Nepal’s gezichten

Wie Nepal kruist van zuid naar noord, van de Indiase grens tot die met China, komt eerst in de Terai, het lage deel dat naadloos overgaat in de grote vlakte van de Ganges in noord India. De Terai is grotendeels bebost en spaarzaam bewoond: een enkel dorp langs de Mahendra Highway en Butwal is er de enige grote stad. Hier liggen de wildparken van Nepal. Die liggen er niet voor niets: de Terai was van oudsher vergeven van de malaria en daarom voor mensen ongeschikt. Pas sinds een paar decennia is de malaria bedwongen. Na de Terai komt een rij heuvelruggen die de boeggolf is van de oprijzende Himalaya. Ik schrijf “heuvelruggen” omdat Nepalezen alles beneden de tweeduizend meter “heuvel” noemen; voor Europese begrippen zijn die heuvelruggen forse middelgebergten. Vlees noch vis: een mooi landschap maar zonder wildparken en zonder de indrukwekkende ongenaakbaarheid van de Himalaya. De Siddartha Highway loopt er doorheen, van Butwal in de Terai naar Pokhara in de Centrale Vallei. De Centrale Vallei, tussen Himalaya en boeggolf, is vruchtbaar, zowel de bodem als het klimaat, en zonder malaria en daarom woont en werkt het overgrote deel van de Nepalezen daar. Daarna komen de voetheuvels met bossen en akkerterrassen en dan de Himalaya, de wereld van kale rotsen en ijle luchten, van sneeuw en ijs, van de yak en misschien de yeti, de verschrikkelijke sneeuwman. Dat is het gezicht van Nepal waarvoor de toeristen komen: om het wild te zien, om te raften in de rivieren van de Centrale Vallei, om te paragliden vanaf de voetheuvels van de Himalaya, om te trekken naar het dak van de wereld en om bij te komen in Pokhara en Kathmandu.

Nepal: zo op het oog een mooi maar verder betekenisloos land. Zoals Zwitserland. Betekenisloos? Helemaal niet! Nepal heeft een handelsgeschiedenis: handel tussen het Indiase laagland en het Tibetaanse hoogland. Het ging om zout uit Tibet en rijst en graan uit India, om wol en vee, om suiker, thee en specerijen. De Nepalese steden in de Centrale Vallei – Kathmandu, Patan, Bhaktapur en andere – werden steenrijk van de handel. En ze maakten elkaar het leven zuur, bevochten en wedijverden met elkaar. Aan dat laatste dankt Nepal haar andere gezicht, het gezicht van de grote monumenten. Elk van de steden heeft een Durbar, een centraal plein waaraan het koninklijk paleis ligt en dat bespikkeld is met tempels als was het strooigoed. Tempels in de architectuur van pagodes, dak boven dak, en tempels in de conische vorm van de zuid-Indiase architectuur. Hindoe tempels, want Nepal is een Hindoe land als India, gelegitimeerd door godsvrucht maar bedoeld om elkaar de loef af te steken: wij zijn de grootste, de rijkste.

Patan: Durbar Square

Patan: Durbar Square

 

De Lonely Planet vraagt bij sommige tempels om mijn aandacht voor de houten daksteunen: in het houtsnijwerk zouden “saucy going-ons” zijn afgebeeld. Ik ben altijd geïnteresseerd in de inhoud van de schemerhoeken van het mensenbrein dus ik heb die daksteunen nauwkeurig bekeken. Ik zag geen “saucy going-ons”, ik zag godinnen met onnatuurlijk veel armen. Voor de zekerheid heb van een aantal daksteunen foto’s gemaakt, op mijn tablet zorgvuldig bestudeerd en verhip: beneden die godinnen zijn kleine taferelen uitgesneden die eerder aan mijn aandacht waren ontsnapt. Er wordt geneukt, gebeft, gepijpt, gerukt. Met twee, drie en velen, zovelen dat niet vast te stellen is welk been bij wie hoort. Datgene wat in middeleeuws Europa door een monnik op de verborgen binnenzijde van een perkamenten omslag werd getekend is hier in dezelfde tijd publiek gemaakt, zij het dat je moet weten waar je moet kijken. Een volk of godsdienst dat geen moordkuil maakt van de schemerhoeken van het brein, heeft bij mij een streepje voor. Die schemerhoeken kunnen ook andere inhoud hebben. Dat wordt verbeeld in het houtsnijwerk van de Hari Shankar tempel in Patan: martelingen. Daar wordt gekookt, gevild, opengesneden, uitgerukt. Twee gezichten.

