Vergeleken met Staal

In 1939 maakte Arthur Staal – later bekend architect – een reis door het Midden Oosten. Ik deed dat in 2001, tweeënzestig jaar later. Hij en ik hadden hetzelfde doel, de woestijn zien, reisden op dezelfde wijze, per motor, en reden ongeveer dezelfde route. Hij schreef er een boek over en ik ook. Uit zijn boek herinner ik mij een anekdote. Hij lunchte, ergens in Egypte, en raakte geïrriteerd door de schare die nauw om hem heen stond: “Met enige rake vuistslagen heb ik ruimte gemaakt.” Mensen zijn nieuwsgierig en een reiziger op een motor is een attractie. Dat is nog steeds zo en niet alleen in het Midden Oosten. Mensen die te dicht om je heen staan en vooral die eeuwige vragen “Waar komt u vandaan?”, “Wat is dat voor motor?”, “Wat kost die motor?” en in India ook nog “Benzine of diesel?” en “Mileage?” (“Hoeveel gebruikt hij?”). De antwoorden op die vragen leiden tot niets, in ieder geval niet tot een gesprek. Het is als in een museum voor moderne kunst: bezoekers vragen “Wat stelt het voor?” en na het antwoord lopen ze door naar het volgende schilderij en stellen daar dezelfde vraag. Ik heb nooit rake vuistslagen uitgedeeld, ik word kortaf.

Arthur Staal reed een FN, een motor van Fabrique National, destijds een uiterst betrouwbaar merk. Nu maakt die fabriek alleen nog wapens. Ik moest een motor kiezen. Ik had een Triumph Tiger maar tussen de Tiger en mij boterde het niet. Het was een voortdurende strijd om de macht; de Tiger was voor mij te groot, te onhandelbaar en vooral te zwaar. Ik maakte een lijstje van eisen, in volgorde van belangrijkheid: de motor moest licht genoeg zijn om hem na een val zelf, zonder hulp, weer op de wielen te zetten, de technologie moest begrijpelijk zijn voor een monteur in een uithoek van het Midden Oosten en de motor moest gemakkelijk te hanteren zijn. Het werd de BMW F650 Funduro, die door een vriend werd gekwalificeerd als “een leuk stadsmotortje”. Staal’s FN en mijn BMW verschillen technologisch niet wezenlijk: allebei voorzien van carburateurs; bij de FN zal de ontsteking geregeld zijn met contactpuntjes, mijn BMW doet dat met een elektronisch systeem. Contactpuntjes moeten af en toe worden bijgesteld, dat is werk, maar een probleem met elektronica is een kruis. Ik heb in de F650 een vriend gevonden die mij, mijn onhandigheden, mijn bagage en de wegen die ik koos altijd als een ezel zonder morren heeft verdragen. Met dezelfde motor waarmee ik het Midden Oosten bereisde reed ik de wereld rond. Voor mijn reis naar Afrika kocht ik opnieuw een F650 en met die motor hoop ik nu Australië te bereiken en ook weer terug naar Nederland te komen. Arthur Staal vervoerde zijn bagage in leren koffers die voortdurend van zijn motor vielen. Dan moest hij weer terugrijden om ze op te halen. Ik gebruik de ‘Junior’ kofferset van Hepco & Becker, van kunststof en met afgeronde deksels zodat de koffers zich bij een val niet in de grond zullen ingraven. Ik verloor mijn topkoffer in Argentinië. Sindsdien kijk ik regelmatig in de spiegeltjes om te controleren of de koffers nog op de motor zitten.

