Te lang in Kathmandu en ook te kort

Ik was anderhalve maand in Kathmandu om mijn motor te laten repareren. Bijna twee maanden als ik ook de wachttijd voor het verkrijgen van het Indiase visum meetel. Anderhalve maand of twee maanden, het is gewoon lang. En ik was er in de wintertijd. Overdag gaat het nog maar zodra de zon weg is wordt het koud; geen bijtende kou maar kou die langzaam tot op het bot de warmte uit je zuigt. Geen enkel huis in Kathmandu is verwarmd, ook mijn gasthuis The Yellow House heeft geen verwarming. Er is geen warme douche als er geen elektriciteit is – 16 uur per etmaal – en op bewolkte dagen – dat zijn er veel in de winter – biedt de zonneboiler geen alternatief. Ik heb een sweater en een jack, een dekbed en een slaapzak; vergeleken bij de gewone Nepalezen ben ik goed af. Iedereen is op zoek naar warmte. ’s Avonds stoken de mensen op straat vuurtjes van afvalhout en karton. In de Terai maakt de winter slachtoffers.

Anderhalve maand of twee, het is gewoon lang want veel valt er in Kathmandu niet te beleven. Kathmandu is Delhi niet. Het is de hoofdstad van een onbetekenend land, een land van armoedzaaiers, van hulporganisaties en van toeristen. Aan armoedzaaiers en hulporganisaties valt weinig te beleven, meer aan toeristen. De wijk Thamel is de toeristische hotspot en bestaat uitsluitend uit hotels en hostels, upmarket cafés en eetgelegenheden (ik lunch meestal bij Pumpernickel waar ze mijn bestelling kunnen dromen: americain coffee, breadroll yakcheese, vanillaroll), muziekwinkels waaruit dromerige, mystiek aandoende Nepalese en Tibetaanse klanken schallen, souvenirwinkels, outdoorshops en kledingzaken waar de outfit wordt verkocht die verder nergens in Nepal en waarschijnlijk nergens ter wereld in die combinatie wordt gedragen: fel gekleurde wijde katoenen broeken, yakwollen truien, Peruaanse mutsen, wollen Mexicaanse ponchos. Thamel is een enclave die even weinig met Nepal van doen heeft als Lakeside in Pokhara. Mijn gasthuis ligt aan de rand ervan en ik loop bijna elke dag door de wijk op weg naar de werkplaats waar mijn motor wordt gerepareerd. Alle straathandelaren kennen me en groeten met “namastè” en bij Pumpernickel schrijven ze mijn bestelling op nog voor ik wat gezegd heb. Langzaam bekruipt me afkeer voor de bebaarden in hun outdoorbroeken met afritsbare pijpen en voor de even bebaarden in hun hippie outfit. Ik houd niet van baarden en al helemaal niet in combinatie met afritsbare pijpen, vervilte dreadlocks en Peruaanse mutsen. De muziek die ooit dromerig mystiek klonk roept na weken dezelfde zenuwtrek op als het geluid van een tandartsboor. Ik word gek van de kerels die sissend fluisteren “Do you want to smoke? Good quality!” Hasj en marihuana zijn illegaal in Nepal. Als het me teveel wordt loop ik om Thamel heen, via de hoofdweg langs het Departement van Paspoorten. Het brengt me van de regen in de drup. Ik wordt gek van het lawaai en het stof opwerpend verkeer en ik erger me aan de bedelende moeders die hun kinderen als instrument gebruiken (niet aan de melaatse vrouw die met haar stompjes zwaait als ze me ziet, want ze krijgt van mij en dan lacht ze, voor zover haar mismaakte gelaat dat toelaat. Wie geeft haar nu? Toe, als je in Kathmandu komt: ze zit op de hoek van Trivedi Marg en Kantipath) en vooral aan de konvooien van nutteloze politici: drie suv’s ingeklemd tussen twee pickups van de veiligheidsdienst. In de middelste zit de politicus en in de voorgaande en volgende de paladijnen. Die houden de handen uit de ramen, in een afwerend gebaar: “Belemmer ons niet, wij zijn belangrijk”. De Republica had een bijtende cartoon: een gezin kijkt naar de televisie waarop de nieuwslezer meldt dat Tunesië na drie jaar een grondwet heeft. De vader roept uit “Wat, na drie jaar al? Hebben ze daar geen luxe conferentieoorden en resorts?” Nepalese politici praten al zes jaar over een grondwet en zijn het nog niet eens over de samenstelling van de grondwetgevende vergadering. Ik wens die politici een grande bouffe toe.

