’t is weer moessontijd

Wegen kronkelen over en langs hoge heuvels. Heuvels zonder waarneembare orde van ruggen en dalen. Bebost, intens groen van bomen en vooral van klimplanten, bananenplanten en bamboe. Dat is het landschap in het noorden van Thailand. Aantrekkelijk voor de motorrijder: groene tunnels, geweldige vergezichten en lekker bochtenwerk. Gaaf asfalt en voor elke bocht staat een groot niet te missen bord dat de richting en de hoek van de bocht aangeeft, voor elke steile afdaling een bord met “use low gear”. Aan alles is gedacht. Toeristen huren brommers en scooters in Chiang Mai, in Mae Hong Son, in Pai. Ze suizen door de bochten, in korte broek en met een plastic helmpje op de kop. Vriendin achterop. Omdat de toeristen er zijn, zijn er ook voorzieningen: verhuurbedrijven, gasthuizen, restaurants, bakeries en bars met live music en Bob Marley en Che Guevara aan de wand. Pai bestaat zelfs uitsluitend uit dergelijke voorzieningen. Werkelijk: een buitengewoon aantrekkelijk gebied voor risicoloos plezierrijden. Als het niet regent.

't is weer moessontijd

’t is weer moessontijd

Het regent, het is moessontijd. Ik vertrok uit Chiang Mai onder een loodgrijze hemel. Het begon te miezeren en rond de heuveltoppen hing mist. Dan wordt het landschap somber en het glimmend natte asfalt schrikaanjagend. Desondanks ging het goed; ik werd niet al te nat, genoot bij tijd en wijle toch van een mooi uitzicht en had schik in het bochtenwerk. Ik had zoveel schik dat ik in de trance van de dans kwam en het waarschuwingsbord voor een scherpe bocht in een steile afdaling niet opmerkte. En er lag modder. Oeps. Ik remde en trok de koppeling in om terug te schakelen. In een bocht. Dat was dom, onvergeeflijk en misschien zelfs misdadig vanuit het standpunt van de motor bezien. Met ingetrokken koppeling is er geen trekkracht en zonder trekkracht geen controle, zoals een schip zonder voortstuwing is overgeleverd aan de luimen van de zee. Ik slipte, kwam in de berm terecht, kreeg de motor weer op de weg maar daar ging hij toch onderuit. Ik schoof zeker vijftig meter over het asfalt. De schade viel mee dankzij het gladde asfalt en de modder: de rand van de kuip afgeschuurd tot op de glasvezel, windscherm ontzet, knipperlichtje gebroken, het draagrekje van de jerrycans gebroken, jack gerafeld. Zelf heb ik er een paar gekneusde ribben aan overgehouden. In Mae Hong Son heb ik in een ochtend de schade hersteld, het draagrekje laten lassen en het knipperlichtje gespalkt. De pijn van de gekneusde ribben verdwijnt vanzelf.

Ik had een droge dag in Mae Hong Son – het regende ’s nachts – en ook de volgende twee dagen bleef het droog zodat ik een mooie rit had over Pai en Phrae naar Nan door bossen en langs rijstvelden. Vlak voor Nan werd ik toch nog gegrepen door een onweersbui en daarna bleef het regenen. Het stortregende twee dagen onafgebroken – het effect van een tyfoon in de Zuid-Chinese zee – en zoveel is er niet te doen in Nan. Er is een Wat (een tempel) die de moeite van een wandeling met paraplu door ondergelopen straten waard is en nog een aan de stadsrand en het gemeentemuseum is gesloten. Het moessonseizoen is eb in de toeristenbusiness zodat ook de meeste voorzieningen zijn gesloten. Bar De Zeven, tegenover mijn gasthuis, was gesloten en alleen Tony’s Place om de hoek was open (behalve op maandag). Tony is brood en broodmager, vel over been – anorexia, drugsverslaving of een slepende ziekte – en tamelijk gemelijk: “In de droge tijd staat het hier vol motoren en zijn alle tafeltjes bezet. Nu is het rustig, heb ik eindelijk vakantie en ben jij er.” Tony’s koffie is de beroerdste die ik ooit gedronken heb.