Arthur Staal legde zijn wereld vast met een Leica camera. Ik had een Olympus – gewoon een met een filmpje, als Staal – en ik legde hetzelfde vast: de gigantische tempels van Baalbek, het Krak des Chevaliers, de ruïnes van Palmyra, de woestijn. Tussen zijn vastgelegde wereld en de mijne is weinig verschil. In zestig jaren is er aan de monumenten niets veranderd. De sluiter van mijn camera liep vast in de vochtig zilte lucht van de Dode Zee en in Cairo kocht ik een nieuwe. Weer een Olympus. De handelaar liet mij ook een digitale camera zien, maar die was twee keer zo duur en bovendien ben ik voor analoge technologie. Een digitale camera kán gewoon niet beter zijn dan een analoge, het kán gewoon niet. Ik was heel tevreden met mijn Olympus en met die camera begon ik ook mijn tweede reis, rond de wereld. In Iran voorzag ik de camera per ongeluk van een 400 asa filmrolletje, in een land dat met zonlicht overgoten is. Alle foto’s waren overbelicht. Dat is het nadeel van een analoge camera: je kunt het resultaat pas zien nadat de film ontwikkeld is. In Vladivostok bracht ik alle filmrolletjes die ik had gebruikt in Centraal Azië en Siberië naar de fotoman en kreeg een enorme stapel foto’s terug. Ik wist niet waar ik ze laten moest. Dat is het andere nadeel van analoge fotografie: het resulteert in erg veel papier. In Toyama, Japan, heb ik een digitale camera gekocht, een Canon met een beeldchip van vijf megapixels en met een uitklapbaar en draaibaar schermpje. Ik had mijn eerste digitale gadget en was Staal voorbij. Ik was verbaasd en verrukt van de beeldkwaliteit, de scherpte en de kleuren. En ook: bevalt een foto niet dan wis je hem gewoon; instant resultaat en geen papier. Met Photoshop kun je de digitale werkelijkheid nog naar je hand zetten. Van die Canon heb ik veel plezier gehad en voor mijn reis naar Afrika kocht ik een nieuwe met wel tien megapixels. Die camera heb ik ook nu bij me maar als ik in een btw-paradijs kom schaf ik een weer nieuwe aan want vijftien megapixels is tegenwoordig normaal.

Landkaarten zoals wij die nu kennen – met hoofd- en binnenwegen, steden en dorpen, afstanden, benzinestations, bezienswaardigheden en hotels – bestonden in Staal’s tijd niet. Hij reisde voordat het grote reizen begon en kaarten hadden vooral een militair doel. De Nederlandse Stafkaart heet niet voor niets zo. Op die kaart waren de forten van de Hollandse Waterlinie niet aangegeven – militair geheim – maar wel de sloten eromheen die een merkwaardig stervormig patroon vertoonden. Op de landkaart van Turkije stond Samsat op de verkeerde oever van de Eufraat getekend. Dat was geen vergissing, dat was opzet: om de vijand te misleiden. Staal had misschien een ruwe kaart van het Midden Oosten om zijn route te bepalen, misschien had hij af en toe een gids (rijke mensen die reisden hadden een gids naast ander personeel) en hij zal aan lokale mensen de weg hebben gevraagd. Ik kan kaarten gewoon in de winkel kopen. Er is geen gebied op aarde of er zijn tegenwoordig wel kaarten van, zelfs van Antarctica zijn kaarten te koop. En toch blijft het probleem van navigeren, want niet alles staat op een kaart. Ik deel Staal’s ervaring. Ik was in Syrië, in het dal van de Orontes en vroeg in een dorp de weg naar Hama. “Het is misschien die kant op” zeiden de mensen; niemand was ooit in Hama geweest. In Syrië zijn plaatsnamen op de borden langs de hoofdwegen in het Arabisch en in het Engels vermeld maar langs de binnenwegen alleen in het Arabisch. Aleppo heet in het Arabisch Haleb en dat wordt van rechts naar links geschreven (dus: belaH) en zonder klinkers (dus: blH). De “b” is in het Arabisch schrift een schuitje met een puntje eronder. Ik lette dus op een korte naam die begon met een schuitje. Zo ben ik in Aleppo gekomen. Het omgekeerde komt ook voor: dat een kaart teveel detail bevat. De Japanse Touring Maple toont wegen in zeven categorieën, trajecten met bijzonder mooie herfstkleuren, álle verkeerslichten en álle convience stores, met een schaal van 1 op 40.000 (1 centimeter op de kaart is 400 meter in werkelijkheid) op pocketboek formaat. Voordat ik het wist, was ik alweer van een kaartblad af; probeer daar maar eens je weg mee te vinden. Ik maakte elke ochtend een lijstje van wegnummers om te navigeren. Navigeren in steden is een probleem; daarvoor moet je over een stadsplattegrond beschikken. Die staan soms onderaan of aan de achterzijde van een landkaart. De plattegronden in de Lonely Planet tonen nooit de in- en uitvalswegen; de LP is voor backpackers die met de bus of de trein reizen. Het bus- en treinstation staat wel op de plattegronden van de LP. Bij een tankstation vóór Teheran zag ik een stadsplattegrond. Ik heb die bestudeerd en een lijstje gemaakt van de pleinen die ik moest passeren en zo ben ik op het Khomeini Plein in het hart van de stad gekomen. In Sao Paulo vond ik mijn weg dankzij twee motorrijders die me begeleidden.