Anderhalve maand of twee is veel te lang voor Kathmandu. Maar te kort voor de liefde die ik er heb gevonden. Hij heet Ganesh. Wij ontmoetten elkaar (“wij?”, “elkaar?”; ik heb hem helemaal niet ontmoet, hij ontmoette mij) bij de douane in de vrachthal van het vliegveld. Hij vroeg mijn telefoonnummer en dat geef ik doorgaans niet. Maar ik was in onderhandeling over de hoogte van de invoerheffing voor de onderdelen van mijn motor – het gevalletje van fraude en corruptie waarover ik eerder schreef – en ik vermoedde dat hij bij de douanebende hoorde. Ik was bang dat hij de onderhandeling zou kunnen verstoren en daarom gaf ik hem mijn nummer, om van hem af te zijn. Nog in de taxi op weg van het vliegveld naar mijn gasthuis ontving ik een stortvloed sms’jes waarvan de inhoud zowel verontrustend als intrigerend was. “Hello my love, were are you? What are you doing?”, “Are you in your hotel my dear?”, “I want to meet you.” Dat “my love” en “my dear”: het kan het zuigen zijn van een afperser die weet dat zijn prooi niet kan ontsnappen. Het kan ook zijn dat … Ik heb die sms’jes een tijdlang genegeerd maar de stroom hield aan. Uiteindelijk heb ik de koe bij de horens gevat en hem laten komen. Als hij wil afpersen ben ik nieuwsgierig naar de munitie die hij daarvoor meebrengt. Wij zitten op het bankje voor de receptie van The Yellow House zodat de receptionist een oogje in het zeil kan houden voor het geval het vervelend wordt. Hij speelt zenuwachtig met zijn smartphone. Ik: “Wat wil je? Gaat het om geld of gaat het om dat andere?” Hij, zachtjes: “Om dat andere.” Oké, plan B. Ik neem hem mee naar Pumpernickel om koffie te drinken. Bij de douane gaf ik hem geen blik – te druk met fraude en corruptie – maar nu neem ik hem nauwkeurig op. Hij is knap, stekelhaar en leuke glimoogjes. Daar val ik op. We praten over koetjes en kalfjes. Hij tikt wat in op zijn smartphone en houdt mij het resultaat voor: “I want sex with you”. Dat is erg direct maar veel beter dan afpersen.

Ganesh: vijfendertig, met de combinatie van tanigheid en een strak vel die bij die leeftijd hoort. Hij komt tot mijn schouder; een Nepalees onderdeurtje, een mens in zakformaat. Alles aan hem is klein; balletjes als knikkers en een lid waaromheen een Europees condoom zou slobberen. Het is een oude wijsheid: beter een kleine die steigert dan een grote die weigert. Ik moet er een pil voor slikken. Ganesh: een nicht met nichtenstreken en daar val ik op. Wij maken afspraakjes en dan sms’t hij “come road” – “Kom naar de hoofdweg om mij op te pikken.” Zijn kennis van het Engels is rudimentair. Aan de hoofdweg is Ganesh in geen velden of wegen te zien. Hij verzendt dat sms’je op het moment dat hij van zijn werk vertrekt. Iedere vrouw en elke nicht weet: een man moet je even laten wachten, dat komt de liefde ten goede. Ah, daar komt hij: op zijn brommer, kek helmpje op de kop, geruit jack, kaki broek. Hij heeft zich ervoor gekleed, verleidelijk, en onder die kaki broek draagt hij niets. Dat is ook verleiding. Brede lach, glimoogjes die vertellen dat hij klaar is voor de liefde. Hij krijgt van mij een tikje op zijn kin, als straf voor het te laat komen, want openlijke affectie is in Nepal ongebruikelijk. Ik neem hem mee naar mijn kamer (de receptionist kijkt ons na). Technisch gezien zal het liefdespel niet in het Guinness Book of Records komen maar het is leuk met veel zoenen en gegiebel. Zijn beperkte kennis van het Engels is geen belemmering want de taal der liefde is internationaal en Ganesh is makkelijk in bed. Geleidelijk aan wordt ‘leuk vinden’ een warm gevoel en een warm gevoel wordt misschien wel liefde.

