“Nepal is not poor”

In mijn vorige reisverhaal ‘Nepal’s gezichten’ heb ik geschreven: Nepal is een prachtig land en Nepalezen zijn erg aaibare mensen en die combinatie trekt vrijwilligers en hulporganisaties aan als stroop vliegen. Enige gereserveerdheid zal de gewaardeerde lezer van dat reisverhaal toch niet zijn ontgaan? Gereserveerdheid die voortkomt uit verwarring tussen geamuseerdheid om al die goed bedoelde projecten en een lichte irritatie omdat het de aaibaarsten zijn uit een toch al aaibare bevolking op de comfortabelste plaatsen voor de verwende westerling – Pokhara, Kathmandu – die het leeuwendeel van de hulp krijgen. Er is geen vrijwilliger naar de uithoeken van de Terai te krijgen waar de AIDS bestrijding maar niet van de grond komt. Tijdens mijn reis door Afrika heb ik ook over de hulp geschreven en toen in rondere bewoordingen. De hulp wordt niet bepaald door de ontvangers maar door de gulle gevers, kost arbeidsplaatsen omdat vrijwilligers het werk doen dat ook door lokale mensen gedaan had kunnen worden, geeft aanleiding tot huiselijk geweld omdat mannen bij de hulp altijd worden overgeslagen, werkt corruptie en cliëntelisme in de hand, maakt mensen afhankelijk en de overheid lui maar geeft de hulpverlener een goed gevoel en de kans om zich eens lekker paternalistisch – en soms: racistisch – te laten gaan. Het is in Nepal niet anders. In The Yellow House in Kathmandu waar ik momenteel verblijf, zijn ze ook, de vrijwilligers. Welke Goede Werken ze doen? “We leren mensen omgaan met eenvoudige waterzuiveringsapparatuur.” Met de moessonregen komt er veel vuil in het oppervlaktewater en allerlei beestjes en bacteriën; vandaar. De ander: “Veel ziekten zijn hier het gevolg van vitamine tekort. Dus ik vertel de mensen dat ze meer groenten moeten verbouwen. En dat doen ze!” Vertel me: waarom is er geen Nepalees die aan eigen mensen in eigen taal uitlegt hoe ze met eenvoudige waterzuiveringsapparatuur moeten omgaan, waarom is er geen Nepalees die de mensen vertelt dat ze meer groenten moeten verbouwen? Waarom? Ik vertel je: omdat die vrijwilligers dat al doen! Het is voor Nepalezen erg moeilijk nog een gaatje te vinden om zelf het heft in handen te nemen.

Er zijn natuurlijk goede hulpprojecten, projecten die mensen een kans geven te overleven en hun toekomst in eigen hand te nemen. Ik zal toeareg Ibrahim niet vergeten die zei “Hollanders en Toeareg zijn familie van elkaar want de Hollanders hebben een waterput gemaakt in mijn dorp en in alle Toeareg dorpen rondom Timboektoe. Onze put is heel diep maar levert goed water. Nu hoeven we niet meer naar de Niger om water te halen.” India betaalt het Nepalese ogenprogramma. Met dat programma krijgen kinderen brillen en worden mensen van staar verlost. De operatie wordt uitgevoerd in ziekenhuizen en ogenklinieken en waar geen ziekenhuis of kliniek is, daar gaat de dokter naar toe en opereert in een veldhospitaal. Dankzij dat programma is het aantal gevallen van blindheid gehalveerd en komend jaar zullen er weer vijftienduizend worden geholpen. Die mensen hebben weer een toekomst. De aanleg van de Banepa Bardipas Highway naar het oosten van Nepal wordt betaalt door Japan. India heeft de bruggen van de Mahendra Highway gefinancierd. De weg naar de Chinese grens is door de Chinezen betaald. Van de hoofdwegen komt alléén de Prithivi Highway voor rekening van de Nepalese overheid en het onderhoud van die weg is bedroevend.

