Prithivi Highway

De Prithivi Highway is de levenslijn van Kathmandu en de enig betrouwbare weg-verbinding van de hoofdstad met het westen van het land en met India. Het is een gewone tweebaansweg in matige staat van onderhoud. Vooral na Mugling, waar het verkeer van India op de Prithivi komt, is het wegdek vergeven van de kuilen, stoplappen en met aarde tijdelijk gedichte gaten. Het is er druk met brommers en scooters, paarden-wagens en tractoren, auto’s en bussen, tank- en vrachtwagens. In Afrika worden op het busdak bagage en geiten vervoerd, in Nepal zitten daar mensen; soms een orkest op weg naar of komend van een bruiloft, zich inspelend of uitspelend. Trommels en trompetten; Nepalezen houden van ritme en scherpe klanken. De vrachtauto’s zijn niet groot naar Nederlandse maatstaven en een aanzienlijk deel wordt in beslag genomen door de cabine met een voor- en achterhuis, het huis van de bestuurder en zijn bijrijder. Dat huis heeft kleine ramen die nog verder zijn verkleind met houten omlijstingen en gordijntjes met kwasten. Het is een wonder dat de bestuurder de weg kan zien. Hij is overigens minder een bestuurder, meer een machinist: een bediener van een machine. Want dat zijn die vrachtauto’s: machines, prehistorische monsters met een dieselmotor, tand-wielen, compressoren, kabels en slangen, assen, olie en vet, luchtdruk. Een échte machine zonder motormanagementsysteem als hersens en sensoren als zenuwen. Ik houd van echte machines waarvan je de krachtoverbrenging kunt nalopen en begrijpen. Ik bewonder de machinist achter zijn grote stuurwiel, te midden van hendels en wijzerplaten waarvan de meeste het niet doen zodat de machinist moet afgaan op gevoel en gehoor, op trillingen die vertellen van het leven en welzijn van het monster. De bijrijder – er is altijd een bijrijder – informeert de machinist over de wereld achter en aan de linkerzijde van het monster, informeert met armgebaren de wereld over de koers die het monster zal nemen, houdt de banden in de gaten en de compressorslangen, loopt de assen na met de vetspuit, springt uit het huis om een steen onder het achterwiel te leggen als het monster tot stilstand komt op een helling. Samen repareren ze de vastgelopen rem, de geklapte band, de versnellingsbak te midden van plassen olie.

De Prithivi Highway slingert door dorpjes en stadjes van Pokhara naar Kathmandu. De uitdaging komt pas vlak vóór Kathmandu waar de weg steil en zigzaggend omhoog klimt naar de pas die toegang geeft tot de hoofdstad. Daar balt het verkeer samen tot één grote file, bumper aan bumper. Vrachtauto’s, tankauto’s, bussen nemen moeizaam de haarspeldbochten, passeren elkaar op een decimeter afstand. Het wegdek is doorsneden door diepe geulen van de moessonregen en vermorzeld door het zware verkeer. Op de rechte stukken is het asfalt verwijderd en deels vervangen door beton in een ijdele poging tot reconstructie. Hier wordt de echte slag geleverd. Vrachtauto’s ploegen moeizaam naar boven door het zand en de diepe kuilen, werpen dichte stofwolken op, blazen nog dichtere wolken dieselroet uit. Vanonder motorkappen ontsnapt stoom. Motoren ronken, compressoren sissen, claxons loeien: “Ga weg, ga weg; ik moet in beweging blijven.” Bijrijders hangen uit de deuren om te zien of de banden het houden, de compressorslangen niet scheuren, om de brommertjes in de gaten te houden en om aanwijzingen te geven: “Pas op, we gaan uitwijken!” O jee, daar redt er een het niet, glijdt terug van de opgaande kuilrand, komt tot stilstand. Onmiddellijk zwelt het geloei van de claxons aan: “Rij door, laat niet ook mij hier tot stilstand komen!” Een eenzame agent moet het tegemoet komende verkeer zien tegen te houden om het achterop komende verkeer de stilstaande vrachtauto te laten passeren zodat er voor die vrachtauto ruimte ontstaat om een nieuwe aanloop te nemen. Langzaam rolt de vrachtauto terug tot er vaste grond onder de wielen is. Dan perst de machinist het uiterste uit de motor, loeiend en razend strompelt het monster naar voren en … ja … komt over de kuil. Ik zit daar tussen, peddel door de kuilen, neem de steilrand van het beton, houd de tankauto voor me in de gaten, werp een snelle blik op het waarschuwingslampje van de koeling. Naar boven gaan is moeizaam, naar beneden rijden stukken gevaarlijker. De remmen, de remmen! Er is een deel van de borstwering langs de afgrond verdwenen. In de diepte ligt een vrachtauto op zijn kant te midden van een breed spoor plastic emmertjes. Het is gelukkig geen bus. Ik hoop dat de bestuurder en de bijrijder op tijd het vege lijf hebben weten te redden. Het moet kort geleden zijn gebeurd: er staan mensen te kijken naar de ramp beneden.

Op de top van de pas verbreedt de weg tot een plein. Ik stop er om de motor te laten koelen, om bij te komen, om met een sigaret het leven te vieren. Arbeiders laden staalkabels in de bak van een bulldozer. “Vannacht” zegt een van de arbeiders en knikt naar de diepte. “Doden?” De arbeider trekt zijn schouders op. Ik kijk in de diepte, naar de pasweg met de nauwe ruimte tussen geluk en ongeluk. Ik zeg: “Oef!”

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Indisch Subcontinent en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s