Vaders laatste reis

Mijn ouders waardeerden mijn reizen heel verschillend. Mijn moeder was er niet blij mee: “Het is zo ver en als er iets gebeurt kan ik niet naar je toe komen.” Zo was mijn moeder. Mijn vader was uit ander hout gesneden: “Als je dat wil dan moet je het doen.” Zo namen wij ook afscheid, met de tranen van mijn moeder en de stoerheid van mijn vader: “Nou, tot ziens hè”. Behalve toen ik begon aan de Lange Weg Naar Beneden. Hij zei wel “tot ziens” maar er stonden tranen in zijn ogen. Misschien nam hij de bezorgdheid over van mijn moeder die een jaar tevoren was overleden, misschien twijfelde hij aan dat “tot ziens”. Hij tekende een kruis op mijn voorhoofd.

Dat “tot ziens” was niet onverschillig. Mijn vader las mijn reisverhalen en zocht met een oude Bos atlas op waar ik was. Om het hem gemakkelijker te maken heb ik een weblog gemaakt met een pagina “Waar ben ik?” Ik belde af en toe: “Pa ik ben in Varanasi.” “Oh, daar zijn wij ook geweest.” Ze waren reislustig, mijn ouders, op de manier van gepensioneerden die na een leven van sappelen en zorgen eindelijk de bloemetjes buiten kunnen zetten: de georganiseerde groepsreis naar exotische bestemmingen. De telefoongesprekken hadden vaak iets droog-komisch: “Wat? Bel je nu alweer?” Ik had hem een week tevoren ook gebeld. Het klonk bot, hij bedoelde het verbaasd; mijn vader leed aan afasie. Mijn moeder zou in dezelfde situatie gezegd hebben: “Eindelijk bel je! Je belt ook nooit.” Kies maar aan welke reactie je de voorkeur geeft.

In januari onderbrak ik mijn Lange Weg Naar Beneden om in Nederland motoronderdelen te kopen maar eigenlijk vooral om mijn vader te bezoeken. Hij was stokoud en nog moeilijker ter been dan een jaar tevoren maar geïnteresseerd als altijd: “Heb je foto’s van de Taj Mahal?” Na een tijdje zei’ie: “hou maar op, ik heb genoeg gezien, ik ben moe.” Ondanks dat ‘moe’ was ik gerust: met een beetje geluk zou hij het einde van mijn reis wel meemaken. In mei werd hij in het ziekenhuis opgenomen met lage bloedwaarden, opgepept en een week later weer naar huis gebracht. Mijn moeder begon haar laatste levensfase op dezelfde manier: ziekenhuis in, opgepept worden, naar huis en elke paar maanden herhaalde zich dezelfde cyclus. Ik was in Tanzania en belde: “Ma ik zie de Kilimanjaro!” Mijn moeder: “Oh, maar wanneer zie je de Sintpietersberg?” Ik begreep: ze wachtte met het einde totdat ik terug zou zijn. Na mijn terugkomst heeft ze nog een jaar geleefd en stierf in januari 2012. Met de ervaring met mijn moeder was ik over de ziekenhuisopname van mijn vader niet heel erg ongerust: hij was wel begonnen aan de reis naar het einde maar die reis kan lang duren en kent veel tussenstops. Eind mei werd hij opnieuw opgenomen in het ziekenhuis, met buikklachten. Hij bleek een tumor aan de darm te hebben en uitzaaiingen in de lever en de longen. Dat was erg, geen leuke mededeling, maar zette mij niet aan tot haast. Mijn moeder had hetzelfde gehad, werd succesvol behandeld, leefde maanden krakend door en stierf uiteindelijk in haar slaap; niet aan die tumor maar gewoon omdat ze op was. Zoals een kaars opgebrand raakt. Ik verwachtte van mijn vader hetzelfde. Ook mijn vader werd bestraald maar hij kon er niet tegen, hij kreeg er vreselijke buikpijn van. Ik belde hem en vroeg “Hoe voel je je?” “Slecht” zei’ie “Dat ik dit nog moet meemaken.” De behandeling werd stopgezet tot tevredenheid van mijn vader. Hij kon niet meer eten en niet meer drinken. Of wilde dat niet. Dan gaat het hard; de huisarts liet weten: geen maanden, geen weken maar dagen, hooguit een week. Pa vroeg: “Wanneer komt Mart?” Toen kreeg ik haast. Ik wilde hem levend zien en nog ’n keer met hem praten.