Er zijn dus goede en slechte hulpprojecten. Het is vast en zeker dat “enerzijds,  anderzijds” dat er toe leidt dat mijn boodschap niet wordt gehoord: hulp werkt doorgaans niet (daar heb je de nuancering weer: doorgaans) omdat de eerder genoemde nadelige effecten de eventueel geboekte resultaten overschaduwen. Na terugkeer uit Afrika werd ik door de Rotary van Alphen aan de Rijn uitgenodigd een lezing te geven over hulp. Die Rotary betaalt een school in Gambia of Ghana, in ieder geval op een plaats die exotisch genoeg is zonder dat je je hoeft te krabben. Het was zeker niet het Afram Plateau waar zelfs geen Ghanees naar toe te krijgen is en daarom zitten daar de paters van de SMA. In een rustieke omgeving en na een voortreffelijk diner heb ik mijn verhaal gehouden. Ik heb voorzichtig geprobeerd wat kanttekeningen bij die hulp te plaatsen. De conclusie van het gezelschap: we zijn op de goede weg. Ik had kwaad moeten worden; niet gehoord. Ja, de hulporganisaties liggen tegenwoordig onder vuur. En hoe reageren ze daarop? Kijk op de website van OneWorld: door het aantrekken van communicatiemedewerkers en fondsenwervers. De hulp is een industrietak met haar eigen dynamiek. Daar kan zelfs Dambisa Moyo niet tegenop die in haar boek Dead Aid een bijtende analyse van de hulp heeft gegeven. Het gaat maar door. Ik lees op nu.nl dat een kamerlid van de PvdA een quotum wil voor hulpprojecten voor vrouwen. Hooggeacht kamerlid: er zijn twee soorten hulpprojecten, hulpprojecten voor dingen – de bescherming van de olifant, verbetering van de landbouw, veilige drinkwatervoorziening, wegenaanleg – en projecten voor mensen en die laatste zijn altíjd gericht op vrouwen, moeders, kinderen; er zijn géén projecten voor mannen. Mijn buurman David V. promoot op zijn facebook pagina de actie van de ASN-bank tegen kinderarbeid. In India en Nepal is kinderarbeid normaal. Ouders sturen hun kinderen naar Kathmandu om werk te vinden en bij te dragen aan het gezinsinkomen. Meestal gaat het goed. Kay Tee Automobiles in Delhi heeft een twaalfjarig hulpje in dienst. Hij haalt het gereedschap, ruimt de rommel op, doet eenvoudige karweitjes. Hij bluft en blaft, is de mascotte van het bedrijf. Tegen de tijd dat hij volwassen is heeft hij het vak van monteur geleerd. Kinderuitbuiting komt ook voor en er zijn kinderen die geen werk vinden. Die komen op straat terecht en in het lijmsnuiverscircuit. Namens die kinderen: hartelijk bedankt voor het nobele streven. Die lijmsnuivertjes worden opgevangen door een liefdadigheidsorganisatie, zodat de ene organisatie de andere aan werk helpt. Onze koningin vindt dat het in Afrika ‘beter’ gaat. Majesteit, het gaat in Afrika niet ‘beter’, het gaat goed, dankzij de werklust en de inventiviteit van de mensen. Ik weet uit eerste hand hoe geïrriteerd Afrikanen raken van goed bedoelde blanke neerbuigendheid. Koningin Maxima zet zich in voor de microkredietfinanciering. Een succes? Ik weet van Steady in Malawi hoe moeilijk het is voor een kleine boer om krediet te krijgen. Femke Halsema – mooie vrouw met jarenlange ervaring op het pluche – is voorzitter geworden van de stichting Vluchteling. Ze is natuurlijk zelf gaan kijken. Ik weet hoe moeilijk het is voor een vluchteling om naar huis te gaan. Ik heb met Charles de kantoren van de UNHCR en het Rode Kruis in Brazzaville bezocht: nul op het rekest, er was geen programma voor repatriëring van Liberiaanse vluchtelingen. Ik heb geprobeerd voor Charles een laissez passez te krijgen zodat hij naar Kinshasa kon gaan waar een Liberiaanse ambassade is en waar hij een paspoort zou kunnen krijgen: nul op het rekest, dat is niet de taak van de UNHCR en het Rode Kruis. Charles is dus illegaal naar huis gegaan en heeft dat overleefd, dankzij zijn doorzettingsvermogen, zonder hulp van Femke maar met hulp van een mensensmokkelaar. Femke was op dat moment geen voorzitter maar daar gaat het niet om. Het gaat om die organisaties met hun programma’s en regeltjes maar zonder oog of interesse voor een mens. Daar staat een vluchteling die naar huis wil – je zou je handen moeten dichtknijpen – en je zet hem de deur uit. Overigens gaat het goed met Charles; hij is terug in Liberia, werkt voor een microkredietbank (…) en heeft sinds kort een vriendin Venessa waarmee hij hopelijk een gezin gaat stichten. Oef!