Bij de voorbereiding van mijn reis door Afrika zag ik in een motorblad een foto van Sjarel, een collega langeafstandsmotorrijder. Het was een foto van zijn motor, tot over de assen in de modder van een aggenebbisj weggetje in Afrika. Ik begreep uit die foto: ik moest het regenseizoen vermijden en ik moest zien te navigeren over aggenebbisj weggetjes. Ik kocht een gps-navigator, een Garmin, en met dat digitale gadget was ik Arthur Staal voor de tweede keer voorbij. Zo’n navigator is geweldig: het vertelt bij elke kruising of ik linksaf dan wel rechtsaf moet, vertelt hoeveel kilometer het is naar het doel, hoe ver het is naar een tankstation, hotel of restaurant (maar niet of dat op de route ligt) en nog veel meer, zolang de navigator geladen is met goede digitale kaarten. In Afrika gebruikte ik de kaarten van Tracks4Africa. Die kaarten zijn uitstekend. Overigens had ik Afrika gemakkelijk kunnen bereizen zonder gps-navigator want er is maar één doorgaande weg door West Afrika en maar één door Oost Afrika. Ik gebruikte de navigator vooral om de route bij te houden die ik had gereden en om coördinaten vast te leggen van de plaatsen waar ik foto’s nam. Voor de Lange Weg Naar Beneden maak ik gebruik van Open Street Maps. Dat zijn digitale kaarten die door vrijwilligers zijn gemaakt; ze zijn te downloaden van het internet en gratis. Is vrijwilligerswerk goed werk? De kaarten van Turkije, Iran en Pakistan zijn verbluffend goed. In Teheran, waar ik eerder navigeerde met een lijstje van pleinnamen, bracht de navigator mij tot voor de deur van het hotel dat ik had gekozen in een steegje van de Amir Kabir Avenue. In Lahore en in Islamabad leverde de navigator dezelfde prestatie en zelfs in Jacobabad, dat werkelijk een onaanzienlijk stadje in Pakistan is, loodste de navigator mij naar Al Harmain hotel. In India ben ik op de navigator aangewezen want de meest richtingborden zijn in, voor mij, onleesbaar Hindi maar de Open Street Maps van India zijn erg slordig. Het komt regelmatig voor dat de navigator de route naar een plaats niet kan berekenen hoewel op de digitale kaart een weg is aangegeven; dan ontbreken de bijbehorende gegevens. Het komt ook voor dat de weg in werkelijkheid op enige afstand loopt van de weg  in de digitale werkelijkheid van de navigator; dan zijn de coördinaten verkeerd vastgelegd. Daar kan de navigator niet tegen. Hij constateert dat ik kennelijk van de berekende route ben afgeweken en probeert een nieuwe route te berekenen. Dat kan niet omdat hij geen aanknopingspunt kan vinden (ik bevind me immers in de digitale middle of nowhere). Hij blijft het proberen en het enige dat hem doet stoppen is de opdracht “beëindig navigatie”. Goede of slechte digitale kaarten, je kunt niet blindelings op de navigator vertrouwen. In Kampala leidde de navigator mij over de bomvolle markt in het centrum van de stad. Je moet wel zelf blijven denken.

Mijn Garmin navigator met de route die ik heb gereden.

Mijn Garmin navigator met de route die ik heb gereden.

