Indiase zeden

Mijn nicht Marjet is een dame en stewardess bij KLM. Het Indiase subcontinent is voor haar geen favoriete bestemming: “Wij landen aan het einde van de nacht op Karachi, Bombay of Delhi. In de vroege ochtend, als we met een busje naar ons hotel worden gebracht, zie ik mensen langs de weg poepen. Ons hotel is door een muur gescheiden van die wereld. Stel je voor: je ligt aan het zwembad en je bestelt een broodje. De ober brengt het broodje en dan landt er een vlieg op. Die vlieg komt … van de andere kant van de muur!” Ik moest lachen om haar verhaal en vooral om haar zichtbare damesafschuw voor iets dat beslist een incident moest zijn. Ik kon niet geloven dat het méér zou zijn. Op poepen in het openbaar bestaat in alle culturen een taboe en daarvoor zijn goede redenen. Er is niets gevaarlijker voor mensen dan mensenpoep. Cholera, dysenterie, tyfus, worminfecties worden allemaal verspreid door mensenpoep. Als ik in Afrika een dorp passeerde rook ik het poep- en piesplaatsje. Het ligt even buiten het dorp, verscholen in het bos. Nooit zag ik tijdens mijn reizen ooit ergens mensen poepen dus waarom wel in India, een land met een duizenden jaren oude beschaving? Ik moet mijn nicht gelijk geven, met tegenzin want het is ontluisterend voor India. Er wordt in het openbaar gepoept; het gebeurt niet massaal maar ook niet incidenteel. De eerste die ik zag was een jongen van een jaar of tien; hij leunde met zijn blote gat over de rand van een brug. Ik dacht “ach, een kind”, want kinderen vergeef ik veel. Aan de rand van het volgende dorp zat een volwassen vrouw langs de kant van de weg. Ze stond op, ik zag nog net een glimp van haar blote billen. Ik reed langs de plek en zag een dikke mensendrol. In een park in Agra zag ik een man gehurkt; aan zijn billen hing een geelbruine drol. In Delhi hetzelfde tafereel langs Qutab Road, tegenover het station. Ik was in Bundi op weg naar het paleis, ging de straathoek om naar het plein en op die hoek, aan de rand van de markt, op het plaveisel lag een mensendrol. Er zaten witte stukjes in. Lintwormsegmenten? Leg me uit: waarom houden die mensen hun behoefte niet op totdat ze thuis zijn, waarom zoeken ze niet een plekje in het bos of tussen de struiken? Hoeven die mensen hun billen niet af te vegen, hun handen niet te wassen? Waaraan heeft de hand gezeten die in mijn palm rust? En de handen van de serveerster? Hoe reageer ik op de bedelaar die met zijn vingers mijn broekspijp houdt om aandacht te vragen? Ik voel de afschuw van mijn nicht.

De ober krabt nog even wat aangekoekte etensresten van mijn bord, met zijn nagel, voordat hij het voor me neerzet. De ijscoman geeft me een lepel die hij met zijn vingers vasthoudt aan het lepeldeel. In alle landen die ik bezocht doen arme mensen hun uiterste best er zo schoon mogelijk uit te zien. Niet in India. India is een vreselijk onhygiënisch land. Mannen piesen tegen elke boom of muur. Ze staan niet dicht tegen de muur maar een eindje ervan af, zodat je het lid en de klaterende straal kunt zien. Zeshonderd miljoen mannen; in heel India hangt een bijtende pieswalm. Overal spuwen mannen (alweer mannen) fluimen. Mannen en vrouwen kauwen een boomblad dat besmeerd is met betelnootpasta. Dat levert behalve speeksel ook afzichtelijke bruinrode rotte tanden. Neuzen worden met de vingers gesnoten, dezelfde vingers waarmee gegeten wordt.