Ik ben moedeloos geworden van al die goed bedoelde hulp. Ik wil het niet meer zien, ik wil er niet meer over horen. Ik ben de verhalen over “hoe zielig” en “hoe goed” spuugzat. Daaruit komt de gereserveerdheid voort die opborrelt in ‘Nepal’s gezichten’. En dan … lees ik op de redactiepagina van de Republica – een tamelijk grote Engelstalige krant in Nepal – een artikel met de titel “Nepal is not poor”: tegen hulp, tegen “voluntourism” (mooi woord). Het is een artikel van Bec Ordish, “founder and executive director of Mitrataa Foundation which provides education and training opportunities to Nepali women and girls”. De duivel stelt zelf het kwaad aan de kaak. De kern van haar verhaal: hulp laat mensen geloven dat ze zelf niets kunnen en maakt de overheid lui. Ze heeft voor haar boodschap een platform gevonden en gebruikt dat. Ze mompelt niet, zoals ik. Daaraan ontleen ik nieuwe strijdvaardigheid. Ik wil bijdragen aan het verspreiden van haar verhaal. Daarom heb ik het artikel hieronder integraal overgetypt.

****

Nepal is not poor

Stop aid. Stop the voluntourism that exploits the poor even further. Start believing in Nepalis so they can start believing in themselves.

“Nepal is not a poor country; it is just poorly governed.” I agree, my mind shouted when I read this recently. So much so that I set it as our weekly essay question for the girls (I run an organization which educates Nepali women and girls). But reading their responses and reflecting further, I realized I was wrong. I wanted very much to agree with this statement. But the reality is that Nepal believes that it is a poor country and so acts accordingly.

This belief is crippling this amazing country. It permeates all levels of society and is reinforced from all angles, even by those who supposedly don’t believe in it. The catch cry is “Nepal is a poor country that needs lot of help.” It is in the school textbooks; it is shouted at school assemblies by the principals; it is on the front page of the newspapers; it is sprouted by the politicians as reasons for the problems they haven’t dealt with; it is reinforced by the sheer numbers of NGOs and INGOs in Nepal, all of which have this message at the core of their work.

One of the children said to me “We must be poor, otherwise why does everybody come to give us help?” Even tourists expect things to be cheap because they perceive Nepal as poor and therefore don’t expect quality and to pay for services which are higher value and voluntourists come to make themselves feel good about building schools and houses for “poor people” who are made to feel they should be grateful for the help.

But Nepal doesn’t have to be poor. It is rich in natural resources – it has one of the highest quantities of water supplies in the world. So why are there water shortages and lack of electricity? It has the geography to grow lots of wonderful products in high demand in other parts of the world. Nepal’s tea is arguably tastier than Darjeeling’s tea, grown in the same climatic conditions but in richer soil with younger bushes so why is the tea being sold cheaply into India while India sells its Darjeeling tea overseas for significantly higher prices? Pashmina used to be a luxury product in the hands of Nepal’s royalty only, so why is it now China’s cheap fake products that line Thamel’s tourists shops? Nepal has rich cultural traditions and skills and passionate people. So what is going wrong?