Na twee dagen regen werd het droog maar het bleef zwaar bewolkt. Ik vertrok, tegen beter weten in. Na een uur al werd ik getroffen door de eerste regenbui en vond beschutting in een bushaltehuisje. Daarna volgenden de buien elkaar steeds sneller op – ik reed van bushaltehuisje naar bushaltehuisje – en smolten uiteindelijk samen tot een gestadige stortregen uit een egaal loodgrijze hemel. Ik heb geen regenpak. Een regenpak neemt veel ruimte in en je hebt er niets aan. Het aantrekken van een regenpak is een heel gedoe, vooral van de broek omdat je je motorschoenen ervoor uit moet doen, en dus rijd je door in de hoop dat de bui mee zal vallen. Die valt niet mee en in no time ben je te nat om het regenpak nog zinvol aan te trekken. Ik kwam die dag niet ver, tot Uttaradit en Uttaradit, hoewel de hoofdstad van de gelijknamige provincie, is zo onbetekenend dat de Lonely Planet zich niet verwaardigt er ook maar een letter aan te wijden. Gelukkig had mijn navigator een hotel in het geheugen. Ik kwam drijfnat, tot op de laatste draad, aan bij Numchai hotel. Er zijn twee soorten hotels waar je in zo’n staat kunt aankomen: de heel dure waar ze de deplorabele staat negeren zolang je maar een creditkaart kunt overleggen (je wordt zoveel mogelijk door achterafgangetjes naar je kamer geleid en er loopt een vent achter je aan om de nattigheid op te vegen) en de heel goedkope waar het ze helemaal niet kan schelen. Middenklasse hotels doen alsof ze volgeboekt zijn. Numchai behoort tot de goedkope categorie. De bazin – ze is bezig op de eettafel haar poedel droog te föhnen – tilt moeizaam haar olifantenlijf op, sloft mij voor een trap op en door een lange donkere gang, doet een deur open en zegt “Alsjeblieft, honderdtachtig Baht en gelijk betalen.” Het is een groezelige uitgeleefde kamer maar voorzien van een plafondventilator en een douche met een elektrisch verwarmingselement en op het bed liggen helderwitte lakens. Voor honderdtachtig Baht, viereneenhalve euro. Ik heb een drooglijn gespannen tussen de gordijnroede en de tl-buis en daaroverheen mijn jack, motorbroek, onderbroek, t-shirt en sokken gehangen. De hele nacht heeft het gestortregend; ik hoorde op de achtergrond het ruisen en op de voorgrond het tikken op de vloer van de druppels uit mijn kleren.

Na zoveel regen was de hemel door haar water heen; de zon scheen en er zeilden wat schapenwolkjes door de lucht. Ik heb snel mijn kleren aangetrokken om te profiteren van die buitenkans. Ze waren nog vochtig – weleens vochtige kleren aangetrokken? Lekker, hè? – maar na een uurtje rijden droog. Het is een fantastische dag geworden, hoewel in de loop van de middag cumulussen kwamen opzetten, en arriveerde tegen vijven in Chiang Khan aan de Mekong rivier. Ik wilde een gasthuis met alles erop en eraan, als Wiedergutmachung voor de regenellende en als cadeau voor mijn verjaardag. Een selfie-present. Ze waren allemaal volgeboekt. Dat wil zeggen: ik kon wel een kamer krijgen voor een nacht maar niet voor twee. Er was een tempelfestival in Chiang Khan. Ik belandde uiteindelijk in Chiang Khan Guesthouse. Dat is damned basic maar ook damned cheap. Honderdvijftig baht per nacht. Eigenaar Ong weet het gebrek aan faciliteiten om te zetten in een grap: “No airconditioning, hahaa, no attached bathroom, hahaha, no hot water, hahaha, no breakfast, hahaha.” Daar staat tegenover dat mijn motor first class is geparkeerd, in de living van de familie. Ik vond het prettig bij Chiang Khan Guesthouse; Ong was een aardige vent waarmee ook een praatje aan te knopen viel en hij verkocht koffie en bier tegen de helft van de prijs die elders werd gevraagd. Mijn kamer was dan wel basic maar had een riant uitzicht op de Mekong en Laos aan de overkant en een terras voor mij alleen want er waren geen andere gasten op twee oudere dames na. Die namen de primitieve omstandigheden zoals echte dames doen: met opgeheven hoofd. Ik zag ze naar de gemeenschappelijke douche gaan en hoorde aan het wisselende geklater van het water hoe ze zich wasten: lichaamsdeel voor deel. Koud water.