India is een onhygiënisch land en smerig bovendien. Overdag hoopt het vuil zich op in de straten van de steden. Iedereen gooit alles op straat: papier en plastic, kartonnen bekers en plastic flessen, bananenschillen en luiers, etensresten en ander huisvuil. In de vuilnisbelten zoeken koeien en varkens naar voedsel. Van zo’n koe of varken hoef ik geen vlees; vegetariër zijn is in India om méér dan een reden geen straf. Ik drink hier ook geen melk maar aan yoghurt is niet te ontkomen. s’ Ochtends vroeg ruimen vuilnismannen en -vrouwen de rommel op – met een kartonnen veger of met de hand – zodat de stad weer schoon is, naar Indiase normen, voor de nieuwe dag. Dat vuil wordt in een overvolle container gedumpt, in een hoek of steeg of buiten de stad in de wegbermen, in het bos, in natuurgebieden. De prachtige hellingbossen rond Shimla – op borden staat “keep Shimla green and clean” – zijn vergeven van de vuilnishopen. Niet alleen rond Shimla. Poelen, beken en rivieren zijn inktzwart, stinken en er drijft veel vuil in. Het zijn open riolen. Ik zou voor geen goud ook maar een vinger in de Ganges steken maar mensen baden erin. Met de buffel. Gigantische hoeveelheden vuil en plastic worden door de rivieren afgevoerd naar zee. Kanyakumari, op het zuidelijkste puntje van India, komt heel gemakkelijk van haar vuil af: daar ligt de vuilnisbelt al aan zee. De steden zijn gehuld in smog; vooral in Delhi en Agra is de luchtvervuiling ernstig. Ik voel het aan mijn haar dat stroef wordt en tegelijkertijd vettig. Ik voel het aan mijn huid die plakt. Na een dag rijden kom ik meestal aan met een beroet gezicht. Dieselroet. India is smerig maar tegelijkertijd komen er grote aantallen vogels voor. Ook veel verschillende soorten roofvogels, zelfs in het centrum van Delhi. Ik zag veel vlinders, niet in de steden maar wel erbuiten, op het platteland. In de bossen rond Shimla groeien orchideeën naast de vuilnishopen. Nederland lijkt veel schoner maar andere roofvogels dan torenvalken en haviken zijn zeldzaam, de ooievaar moet de hand boven het hoofd worden gehouden, de vlinderstand is bedreigd en de soortenrijkdom van de weilanden is verarmt tot supergras.

Ik heb in mijn reisverhaal over Delhi de pikorde beschreven in etablissementen als Saravana Bhawan en Mybar: hoger en lager personeel. Ik zie het als de moderne vorm van het kastensysteem. Het kastensysteem is een combinatie van een feodaal systeem en een gildensysteem. De kaste bepaalt je beroep, je status, waar je woont, met wie je omgaat, met wie je kunt trouwen. Bij geboorte ligt een groot deel van het leven vast. India is heel progressief aan haar onafhankelijke toekomst begonnen met de wettelijke afschaffing van het kastensysteem. Het is een papieren afschaffing. Mahendra, mijn gids in Mount Abu, heeft op zijn visitekaartje staan “Mahendradan”. De toevoeging “dan” verwijst naar zijn kaste; de Dan zijn de rechterhanden van de Raiputs, de krijgerskaste. Mijn gastvrouw van Vijay Guesthouse in Bikaner: “Wij zijn Raiputs. Vroeger kwamen hier geen mensen in huis van een andere kaste, al helemaal niet van een lagere kaste. De tijden veranderen. Nu komen hier ook mensen van lagere kasten maar alléén in dit gedeelte [ze bedoelt het gastengedeelte], niet in ons eigen deel!” Mevrouw Vijay heeft een dochter van zeventien en die zit op highschool. “En daarna gaat ze studeren” mijmert mevrouw Vijay. “En wat gaat uw dochter studeren?” “Dat weet ik nog niet, maar ze gaat studeren want dan wordt ze een betere partij. Een man wil geen domme vrouw!” “Regelt u het huwelijk?” “Natuurlijk, want hij huwt niet alleen onze dochter, hij moet sociaal bij ons passen en hij komt in ons bedrijf.” De familie Vijay heeft behalve het guesthouse nog een safaribedrijf met veertig dromedarissen. “Maar als uw kandidaat uw dochter niet bevalt, wat dan?” “Als ze ‘nee’ zegt is het nee. Maar ik ken mijn dochter en ik weet zeker dat ik een man zal vinden die bij haar past.” “En uw eigen huwelijk, was dat ook gearrangeerd?” “Natuurlijk. Mijn ouders hebben het beste voor mij gedaan. Ik heb een heel goede man gekregen. Kijk naar ons bedrijf!” Op de kast staat een foto van het echtpaar, heel trots maar ook heel stijf. De gastheer van Royal Guesthouse in Bharatpur stelt zijn vrouw voor: “Ze is postgraduate in politicologie.” “Hebt u politieke ambities?” Ze glimlacht. Haar man: “Nee, ze zorgt voor mij en de kinderen.” “Maar Indira Gandhi was president en ook moeder!” Zij glimlacht, hij lacht.