Saucy_going-on

Saucy Going-on

Ook de Nepalezen hebben twee gezichten. Het eerste gezicht is dat van uiterste aaibaarheid. Op de Wereld Aaibaarheidslijst scoren ze zeker bovenaan. Zelden ben ik mensen tegengekomen die zó vriendelijk, beleefd, voorkomend zijn als Nepalezen. Een Nepalees zegt “sorry” als hij tegen je aan loopt. Een Indiër niet. Gedienstig en bescheiden: een Nepalees zegt “prettige dag” als je de rit met de riksja of het aanbod van een souvenir afwijst. Een Indiase riksjarijder doet of hij je niet heeft gehoord en gaat door met opsommen waarheen hij je allemaal kan brengen. De Schepper heeft de Nepalezen bedacht met een knap voorkomen, zowel jongens als meisjes. Ze zijn tenger, een tikje klein van stuk, met een mooi regelmatig gelaat waarin amandelvormige ogen en een innemende glimlach. De jongens hebben iets androgyns, omdat ze laat baardgroei krijgen, en tegelijkertijd iets ondeugends dat duidelijk maakt dat ze niet uit een poppenhuis komen. En de Nepalezen zijn ‘modern’: westerse waarden als democratie, vrouwenrechten en de zorg voor het milieu (alles is ‘biologisch’) worden omarmd en ook aan de bestrijding van HIV en AIDS wordt gewerkt voor zover de bescheiden middelen dat toelaten. Er zijn vreselijk veel comités die zich op die westerse waarden toeleggen. Vriendelijk, beleefd, voorkomend, gedienstig, bescheiden, knap en modern: dat betaalt uit. Nergens zag ik zoveel liefdadigheidsorganisaties als in Nepal; zelfs in Mali en Malawi niet, landen die ook enorme donor darlings zijn. In Pokhara hebben zich tussen de bars, restaurants en hotels winkels gewurmd waar de breisels worden verkocht die gemaakt zijn door Vrouwen In Een Achterstandssituatie of door doven. Waarom doven tot breien zijn veroordeeld begrijp ik niet. In Kathmandu hangen overal briefjes met de uitnodiging je te melden als vrijwilliger. De combinatie van overweldigend natuurschoon en uiterste aaibaarheid – tel daarbij het exotische van de hindoe cultuur – trekt vrijwilligers aan als stroop vliegen. Op mijn trektocht naar Annapurna Base Camp ontmoette ik een jongeman: na zijn trektocht wil hij vrijwilligerswerk doen, “iets biologisch”. Ik heb hem het kaartje van Suk Gurung gegeven want de buffel staat tot de enkels in de poep, biologischer kan niet. Een oudere Duitse dame werkt in de kinderopvang. Ik kan me voorstellen dat er ook Nepalese vrouwen te vinden zijn die, tegen betaling, in de kinderopvang zouden willen werken; misschien wel Vrouwen In Een Achterstandssituatie. Een gepensioneerd Nederlands echtpaar is voor zes maanden naar Nepal gekomen om mee te werken in een weeshuis in Pokhara waarvoor hun stichting betaalt (“Maar we gaan ook wandelen, hoor!”). Tranentrekkende projecten voor aaibare mensen op aaibare plaatsen: vrouwen, gehandicapten, kinderen in Kathmandu of Pokhara. In Pokhara ontmoet ik een puber, zo’n slungel van een jaar of achttien. Wij schuilen samen tegen de regen; die schuilplaats blijkt zijn slaapplaats te zijn. Hij woont en slaapt op straat, in Pokhara dat geld aantrekt als een zwart gat materie. “Erg!” zegt de vrouwelijke helft van het Nederlandse weeshuis-echtpaar. “Misschien iets voor uw stichting?” “Wij doen het weeshuis.” Ik gun aaibare mensen op aaibare plaatsen de hulp. Ik zou graag zien dat ook iets gedaan werd voor aaibare mensen op minder aaibare plaatsen, voor minder aaibare mensen en voor minder aaibare mensen op minder aaibare plaatsen. Volgens de Republica komen HIV-bestrijdingsprojecten in de afgelegen delen van de Terai niet van de grond. Geen mens wil daar werken; geen prettige streek. Ik lees op NU.nl dat Nederland militairen beschikbaar stelt voor Mali. De Toeareg krijgen machinegeweren op hun dak. Ik kan me voorstellen dat ze meer geholpen zouden zijn, en ook gekalmeerd, met subsidie voor de karavaanhandel. Die karavaanhandel is hun lust en hun leven. Maar ja: het zijn weinig aaibare mensen – voor je het weet wordt je door ze gekidnapt of beroofd – op een heel desolate plek.

