op vijf meter afstand – in de strijd om de berijdbaarheid. Het blikken bloed moet blijven stromen.

Bangkok, verkeersdrukte op een gewoon uur.

Bangkok, verkeersdrukte op een gewoon uur.

Bluefin hoort tot de goedkopies. Voor tweehonderdtwintig baht – vijf euro – heb ik een kamertje van drie bij vier met een eenpersoonsbed en een keihard Thais matras, een tafeltje, een stoel, een plafondventilator en een tafelventalitor, genoeg spijkers in de wanden om al mijn kleren aan op te hangen en twee lampen die het ook doen. Geen airco – dat is in het moessonseizoen ook niet nodig – en drie gemeenschappelijke douches met alleen koud water. Daar staat veel tegenover. Het is er schoon en ik slaap er prima. Mijn motor heeft zijn eigen slaapplaats op de binnenplaats, binnen het hek en onder een partybaldakijn. Er is een keuken waar je zelf kunt koken en mevrouw Noi – de buurvrouw van eigenaar Bom – doet de was voor een euro. Het belangrijkste: er is een gemeenschap van een enkele passant en vooral langverblijvers, mensen die voor langere tijd in Bangkok moeten zijn – bijvoorbeeld omdat ze er studeren – en mensen die er door de wind zijn heen gedreven. Cem uit Turkije, Mbongo uit Botswana, Ben uit Hongarije, Lukas – “fucking” – uit de Verenigde Staten, Jay van de Filipijnen.

Mijn beste maat gedurende mijn verblijf bij Bluefin is Gershon. Hij stelt zich voor: “Ik ben Canadees maar ik kom uit Hongarije, uit Transsylvanie.” Gershon is drieënzestig, heeft een grote buik, hangtieten, een wrat op zijn rug en een melancholieke hondenkop met een hangsnor. Hij praat met Ben Hongaars en is daar blij mee, praten in moederstaal. Ik vraag “Hoe is een Hongaar in Canada terecht gekomen?” Gershon: “Ik werkte voor een bedrijf dat binnenschepen maakte, vooral voor de Sovjet Unie. Meestal voor niks want het was broederhulp. Toen stortte de Sovjet Unie in en veranderde het systeem. Ons bedrijf ging van hand tot hand, een paar keer failliet en iedere keer moesten we voor minder werken. We waren gewoon een speelkaart in handen van grote mensen. Uiteindelijk gingen we caterpillars assembleren. Op een dag vond ik een briefje tussen de onderdelen: “Wij werken voor tien pond per uur, jullie voor tien cent.” Ik begreep dat mijn kinderen in Hongarije geen toekomst zouden hebben. Iemand deed een aanbod: “Voor vijfhonderd dollar laat ik je emigreren naar Canada en als je daar geen werk vindt krijg je de helft terug.” Ik moest op de ambassade komen voor een gesprek om mijn Engels te testen. Ik had Engels geleerd uit een boekje maar het was goed genoeg. Ik kwam in Canada bij een bedrijf en ze vroegen “Wat is er mis met die machine?” Ik zag het en zei het en toen was ik aangenomen. Ik heb mijn gezin laten overkomen. Nu heb ik een huis, een buitenhuis en een auto.” Gershon is door de wereldstorm opgepakt en van Transsylvanië in Canada neergesmeten maar Transsylvaniër gebleven. En wat doet een Transsylvanische Canadees in Bangkok? “Mijn huwelijk liep stuk. Mijn vrouw wilde niet meer. Ze is depressief. Daarom ging ik op reis.” “Heb je eerder gereisd?” “Nee, dit is de eerste keer.” “Waarom naar Thailand? Waarom niet naar Mexico zoals veel Amerikanen doen?” “Mexico is veel te gevaarlijk en ik had gehoord dat hier veel leuke en makkelijke meisjes zijn. Daarom ben ik hier: ik wil een vrouw, ik wil niet alleen zijn.” “En …?” “Ben en Mbongo hebben me een keer meegenomen naar een nachtclub. Daar waren wel honderd meisjes. Naakt. Ze komen naast je zitten en op je knie. Een gaf me een klapje met een zweep en toen gaf ik haar een klap op haar billen.” Dat met die meisjes gaat wel goed. Hij heeft al een vaste vriendin, “voor de seks”. Ze woont en werkt in Ayuttaya en komt het weekend naar Gershon. En hij heeft twee date-vriendinnen. En hij flirt in het park: “Het is heel gemakkelijk. Er liep een meisje voor me. Ze speelde met haar telefoon. Ik zei tegen haar “Ik heb mijn telefoon niet bij me, anders zou ik je bellen.” Nu heb ik haar nummer.” “Gershon, komen die vrouwen voor jou of voor je geld?” “Dat kan me niks schelen want ik heb niks. Mijn huis heb ik gegeven aan mijn zoon en mijn buitenhuis aan mijn dochter. Alleen voor de belastinginspecteur ben ik rijk. Die heeft me aangeslagen voor de dagwaarde zodat ik alleen maar armer wordt. Volgend jaar krijg ik pensioen. Dan zal het beter gaan.” Gershon, is dat nou een sekstoerist, zo een die met de nek moet worden aangekeken? Hij gaat nergens naar toe. Niet naar het paleis. Niet naar de tempels. Niet naar het museum. Alleen naar het park om te flirten. En verder wacht hij tot het weekend komt. Gershon is een grote aandoenlijke lobbes, zo een die een zorggevoel oproept. En dan die melancholieke hondenkop. Ik hoop dat zijn meisjes dat zien in plaats van de droom van westers geld.