Ik vind Indiërs erg onverschillig. Onverschillig voor hun natuurlijke omgeving, onverschillig voor hun medemens. Over het verkeersgedrag heb ik al geschreven; het is eerder ergerlijk dan gevaarlijk. Ergerlijk gedrag komt voort uit gebrek aan rijvaardigheid – niet kunnen inparkeren, heel langzaam inhalen – of uit onverschilligheid – ver van de wegrand parkeren, midden op de weg rijden, met twee voertuigen naast elkaar blijven rijden, tegen het verkeer in rijden. Die onverschilligheid is dubbel: onverschillig over onverschilligheid; iedereen accepteert het verkeersgedrag, in ieder geval ogenschijnlijk. Ik heb in drie maanden India geen enkele opgeheven middelvinger gezien, geen gebalde vuist, geen bekvechtende chauffeurs.

Volgens een recent aangenomen wet komen van de twaalfhonderd miljoen Indiërs er achthonderd miljoen in aanmerking voor voedselsubsidie. De grens schijnt nogal ruim getrokken te zijn maar het getal maakt duidelijk dat er heel veel behoeftige mensen zijn: arme mensen en straatarme mensen. Straatarme mensen leven op straat, slapen op straat of in een portiek, scharrelen hun kostje bij elkaar uit vuilnisbakken of met bedelen. Nergens zag ik ooit zoveel straatarme mensen als in India. Sommigen zijn verslaafd, de meesten hebben gewoon pech gehad, zijn op straat geboren. Zij die geluk hebben gehad –  de vierhonderd miljoen – lopen langs de achthonderd miljoen die pech hebben gehad, ogenschijnlijk onverschillig. Ik heb daar moeite mee. Waarom gedragen mensen zich onverschillig in het verkeer? Waarom zijn mensen onverschillig tegenover onverschillig verkeersgedrag? Waarom lopen zij die geluk hebben gehad onverschillig langs hen die pech hebben gehad? Waarom komen zij die pech hebben gehad niet in opstand? Méér dan een Indiër heeft me uitgelegd: hindoe-fatalisme. Hindoes geloven in goed en slecht karma. ‘Karma’ is oorzaak en gevolg: je huidige toestand is het gevolg van handelingen in het vorige leven. Aan karma valt weinig te doen, het is er nu eenmaal. Een slecht karma accepteer je, omdat je daardoor een betere positie krijgt in een volgend leven. Het vagevuur op aarde. Het zal zijn dat Indiërs geloven in karma, als verklaring voor onverschilligheid vind ik het onvoldoende. Mensen zijn praktisch van aard. Verkeer is een systeem en zo’n verkeerssysteem werkt het best als iedere deelnemer zich ongeveer hetzelfde gedraagt. In een onverschillig verkeerssysteem kun je niet ‘verschillig’ zijn, dat brengt ongelukken. Ik heb het geleerd; ik vind in Delhi rijden niet moeilijk. Het is simpel: blijf recht vooruit kijken, kijk niet naar links of naar rechts en al helemaal niet in de spiegels want daar zie je alleen maar ergernissen. Het sociale systeem is net zo. Als de vierhonderd miljoen zich echt iets van de achthonderd miljoen zouden aantrekken, dan behoorden ze binnen de kortste keren tot die achthonderd miljoen. Onverschilligheid uit lijfsbehoud.

Onverschillig voor natuur en medemens, maar niet voor dieren. In onze cultuur is een dier ofwel troetelbeest ofwel productiemiddel. Als productiemiddel heeft het dier een waarde maar geen waardigheid. In ‘minder ontwikkelde’ landen is de band tussen mens en dier veel nauwer en ook gelijkwaardiger. Het kind past op de koe en de koe op het kind. Het kind zorgt dat de koe niet verdwaald. De koe beschermt het kind als haar kalf. Raak het kind niet aan want dan wordt de koe boos. In India gaat de band nog dieper: de koe is heilig en mag niet worden gedood. Indiërs zijn voor het overgrote deel vegetariër. De koe is er voor de melk en de mest. De mensen voeren de koe. En ook de honden. Voor vogels en eekhoorns staan overal bakjes met graankorrels en etensresten. Dat hoort ook tot de Indiase zeden.

 

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Indisch Subcontinent en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s