Nepalezen hebben ook een destructieve kant. Ik noemde al de wedijver én strijd in de geschiedenis van de stadstaten. Er zijn heel wat neuzen, oren en lippen afgesneden. De taferelen op de daksteunen van de Hari Shankar tempel bewijzen dat de Nepalezen bekend zijn met het fijne van de pijn. De recente geschiedenis wordt getekend door een burgeroorlog tussen de zittende macht en maoïsten waarbij duizenden zijn vermoord en honderden verdwenen. Toen het land op de rand van de afgrond stond hebben de leiders van de strijdende partijen gedaan wat verstandige mensen al veel eerder hadden gedaan: ze zijn met elkaar gaan praten. Beter laat dan nooit. De koning is met pensioen gegaan en de maoïsten maken nu deel uit van de regering. Het gaat nog moeizaam. De maoïsten hebben de verkiezingen verloren; ze hebben zichzelf in de voet geschoten met het voortdurend uitroepen van landelijke stakingen. Daar houden hardwerkende mensen niet van. Met het tekenen van de vrede is de oorlog geen afgesloten verleden. Oorlog is een rat met een lange staart. Er zijn open wonden, er is verdriet. De slungel van zo even. “Waarom leef je op straat en niet bij je ouders?” “Mijn ouders zijn dood. Mijn vader werd opgehangen en mijn moeder de keel doorgesneden.” “Waarom?” “Ik weet het niet.” De traditionele samenleving van gescheiden bergvolkeren is grondig door elkaar geschud. Tienduizenden zijn van het onveilige platteland gevlucht naar de betrekkelijke veiligheid van de steden. In en rondom Kathmandu zijn grote slums met hutten van plastic lappen. De nachten zijn hier erg koud. De Nepalese samenleving is nu in verandering. Velen hebben de kansen gezien en gegrepen die de vrede bood. Het toerisme en de handel bloeien, Kathmandu is gehuld in smog en het verkeer zit er muurvast. De brommers en de mobieltjes zijn niet aan te slepen. Jongeren met hippe kapsels en kleding passen moeiteloos in de straten van Londen, New York of Tokio. Het moderne, aangename gezicht van Nepal. Velen zijn gemigreerd naar India om de armoede te ontvluchten. Ze werken in de hotels, gasthuizen en hostels waar ik verblijf. Ze zijn nóg goedkoper dan Indiërs. Even velen hebben de boot gemist; ze hebben de kansen van de vrede niet gezien, waren te laat om ze te grijpen of hadden de moed niet te migreren naar India. Ouders sturen hun kinderen naar Kathmandu om geld te verdienen. Ze zijn misschien zeven, hooguit tien. De gelukkigen vinden werk als bordenwasser, schoonmaker, voddenraper of sjouwer. Anderen belanden op straat en leven daar van … Ik ben aangeklampt met “blowjob?”. Volgens een hulpwerker is kinderprostitutie een probleem. Ik zag lijmsnuivertjes. Dat is óók het gezicht van Nepal.

Het gaat zoals overal in een veranderende samenleving: zij die het eerst de kansen zagen en grepen hebben een goed belegde boterham, degenen die daarna kwamen moeten het doen zonder beleg en de laatsten vechten met elkaar om de kruimels. Daaraan verandert maoïsme niets. In Pokhara, de verkoper van armbandjes: “Ik loop iedere dag drie uren van mijn dorp naar hier maar ik verkoop niets”. In de toeristenstraten van Kathmandu worden Gurkha messen aangeboden voor één dollar. Zelfs als ze van blik zijn – wat ze hoogstwaarschijnlijk zijn – kan de winst niet adembenemend zijn. Ik koop geen messen, wel een armbandje in Pokhara. Vanwege die drie uren.

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Indisch Subcontinent en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s