Bluefin ligt aan een steeg van een steeg van Nakon Chaisi Road, de hoofdstraat van Dusit. Dusit is een volkswijk, een wijk van kleine middenstand en sappelaars. De meesten verdienen hun inkomen in de wijk zelf. In de steeg van Bluefin naar de hoofdstraat zitten een paar wasserettes, kruideniers en een handelaar in cement. Aan die hoofdstraat liggen kantoorboekhandels (want inkomsten en uitgaven worden met een pen bijgehouden in een schrift en daarom zijn er pennen en schriften nodig), lampenwinkels, mobieltjeswinkels, klokkenwinkels die vooral wekkers verkopen, opticiens, bakkerijen (cake en taartjes), kledingzaken met goedkope spijkerbroeken en t-shirts, 7-11’s natuurlijk, metaalhandels met staven, draad en pijpen, werkplaatsen, het postkantoor, twee scholen en ook een paar kleine restaurants. Die bedrijvigheid ziet de motorrijder, automobilist, buspassagier niet. Die kijkt aan tegen de achterkant van kramen langs het grootste deel van de straat. Het overgrote deel is food-business: groenten en fruit, vis, sappen en dranken, snacks, kleine maaltijden. Je kunt je maaltijd meenemen of ter plaatse nuttigen; heel veel kramen hebben een paar tafeltjes en stoeltjes op een open plekje tegen een winkelpui of op de hoek in een steeg. Het lijkt een wonder dat al die kleine ondernemers elkaar niet in de haren vliegen, dat winkeliers het accepteren dat een groot deel van hun winkelpui en etalage in beslag is genomen door de nering van een ander. Het is geen wonder, ieder heeft zijn klantenkring, zijn eigen niche. De een is gespecialiseerd in dit, de ander in dat; de een is beter dan de ander en dus ook duurder. De ene helft van de bevolking verzorgt en voedt de andere helft. Ik eet af en toe bij een kraam op de hoek van “mijn” steeg en de hoofdstraat, met Gershon als het zo uitkomt. Die kraam is gespecialiseerd in gebakken schelpdieren met ei en taugé en daarbij hoort de eeuwige knijpfles met sweet&sour saus. Het kost dertig baht, minder dan een euro. Het ruikt er een beetje naar bedorven vis en riool, overal in de hoofdstraat. Kakkerlakken rennen van het ene donkere hoekje naar het andere, ratten piepen tussen zakken rijst en verdwijnen weer door spleten naar het overdekte riool. Honden besnuffelen het afval. Katten kijken toe. Zo is Dusit, een gewone wijk zonder toeristen.

De waterbus.

De waterbus.