Ik nam het vliegtuig naar Nederland en zat een dag later naast zijn bed. Ik was op tijd, want hij leefde, en ook te laat want van het gesprek is niets meer gekomen. Ik ben er zelfs niet zeker van of tot hem doordrong dat ik naast zijn bed zat en zijn hand in de mijne hield. Het was de morfine en ook de voortgaande uitdroging. Daar lag hij: bleek en mager, armen als staken, gesloten ogen maar verder heel gewoon behalve die open mond zonder gebit en de naar binnen gevallen lippen. Hij ademde met diepe teugen en lange pauzes. De pastoor bereidde met het sacrament der zieken mijn vader religieus voor op het levenseinde. De huisarts en mijn broer, die ook arts is, deden de fysieke kant. Mijn vader kreeg dormicum naast de morfine om “rustig in te slapen”. Dat is goed; ik weet uit eigen ervaring: uitdroging hindert de diepe slaap en daarvoor in de plaats komen nare dromen; uitdroging is meer dan een droge mond en een tong die aan het verhemelte plakt. Hij kreeg nog wat meer morfine en nog wat meer dormicum want … je weet maar nooit … en ook misschien … Het was een soort schouderklopje: “Pa, die kant op.” Mijn vader liet zich niet opjagen – dat heeft hij nooit gedaan – en ademde rustig voort met die diepe teugen en lange pauzes. Drie dagen lang. Daarna kwam hij in de volgende fase met een oppervlakkige hijgerige ademhaling zonder pauzes. Die fase duurde nog een nacht. ’s Ochtends werden eerst zijn knieën blauw en daarna zijn handen: de laatste fase en die duurde nog een uur. Toen opende hij zijn ogen tot spleetjes – hij kon niets zien want zijn pupillen zaten onder de oogleden maar misschien zag hij God of mijn moeder – deed tweemaal zijn mond dicht en open en het was afgelopen. Zonder drama. Als een klok: de wijzer wil naar de volgende seconde maar stokt, valt terug, staat stil, trilt nog even na. Voor het eerst zag ik iemand sterven en het was mijn vader. We waren er allemaal bij: ik, mijn broers en schoonzussen. Ik tekende een kruis op zijn voorhoofd.

Mijn vader

Na de dood is het niet afgelopen, in ieder geval niet op aarde; er begint een proces van verzoening met de dood en tegelijkertijd om van het lichaam af te komen. Eerst komt de dokter en die stelt formeel de dood en de oorzaak vast in twee aktes. Daarna komen de mannen van de Dela – de begrafenisondernemer heet natuurlijk niet zo maar wordt genoemd naar de verzekeringsmaatschappij – om Pa mee te nemen naar hun domein waar hij wordt gegrimeerd voor de opbaringsperiode; mijn vader die ‘doe maar gewoon’ al heel artistiek vond. De mannen van de Dela doen hun werk met respect en naar beste kunnen maar mijn vader werd afgeleverd met een onnatuurlijke glimlach, in ieder geval een glimlach die ik nog nooit bij hem heb gezien. (Nu ik erover nadenk: ik zou niet weten hoe mijn vader lachte of glimlachte; mijn vader had olijke oogjes.) De begrafenisondernemer is de manager van het proces: hij weet wat er moet gebeuren, wij vertellen hoe het moet gebeuren. “Aan welke dag had u gedacht …?” Vrijdag. “Wat betreft de kist …” Wij willen dezelfde soort kist als ma gehad heeft. De kist, de rouwkaarten, de aanhef en de afsluiting ervan, de bloemen: het zit allemaal in voorbeeldboeken. Ik had graag voor pa dezelfde rouwkaart gekozen als voor ma maar die zat niet meer in het voorbeeldboek. Hij maakt de afspraken met het crematorium (“Ik moet nu bellen want om tien uur gaat de agenda van het crematorium open en dan bellen mijn collega’s uit de hele regio om te boeken”), met de pastoor van de basiliek (“De mis op vrijdag is oké maar de avondwake kan niet vanwege het octaaf”), met Café de Keijzer voor de koffietafel.

Het is allemaal verlopen volgens het draaiboek van de begrafenisondernemer. Wij namen fysiek afscheid met het sluiten van de kist, spiritueel met de mis en sociaal met de koffietafel. Wij hebben op vader het borrelglas geheven want hij was een liefhebber van Ketel 1 (ik ook). Wij hebben in zoveel opzichten afscheid genomen dat het definitieve afscheid in het crematorium (vader wordt niet gecremeerd waar wij bijstaan; Elsloo is Varanasi niet) meer het moment markeerde van een nieuw leven zonder pa. Ik was erbij, nam deel aan dat afscheidsritueel maar had niet het gevoel dat ik definitief afscheid nam. Ja, mijn vader is weg maar wat is “weg”? Ik heb hetzelfde met mijn moeder. Als ik aan haar denk, dan denk ik “Ik zou haar nodig eens moeten bellen” – ze staat nog steeds in mijn mobieltje onder “pa&ma” – en dan hoor ik de reactie van mijn moeder “Zo bel je eens, je belt ook nooit!” Ik zou kunnen antwoorden “Ja hoor eens, je moet niet klagen, je moet zorgen dat je er bent!”

Op vrijdag was de uitvaart en op zondag zat ik weer in het vliegtuig terug naar Thailand. Op de luchthaven van Bangkok pakte ik mijn mobieltje en wiste het telefoonnummer “pa&ma”. Dat was definitief; ik kan ze nooit meer bellen.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Over mij. Bookmark de permalink .

3 reacties op Vaders laatste reis

  1. Harry zegt:

    Dag Mart,

    Gecondoleerd. Ik stuur je nog een uitgebreidere mail.

    Groet,

    Harry

  2. David Verwer zegt:

    Beste Mart,
    Gecondoleerd met je vader! Je had jouw ervaringen met je ouders boeiend beschreven.
    Een mooi vervolg van je reis!

    David

  3. gpopma zegt:

    Hoi Mart,
    Alsnog gecondoleerd, ik las dit verhaal vandaag pas. Boeiend en herkenbaar… ik zal er ongetwijfeld binnenkort aan terugdenken.
    Je neemt duidelijk je ouders mee, zult misschien soms de indruk hebben dat ze je iets ‘influisteren’, of de eerste ingeving aanreiken. Gedachten ontstaan niet zomaar, toch?
    Goede reis verder!
    Gerard

Laat een reactie achter op Harry Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s