De navigator is werkelijk een enorme vooruitgang voor het navigeren maar maakt kaarten niet overbodig. Kaarten hebben nog een ander doel, om de reisroute te bepalen. Daarvoor heb je overzicht nodig en dat biedt het schermpje van de navigator niet. Kaarten roepen verlangen op. Het verlangen de steden te bereiken met de grote namen: Beiroet, Caïro, Delhi, Tokio. Het verlangen de plaatsen te bereiken die onbereikbaar klinken: Vladivostok, Timboektoe, Ushuaya. Het verlangen naar de plaatsen met de poëtische namen: Oklahoma, Al Azraq, Hosahalli. Die namen staan op kaarten. Kaarten laten zien dat het kán. Op de kaart in de Grote Bosatlas zag ik een rode lijn die kronkelde van links naar rechts, all the way naar Vladivostok. De weg naar Vladivostok! Daarmee was het plan voor een reis rond de wereld geboren. Kaarten vertellen verhalen over de wereld. In Novosibirsk kocht ik de Atlas Automobilnje met kaarten van Siberië. Elk van die Siberische kaarten heeft een schaal van 1 op 2,5 miljoen: één enkele centimeter op die kaart is vijfentwintig kilometer in werkelijkheid. Elk kaartblad had het formaat van A4 en ik moest negen van die kaartbladen over om van Novosibirsk in Vladivostok te komen. De Atlas vertelde over de oneindigheid van Siberië. De Touring Maple laat de Japanse obsessie voor details zien. De Braziliaanse Guia Quatro Rodas vermeldt trots op de flap “met 3832 kilometer nieuwe slechte trajecten” en op elk blad is aangegeven welke wegen wanneer niet berijdbaar zijn. De Quatro vertelt het verhaal van de infrastructuur van Brazilië. Kaarten vertellen verhalen over conflicten. Op de kaart van het noorden van Pakistan is ook Kashmir meegenomen maar het is een illusie te denken dat je van Islamabad naar Jammu kunt rijden want daartussen ligt de Line of Control, de feitelijke en hermetisch afgesloten grens tussen India en Pakistan en die grens is met een onaanzienlijk dun stippellijntje aangegeven. “De positie van de grenzen op deze kaart houdt op geen enkele wijze officiële erkenning of acceptatie door de uitgever in”: op de kaart van Marokko en de Westelijke Sahara. Het gaat om het conflict tussen Marokko, dat de Westelijke Sahara heeft genaast, en het Polisario, dat een onafhankelijke Westelijke Sahara wil. Het Polisario is tevreden omdat de grens op de kaart staat en de Marokkaanse overheid is tevreden omdat de uitgever de grens niet erkent of accepteert. Dat is kaartdiplomatie. Kaarten vertellen zóveel verhalen, dat doet een navigator niet!

Arthur Staal stuurde brieven naar familieleden en naar mensen die hij om informatie vroeg. Een aantal van die brieven is bewaard in het archief van het Nederlands Architectuur Instituut. Het zijn brieven in potlood met een zwierig en kordaat handschrift en met de soepele beleefdheid die nu niet meer bestaat. Ik leef in het internettijdperk, ik schrijf e-mails. Ik schreef ook wel brieven, naar mijn ouders want die hebben geen internet. De kerende post kwam poste restante. Poste restante betekent dat het poststuk op het postkantoor wordt bewaard totdat de geadresseerde het komt ophalen. Poste restante – zou het nog bestaan? – is een belevenis. In Caïro verwachtte ik twee pakjes, een van mijn ouders en een van mijn dealer met een nieuw oliefilter. Het postkantoor van Caïro heeft een hele rij loketten en loket 10 is voor poste restante. Achter dat loket zat een dikke zwetende man. Hij verwees naar loket 5, voor Het Formulier. Er was geen formulier voor mij, dus terug naar loket 10. “Als er geen formulier is hebben wij geen poststuk voor u” zei de dikke. Het formulier vertelt of er een poststuk is en waar het ligt. Ik: “Wilt u in uw administratieboek kijken of mijn poststukken erin staan?” Het Midden Oosten is vergeven van de administratieboeken. Hij wierp een korte blik in het boek dat voor hem lag en zei “Nee, is er niet; u moet op Ramses Station zijn, second floor.” Zo gemakkelijk laat ik me niet afschepen. Ik ben de hal uitgelopen, om het kantoor heen naar de dienstingang, direct naar poste restante. Dat vonden ze daar niet leuk maar Egyptenaren zijn sportief en het zoeken werd een uitdaging. Het pakket van mijn ouders is boven water gekomen – ik werd omhelst en gezoend door de dikke, ik herinner mij nog zijn zweetlucht – maar het pakket van mijn dealer niet; die kreeg het maanden later retour. Misschien heeft Arthur Staal ook wel eens gebeld. Dan kon in zijn tijd, via ‘trunk calls’, telefoonverbindingen die voor dat gesprek werden opgezet. Ik heb het staartje van de trunk calls nog meegemaakt. Ik ging naar de telefoondienst van het postkantoor, gaf het nummer op en dan was het wachten geblazen. In die wachttijd werd een verbinding geregeld; het kon uren duren voordat uit de luidspreker in de hal de verlossende mededeling klonk “Netherlands, box 9!” Als je er snel bij was hoorde je de telefonistes met elkaar praten: “Bukarest, this is Vienna; we have a line.”, “Istanbul, this is Bukarest; we have a line.” en dan hoorde ik de telefoon bij mijn ouders overgaan. Na de trunk calls kwamen de belwinkels en de beltafels, iemand met een telefoon en een teller op een tafeltje langs de weg. Ik gebruikte belwinkels en -tafels tijdens mijn reis rond de wereld en ook in Afrika, in Marokko, Mauritanië, Mali en Burkina Faso. In Ghana werden de belwinkels schaars want Ghana heeft een beetje vet onder het vel en alle Afrikanen hebben een mobieltje. Ik moest vragen “Mag ik even je mobieltje gebruiken?” en kreeg als antwoord “Natuurlijk maar je moet wel mijn beltegoed opwaarderen.” Alle Afrikanen hebben een mobieltje maar geen beltegoed. In Nigeria kreeg ik daar genoeg van en kocht zelf een mobieltje. Staal zal jaloers zijn geweest. Ik had meer gemengde gevoelens. Ik werd vaster aan Nederland gebonden. Ik kon bellen én gebeld worden op elk moment. Maar reizen is loslaten.