The government has to take a lot of responsibility. Lack of a conducive environment to encourage entrepeneurs, an impossible to manage bureaucracy which requires numerous “payments” to goverment officials to get anything done, too much in-fighting and no focus on the feeling amongst their citizens. The government officials go overseas to garner support for themselves, not for the countries products, its people. They ask for aid, not for investment.

No wonder the people believe their country is poor. We treat them as though they are. It’s one of the biggest problems with the aid industry around the world. It teaches people to be beggars, rather than empowering them to take responsibility for their futures, creates dependency rather than inspiring people to reach their dreams.

It’s nearing the end of the tourist season in Nepal. Thousands of enthousiastic backpackers have passed through to trek the mountain trails. But this season fewer achieved their dreams of getting to Everest Base Camp, because there is only one airline flying into Lukla, the highly sought after airport launch to the Himalayas. Last year there were four. Sita Air stopped after one of its planes crashed, Agni Air has been grounded since last year for safety issues and NAC only has one plane remaining operational that can fly this difficult route. How can the tourist industry capitalize on the passion for Nepal if the airlines are not regulated properly to maintain their planes?

In the recent festival season the lines of people at the remittance offices were long. Remittance from family members working overseas is one of Nepal’s major sources of foreign currency. However, the money is being spend on luxury items – everyone has a new mobile phone, fancy new clothes and a feast for the festival – rather than being invested in businesses. There is no encouragement for entrepeneurs. People are used to being given money from aid agencies, so now they have changed the hand that feed them to the ‘lucky’ family member who has been sent overseas to support the rest of the family while they sit waiting for their cash to arrive.

How do we create hope for Nepalis? How do we change the story from “Nepal is a poor country” to “Nepal is an amazing country, full of beautiful natural resources, passionate people and lots of opportunities”? Stop the aid. Stop the voluntourism unless it is empowering and not simply exploiting the poor even further. Start believing in Nepalis so they can start believing in themselves. Start investing in social businesses rather than aid. Close down the NGOs and replace them with local initiatives run by local people who can choose to invite in support if they need it, rather than having it imposed on them so they feel like beggars.

If it is treated like a poor country, it will act like one and therefore will be one. It’s a selffulfilling prophecy. But imagine the possibilities if the Nepali people believed that Nepal was an amazing country, if they acted accordingly, if we invested accordingly. Just imagine.

****

Het is nog véél erger dan Bec Ordish beschrijft. In dezelfde editie van Republica (18 december 2013) staat op de voorpagina een artikel met de kop “Booking cancellations sounds alarm for tourist industry.” De toeristenindustrie dreigt in te storten; het aantal vakantieboekingen zou met wel een kwart zijn afgenomen. De oorzaak: Nepalese vliegmaatschappijen worden uit het Europese luchtruim geweerd omdat ze de veiligheidsmaatregelen onvoldoende naleven. De Nepalese overheid heeft nagelaten goed toezicht te houden. Toeristen beginnen nu ook vraagtekens te plaatsen bij de veiligheid op binnenlandse vluchten en zelfs bij de veiligheid van de busverbindingen tussen Kathmandu en Pokhara. Laat ik je vertellen: die bussen zijn heel onveilig. Als ik een bus zie aankomen is het eerste wat ik doe kijken waar een vluchtplek is. Het aantal verkeersdoden zou in Nepal tien keer hoger liggen dan in India dat ook een bedenkelijke reputatie heeft. De Nepalese overheid is in geen velden of wegen te bekennen.

Nepal is not poor

Nepal is not poor

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Indisch Subcontinent en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op “Nepal is not poor”

  1. Pingback: Nepal is not poor | Toy Travellers

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s