De Mekong rivier

De Mekong rivier

Ook zonder tempelfestival zou het moeilijk zijn geweest een kamer te vinden in een van de upmarket guesthouses want Chiang Khan is voor Bangkokians wat Clarens is voor Joburgers en Shimla voor Delhis: een weekend retreat. De welgestelden vliegen in op Loei en nemen vandaar de bus, de gewone middenklasse komt all the way per auto of met de bus. Ze zijn gemakkelijk te herkennen aan de mondaine kleding, het fototoestel, de ipad, de dopjes in de oren en de verlengstok om de smartphone in te klemmen voor de altijd noodzakelijke selfie. Wat doen Bangkokians in Chiang Khan? Overdag is de hoofdstraat leeg en stil en de rivierboten liggen werkloos aan de oever. Misschien blijven ze in hun gasthuis, lezen een boek, slapen uit, vervelen zich. Misschien gaan ze een dag naar Laos, met de veerboot of over de Vriendschapsbrug, om goedkoop inkopen te doen. Ik weet niet wat ze doen. Pas tegen het einde van de middag raakt de hoofdstraat vol en schuifelt een leger Bangkokian paraplu’s – want het regent weer – langs de souvenirwinkels, de kledingzaken en vooral langs de kraampjes met etenswaren, wachten (want de eigenaar zit binnen) voor de restaurants en voor de bakeries met koffie en gebak. Waarom is Chiang Khan een weekend retreat? Als ik de formule wist zou ik die onmiddellijk aan Vlagtwedde verkopen. Chiang Khan is een slaperig provinciestadje zoals er meer zijn langs de Mekong: met rivierzicht, tempels, een park met paviljoens, een indochinese markt, oversteekmogelijkheden naar Laos. Het zal toeval zijn geweest. Misschien een Bangkokian gezin dat er per toeval verzeild raakte en later de buren vertelde “We waren het weekend in Chiang Khan … en daar … heel bijzonder.” Dus gingen de buren ook en vertelden aan hun buren, familie en kennissen “Chiang Khan … zo authentiek…” Thais zijn, als Japanners, verzot op karaoke en ook op ‘authentiek’. Langzaam kwamen meer bezoekers en druppelde geld binnen waarvan het gemeentebestuur de paviljoens in het park betaalde en de oude houten huizen langs de hoofdstraat liet opknappen. Er werden nieuwe authentieke huizen gebouwd en er kwamen voorzieningen voor de verwende Bangkokian. Naarmate Chiang Khan authentieker en luxer werd kreeg het meer faam als weekend retreat. Zo ongeveer moet het gegaan zijn. Kan Vlagtwedde daar iets mee?

Heel 'authentiek': gestoomde tofu

Heel ‘authentiek’: gestoomde tofu

Ik bleef een dag in Chiang Khan, dronk een biertje met Ong – “Hoe heet je ook alweer?” “Mathew, Ong, Mathew”, hij heeft het wel tien keer gevraagd en hij verbetert mij voortdurend “Het is niet Ong maar Ong, O-N-T!” – en deed ’s avonds wat de Bangkokians ’s avonds ook doen. Het regende af en toe en het was erg benauwd. Dat hoort ook bij de moesson, net als muggen, klamme kleren en de camera die voortdurend lensfouten meldt. Vocht. Ik vertrok uit Chiang Khan naar Nong Khai, honderdtachtig kilometer verderop langs de Mekong, met de verzekering van Ong dat het niet zou regenen. Het bleef droog tot het middaguur maar daarna volgenden de buien elkaar in hoog tempo op. Met het uitdoven van de tyfoon is de moesson teruggekeerd naar haar normale dagelijkse cyclus: buien in de middag, avond en nacht, droog in de ochtend. In Nong Khai vond ik Mut Mee Guesthouse, met alles erop en eraan. Voor slechts driehonderdvijftig baht.

Chiang Khan guesthouse

Chiang Khan guesthouse

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Zuidoost Azië en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s