Over macht en rijkdom en grote gebaren

Rajasthan: eindeloos rechte wegen door vlak en dor land. Links doornige acacia’s en rechts doornige acacia’s. En de Appels van Sodom: struiken met aantrekkelijke bloemen maar holle vruchten en giftig. Opwaaiend stof. Dat is het ene gezicht van Rajasthan. Het andere gezicht is dat van steden met een verleden van rijkdom en strijd: Jaipur, Bikaner, Jaisalmer, Jodhpur, Ajmer, Udaipur. Het is een algemene merkwaardigheid: de grootste rijkdom is vergaard in streken die te droog zijn om mensen te voeden en om die streken is het hardst gevochten. Niet handen maar handel maakt rijk. Het zijn de karavaanroutes tussen oost en west – tussen Afghanistan en de oceaan – en tussen zuid en noord – De Zijderoute – die de rijkdom brachten en waarom gevochten is. Met de scheiding tussen India en Pakistan verloor Jaisalmer haar handelspositie en de stad zou in de vergetelheid zijn geraakt, en misschien wel verlaten, als het leger er geen bases had gevestigd en vooral als de toeristen het niet hadden ontdekt.

De toeristen komen voor dat romantische verleden van forten en paleizen en havelis in de steden. Jaipur, Bikaner en Udaipur moeten het hebben van de paleizen en de toeristen gaan naar Jaisalmer en Jodhpur vooral voor de forten. Die zijn zoals forten overal zijn: hoge muren, bastions, poorten. De Indiase toevoeging bestaat uit veel balkonnetjes en uitkijkpunten als prieeltjes: koepeltjes op ranke pilaren. En ijzeren punten op de poorten om de olifanten af te schrikken die als stormram werden gebruikt. Die forten zijn indrukwekkend in omvang en ongenaakbaarheid maar hebben mijn interesse niet; heb je er één gezien, dan heb je ze allemaal gezien. De paleizen van de machthebbers, de maharadja’s: marmer, goud, zilver. Sprookjesweelde, geen architectonisch groot gebaar. Het was als met de steden langs de Zijderoute in Centraal Azië: ze leefden van de handel maar controleerden die niet. De handel werd gecontroleerd in Kabul, Herat en Kandahar, in Lahore en Delhi, in Mumbai; niet in Jaipur, Bikaner of Udaipur. Misschien geen groot gebaar maar wel goede opdrachtgevers aan edelsmeden, steenhouwers, meubelmakers en schilders. Bij neergang van de macht lijdt het opdrachtgeverschap want zij die neergaan spiegelen zich aan hen die opkomen. De maharadja’s spiegelden zich aan de smaak van de Britse bezetter. Sajjan Singh, maharadja van Udaipur, was verzot op kristal en bestelde in Engeland, niet in Udaipur. Kristallen vazen en lampen, kristallen servies, tafels en stoelen van kristal, zelfs een kristallen bed en keukengerei van kristal. De maharadja overleed voordat de zending arriveerde – God straft – en de schat stond tientallen jaren ingepakt in dozen op de paleiszolder totdat een nieuwsgierige conservator een kijkje nam. In de Crystal Gallery kun je nu voor de lieve prijs van vijfhonderdzestig rupees je vergapen aan de weelde van de neergang. In de garage van het Garden Hotel kun je een ander resultaat van de verzamelwoede van de maharadja’s van Udaipur bewonderen: tweeëntwintig automobielen. Automobielen zijn voertuigen die qua prijs en uniekheid vér verheven zijn boven de auto. De maharadja van Jaipur liet reusachtige zilveren vaten maken, de grootste ter wereld, om zich bij een bezoek aan Engeland te kunnen laven aan Gangeswater. Die vaten staan nu in het museum van het stadspaleis, achter glas en met een bewaker erbij.