Arthur Staal zal de reisgidsen van Baedeker bij zich hebben gehad. Er was er in ieder geval een van Egypte en een van Palestina. Ik neem altijd de reisgidsen van Lonely Planet mee. Er is geen verschil; de Baedekers waren de Lonely Planets van een eeuw geleden, met dezelfde informatie – wat is er te zien, waar kun je overnachten, waar te eten en met plattegronden – en hetzelfde bezwaar: boeken nemen veel ruimte in en zijn zwaar. Tijdens mijn reis door het Midden Oosten scheurde ik de pagina’s die ik niet meer nodig had uit de Lonely Planet. Voordat ik mijn reis rond de wereld maakte versneed ik de Lonely Planets van Centraal Azië en van Rusland, om alleen die delen mee te nemen die ik nodig had. Het deed pijn want boeken zijn heilig. Ik logeerde in Caïro bij Phyllis W. Het was tijdens de opstand tegen Mubarak. Verder reizen was onmogelijk: de wegen waren afgesloten, de banken dicht, de geldautomaten buiten werking en de veerbootmaatschappij had voor onbepaalde tijd de dienst op Alexandrië gestaakt. Op Phyllis’ tafel lag een klein plat doosje. Ik vroeg: “Phyllis, wat is dat?” “Dat is mijn ebook reader.” Het was een Kindl. “Hoeveel boeken kunnen daarop?” “Och, zo’n duizend.” Ik was verbijsterd; ik kon met moeite drie boeken meenemen, Phyllis nam er duizend mee.

Mijn Samsung tablet met mijn weblog.

Mijn Samsung tablet met mijn weblog.

Ik vond de Kindle te beperkt. Ik kocht voor de Lange Weg Naar Beneden een Samsung tablet met wifi en een geheugenchip van 32 gigabyte, een oceaan aan digitale ruimte. Ik kan er alle Lonely Planets op bewaren en ook al mijn foto’s en die kan ik bekijken op een haarscherp scherm. Ik kan er mijn reisverhalen op typen en bewaren en kopiëren voor mijn weblog en voor mijn e-mails. Dat is handig maar ik mis de fijne bewegingen van een pen waarmee woorden en zinnen worden geboren; ik voel woorden. Ik heb toegang tot het internet want wifi is algemeen verbreid. Ik raadpleeg Tripadvisor om geschikte accommodatie te vinden, xe.com voor de koers van de rupee en de website van Flowers of India om de namen van planten te vinden. Ik ben onafhankelijk van de Lonely Planet; de gids voor India is erg achterhaald, vooral de prijzen, en ook niet leuk geschreven (de LP is altijd geweldig in hilarische verhalen en adviezen: “Accepteer nu maar dat je beroofd wordt”, in de gids voor Brazilië). Ik verzend en ontvang e-mails, doe mee aan facebook en linkedin, lees het nieuws op de webpagina’s van de BBC en van nu.nl. Materieel gezien ben ik erop vooruit gegaan maar ik ben ook meer met de grote wereld verbonden dan ooit. Reizen is loslaten, afstand doen, kwetsbaar worden. Met de tablet wint de aarde van de hemel. Zou Arthur Staal daarop jaloers zijn geweest?

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Over mij en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Vergeleken met Staal

  1. Mooi Mart. Ik ben je aan het inhalen, wat schrijfsels betreft dan, en geniet volop. Dank je dat je dit deelt.

Laat een reactie achter op ToyTravellers Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s