Dusit ligt aan de rand van downtown Bangkok, op vier kilometer van het Victory Monument dat min of meer het middelpunt van de stad is, op vier kilometer van Phra Nakhon waar het koninklijk paleis en de Wat Pho tempel ligt en waar de toeristen samenklitten, op vijf kilometer van Chinatown en op zes kilometer afstand van Lumphini waar de grote shopping malls zijn. Het lijkt allemaal erg ver maar het openbaar vervoer is uitstekend. Door de hoofdstraat rijdt buslijn 14 naar het Victory Monument en naar Lumphini. Langer dan vijf minuten hoef ik niet op een bus te wachten en de rit naar Victory Monument duurt een tot drie kwartier, afhankelijk van de verkeersdrukte. Om de hoek, op Samsen Road, stoppen bussen naar Phra Nakhon en dat zijn er heel veel. De prijzen zijn uiterst bescheiden. Lijn 32 naar Phra Nakhon is airconditioned en kost twaalf baht, ongeveer dertig cent. Lijn 30 heeft plafondventilatoren en voor dat comfort betaal je acht baht. Lijn 3 heeft helemaal geen koeling maar wel open ramen en is volgens Gershon gratis. Dat is niet zo, de busrit kost vier baht; misschien laat de conductrice Gershon gratis rijden uit mededogen of omdat ze een oogje op hem heeft. Of hij betaalt door te flirten. Het alternatief voor de stadsbus is de rivierbus want Bangkok is een waterstad. De rivierbus is erg snel en er zijn geen verkeerslichten en geen files op het water. Het rivierfront is een heel ander gezicht van Bangkok, spannend en indrukwekkend, als het rivierfront van Rotterdam of Tokio. Aaneengeschakelde aken worden door sleepboten moeizaam de rivier op getrokken, pontjes steken over, watertaxi’s suizen op speedboatsnelheid voorbij. Bruggen, trotse wolkenkrabbers en morsige loodsen. Op een paar honderd meter lopen van Bluefin is een aanlegsteiger, pier 18. Vandaar neem ik rivierbus naar Chinatown, pier 5, of helemaal naar Central Pier, pier 1. Voor die geweldige attractie en de vreugde van het zicht op het rivierfront betaal ik vijftien baht. Van pier 18 naar pier 5 duurt ongeveer twintig minuten, naar Central Pier een half uur; mij kan het niet lang genoeg duren. Bij Central Pier kan ik op de BTS stappen – het stadsspoor – naar Lumphini. BTS, Bangkok Transport System, is snel en comfortabel en verreweg het duurste transportmiddel maar biedt weer een heel ander zicht op Bangkok. Het stadsspoor kronkelt hoog boven de straat tussen de wolkenkrabbers door. In Lumphini bezoek ik de shopping malls: perfect ontworpen werelden van smetteloos wit, zonder geuren of opdringerige geluiden; werelden waar ‘vandaag’ eigenlijk al morgen is. Daarna neem ik weer bus 14 terug naar Dusit, naar de wereld waar ‘vandaag’ meer verbonden is met gisteren. Zo zie ik in een middag alle gezichten van Bangkok, voor anderhalve euro.

Bangkok, vanaf het spoor.

Bangkok, vanaf het spoor.

Dusit is gezellig en ik kan er alles kopen wat ik dagelijks nodig heb. Sigaretten en bier bij de 7-11. Mevrouw Noi verkoopt ook bier voor slechts twee baht meer dan bij de super. En toch: ik mis een ontbijt van toast, gebakken eieren, jam en boter en vers gezette koffie op een netjes gedekte tafel. Alle onderdelen kan ik in de hoofdstraat wel krijgen maar niet te samen en niet op een netjes gedekte tafel en koffie is altijd nescafé. En ik wil weleens upmarket eten – een vers gebakken vis of een steak met frieten – zonder dat ik een rattenstaart zie verdwijnen in het riool. En bier op een terras; nergens in Dusit heb ik een terras gevonden. Voor al die dingen waar ik best buiten kan maar die ook heel prettig zijn, neem ik de bus (de 32) naar Khao San, de tourist zoo – waar je toeristen kunt bekijken – van Bangkok in het stadsdeel Phra Nakhon. Khao San bestaat uitsluitend uit hotels en gasthuizen, restaurants en bars, souvenirwinkels, tassenwinkels (want toeristen hebben altijd tassen nodig), tattooshops en internetcafé’s. Daar kan ik al die dingen krijgen die zo prettig zijn en ik hoef niet met handen en voeten uit te leggen wat ik wil want iedereen verstaat en spreekt op minst Engels en velen ook Frans, Duits, Italiaans. En daarom komen de toeristen daar. Ze komen voordat het vliegtuig vertrekt naar huis en ze nog even willen nagenieten of ze komen uit het vliegtuig en willen eerst acclimatiseren voordat ze de exotische wildernis van het echte Thailand binnen gaan. Khao San is een volkomen kunstmatige wereld die weinig met Thailand te maken heeft, behalve dat er Thais werken (en Cambodjanen en Birmezen), net zomin als Thamel in Kathmandu iets te maken heeft met Nepal. Khao San is dubbel exotisch: een exotische, on-Thaise enclave in Thailand dat exotisch is voor de westerse bezoeker. Zo kijken de toeristen ook (dat verbeeld ik mij): “Zo, we zijn in een exotisch land!” Welnee, ze zijn gewoon in een thuisbubbel in een exotisch land. En dat is ook weer een gezicht van Bangkok.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Zuidoost Azië en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s