Onze relatie is een cocon en daarin is Ganesh de pop en ik het spinsel. Hem biedt de cocon de mogelijkheid van onbekommerde seks, van zichzelf te zijn zonder de zorg betrapt te worden. Hij is niet uit de kast; zijn moeder weet van niks (zou zijn moeder van niks weten? Mijn moeder: “Je was pas vijf en toen zag ik al, je was anders.”), zijn zus weet van niks, de hele familie weet van niks, zijn vrienden weten van niks. Ze hebben allemaal hun ogen in hun zak. Uit de kast komen is moeilijk in Nepal met een conservatieve familiesamenleving. Overigens zit Ganesh helemaal niet met zichzelf in de knoop; het idee van ‘uit de kast komen’ is gewoon niet overwogen. In het begin volgde hij mij als een schaduw naar mijn kamer, controleerde de sloten en of de gordijnen wel goed gesloten waren. Ik plaagde hem daarmee: “De overburen zeggen ‘die vriend van jou heeft een erg kleine piemel’.” Hij wordt gewoon geaccepteerd en daardoor komt hij uit mijn schaduw en krijgt praatjes op de trap. Wijn – mijn gasthuis met een Franse eigenaar schenkt wijn – helpt. Hij drinkt met grote slokken als was het limonade. Nepalezen kunnen niet tegen alcohol (Indiërs ook niet). Na het tweede glas roept hij “Love, mag ik er nog een?” en tegen de restaurantjongen “Doe er nog maar een” zonder mijn antwoord af te wachten. De restaurantjongen schenkt stoïcijns, maar laat zich bij ons vertrek ontvallen “Nog een gezellige avond samen”. Hij kan blijven slapen zonder dat iemand daar wat van zegt. Het helpt. We gaan uit, naar Sam’s Bar – Ganesh zingt “We go to Sam’s Bar, to Sam’s Bar”. In Sam’s Bar manoeuvreert hij zich naast een aantrekkelijke twintiger en begint een gesprekje over voetbal. Ik zie dat theater aan. Met een vinger een tikje op de arm van de twintiger, dan zijn hand op de arm en daarna neemt hij de hand van de twintiger in de zijne. Hij buigt zich naar mij over en fluistert “But I only love you!” Nichtentheater. Vanuit het veilige cocon kan hij uit de kast komen.

Onze relatie heeft ook een materiële kant. Ganesh is een maintené zoals dat ouderwets heet, iemand die onderhouden moet worden. Hij werkt bij de Ducati dealer (Ja, er is in Kathmandu een Ducati dealer, met één motor in de showroom). Hij maakt de zaak schoon en poetst motoren. Daarmee verdient hij achtduizendvijfhonderd Nepalese rupees, ongeveer vijfenzestig euro. Per maand. Die kaki broek heeft hij op de Chinese markt gekocht. Zijn brommer is gekocht op afbetaling. Zijn smartphone is van het merk Karbonn, een Chinese imitatie van Samsung. Vergeleken met hem ben ik uiterst vermogend en dat is een deel van de pret. “Ik heb geen geld meer, kun je me vijfentwintighonderd rupees geven?” Hij heeft over de afgelopen maand nog geen salaris ontvangen want de baas is in de Verenigde Staten. “Kun je me geld geven voor benzine?” Hij woont in Lalitpur, aan de andere kant van Kathmandu. “Mijn moeder is naar de dokter geweest; dat kost vijfendertighonderd rupees.” Zijn moeder heeft longproblemen, zoals velen in Kathmandu als gevolg van de luchtvervuiling. “Koop je een horloge voor me in Nederland?” Ik heb een design horloge gekocht, een met een rubberen band, en dat was dom: hij vind er niks aan. Een horloge moet blingbling hebben, met veel wijzers en zo. “You buy me a jacket, a jacket please.” Hij heeft zijn zinnen gezet op een wit jack van nepleer en hij hupt van plezier bij het vooruitzicht. Ik zou het graag hebben gekocht – want het staat hem vast leuk – maar ik doe het niet. “Luister, ik heb je geld gegeven, ik heb je benzine betaald, ik heb voor je moeder de dokter betaald, ik vind het mooi zo.”

Ik ben dol op Ganesh. Met hem heb ik de liefde teruggevonden die begraven was onder een dertig jaar durende langzaam verzuurde relatie. Ik veeg de spinnenwebben van de liefde, fluister kooswoordjes in zijn oor en leer hoe dat ook al weer moet, lieve dingen sms’en. Ganesh sms’t: “Only good morning? No kiss, no love?” Sorry: “I kiss you everywhere and love you a lot.” Mijn motor is gerepareerd; ik kan vertrekken en ben vertrokken. Afscheid nemen hoort bij reizen. Het is altijd moeilijk, maar een marteling als je van iemand houdt. Ganesh sms’t. “You have Indian lover now?” Nichtenjaloezie. “I’m single. I miss you.” Dat is lief. “You bring me present from India.” We zullen zien. “Come back to Nepal. Only one week please.” Dat is hartverscheurend. Ik kom terug, over drie maanden (Ganesh sms’t “Okee, over twee maanden”). Dan krijgt hij dat jack van mij. Ik kom terug om de motor naar Bangkok te transporteren. Dan vertrek ik, voor altijd. Hoe dat moet? Ik wil er niet aan denken, ik heb nog drie maanden.

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Indisch Subcontinent, Over mij en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s