Recht langs de weg

De snelweg naar Bangalore in het zuiden van India is een riante en mooie weg met twee rijbanen in elke richting en een middenberm beplant met bougainville en oleanders. Kleurrijk maar ik heb liever een middenberm zonder beplanting want je weet niet wat zich daartussen ophoudt dat de weg over wil steken. Geiten en vrouwen vrees ik het meest. Er is weinig verkeer, vooral vrachtverkeer, lokaal verkeer van tractoren en een kudde kamelen op de vluchtstrook, nauwelijks illegale tegenliggers en geen verkeersdrempels bij de dorpen. Ik kan eindelijk weer eens ontspannen motorrijden, zo tegen de negentig kilometer per uur en dat is hard in India.

Natuurlijk gaat dat niet zo door want dit is India. Bij een dorp – het zou Kushtagi kunnen zijn – is het verkeer gestremd. In mijn richting staat op beide rijbanen een lange file vrachtauto’s en uit de tegenrichting komt geen verkeer. Wat is daar gebeurd? Een ongeluk? Gaat de snelweg er misschien over in een karrenspoor? Dat kan in India. Een tolpoort zonder wisselgeld? Dat kan ook in India. Een tolpoort wordt een kilometer vooraf aangekondigd. Ik hoef nooit tol te betalen, ik behoor tot de lange lijst van vrijgestelden: twee- en driewielers, militaire voertuigen, voertuigen van overheidsdiensten en ook de president van India is van tol vrijgesteld hoewel die zich beslist niet verplaatst met een twee- of driewieler. Het staat allemaal op borden langs de weg. Voor de vrijgestelden – ik en de president – is een asfaltstrookje naast de tolpoort aangelegd dat met een hek kan worden afgesloten om te voorkomen dat ook niet-vrijgestelden zich aan de tol onttrekken.

Ik rijd langzaam langs en tussen de vrachtauto’s door naar de voorkant van de file. Er is geen ongeluk gebeurd, de weg houdt er ook niet op en er is geen tolpoort; dorpelingen hebben de weg geblokkeerd met stenen en takkenbossen. Voor mij wordt een opening gemaakt in de wegversperring zodat ik passeren kan. Kennelijk word ik niet gezien als veroorzaker van het ongerief dat de aanleiding voor de blokkade moet zijn. Ik ben nieuwsgierig: wat bezielt het volk? Engels is niet de lingua franca van India – Hindi evenmin; slechts een fractie van de bevolking heeft kennis een of beide talen – maar dan is er toch iemand gevonden die uitleg kan geven. “Sir, wij nemen het niet langer. In een paar dagen zijn al vier van onze geiten doodgereden. Door hen [hij wijst naar de vrachtauto’s]. Wij hebben óók rechten!” Ah, het conflict dat overal in India woedt: tussen het trage platteland en de snelle moderne tijd. Ik heb te doen met de dorpelingen, want de weg snijdt dwars door hun leven, maar ook met de vrachtwagenchauffeurs. Ik ben ervaringsdeskundige, ik heb zelf twee geiten doodgereden. Een kudde geiten stak bij Shivpuri de snelweg over vanuit het struikgewas en was niet te ontwijken. Ik voel me niet schuldig; de geitenhoeder had alert moeten zijn toen de kudde de snelweg naderde en voorop moeten gaan. Gelijk hebben wil nog niet zeggen gelijk willen hebben: ik heb de geitenhoeder duizend rupees schadevergoeding betaald want het verschil in koop-kracht tussen hem en mij is te groot om gelijk te willen hebben (hij vroeg tweeduizend maar in India deel ik elk gevraagd bedrag door twee). “Sir, denkt u aan onze kinderen. Het is niet veilig!” Er is nog geen kind doodgereden anders was de stemming zeker niet zo passief. Ik voorspel hoe dat af zal lopen. De politie komt en zal de weg vrij maken. Het incident komt in de krant – er staan veel van dat soort incidenten in de krant – en als de dorpelingen het handig uitleggen neemt de journalist het voor hen op en stelt vragen aan politici en wordt een verkeersdrempel beloofd want het is verkiezingstijd. In India wordt het recht bereikt langs de weg.

Twintig kilometer verderop is weer een opstopping. Deze keer zijn het zingende en dansende vrouwen. Ze willen geld voor de ‘voorstelling’. Het gaat hier niet om recht, het is een illegale tolheffing. Ze krijgen van mij tien rupees, omdat ik het niet aandurf op vrouwen in te rijden. Ze willen twintig. Daar begin ik niet aan. Met die tien rupees mogen ze blij zijn. Als de politie komt krijgen ze er met de stok van langs. Geen journalist zal het voor ze opnemen: het zijn Adivasi, leden van de nomadenstammen die de oorspronkelijke inwoners van India zijn. Ze staan helemaal onder aan de sociale ladder.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Indisch Subcontinent en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s