Het paleis van de Maharaja van Udaipur

Het paleis van de Maharadja van Udaipur

Wie niet tegen weelde kan, bezoekt het paleis van Bundi, tussen Udaipur en Jaipur, hoog boven de stad geplakt tegen de bergwand. Het is verlaten en leeg en het stinkt er naar vleermuizenpies. De bewaker – “De koninklijke familie woont tegenwoordig in Delhi.” – opent krakende deuren. Hij vraagt “Vindt u het verder wel?” De terrassen bieden uitzicht over de stad en de eindeloze vlakte van Rajasthan. Ontdaan van oogverblindend goud en zilver en zonder de toeristen die komen voor weelde wordt het ambacht zichtbaar. Zuilen dragen kapitelen van olifanten in zwarte steen en hun ruggen dragen het stof van jaren. Muurschilderingen stellen processies voor, de jacht, goden en godinnen en misschien ook de heer en zijn gade.

Havelis zijn patriciërshuizen, huizen van hoge ambtenaren en kooplieden. Ik zag ze in Nawalgarh, in de Shekawati regio in het noorden van Rajasthan. Daar zijn het de huizen van kooplieden die ver weg fortuin hadden gemaakt. Ze deden wat onze Marokkaanse gastarbeiders van het eerste uur ook deden: thuis huizen bouwen als kastelen om het succes te etaleren. Havelis: drie of meer verdiepingen – want hoe hoger je zit hoe koeler in de hete zomer en hoe lager je zit hoe warmer in de koude winter – en drie binnenhoven. Het eerste binnenhof na de toegangspoort is om gasten te ontvangen. Rondom het tweede binnenhof woont de heer des huizes met zijn familie. Het derde, achterste, binnenhof is de zenana, het domein van de vrouwen. Nawalgarh stikt van de havelis en ze zijn uitbundig beschilderd met landelijke taferelen, bloemen, goden en godinnen en nieuwerwetsigheden als treinen en vliegtuigen. De meeste havelis verkeren in staat van verkommering maar een klein aantal is gerestaureerd en te bezoeken. Ik val ervoor: het zijn kleine paleizen zonder de decadente weelde van de maharadja’s want het blijven natuurlijk burgers en die gaan voor praktische luxe. Patwa-ki-haveli in Jaisalmer is het paleisje van vijf broers die fortuin maakten met de handel in gouddraad, brokaat en juwelen. Ik zie een foto van ze: vijf stevig besnorde en ernstig kijkende heren; uit het begintijdperk van het wonder van de fotografie. Hun haveli is van buiten uitbundig gedecoreerd maar van binnen degelijk luxueus. In het ontvangstvertrek is een hoek ingeruimd voor de schrijver, met typemachine. Het gaat om zaken. In de slaapkamer staat naast het bed een hoorngrammofoon, “om in de stemming te komen” legt de gids uit. Dat is heel burgerlijk. Maharadja’s hoefden niet in de stemming te komen, dus ook geen grammofoon naast het bed. Veruit de interessantste haveli in Jaisalmer is die van Salim Singh, een minister-president uit de negentiende eeuw; niet omdat het de meest uitbundige haveli is of de best geconserveerde maar omdat de huidige bewoner enthousiast vertelt over het leven van de bewoners van toen. “Kijk, hier in deze toren zat Salim als hij zich wilde verpozen en daar aan de overkant” – hij wijst naar een gelijksoortig bouwsel boven de zenana – “zat de vrouw die hij had uitgekozen.” Ik: “Riepen ze dan naar elkaar?” Hij: “Nee, ze communiceerden met gebaren want als ze zouden praten zouden andere vrouwen het kunnen horen en jaloers worden.” Ik, de wijsheid van Fabien, mijn gids in Rhumsiki (Kameroen) indachtig – “Een vrouw is een probleem, twee vrouwen zijn twee problemen, drie vrouwen zijn drie problemen”: “Dat lijkt me nogal problematisch.” Hij: “Welnee, hoe meer vrouwen hoe meer relaties met andere families en daardoor sta je sterker. Salim had er zeven!” (De zenana van de maharadja’s van Bikaner heeft twaalf vertrekken voor vrouwen en allemaal te bereiken via afzonderlijke gangen en trappen). Ik: “Nou ja, misschien niet problematisch voor Salim maar toch wel voor de vrouwen; die zaten maar te wachten tot ze geroepen werden en ze konden de zenana niet uit!” Hij: “Welnee! Buiten was het erg onveilig en hierbinnen hadden ze alles wat ze nodig hadden. Nú is het voor vrouwen moeilijk en onveilig!” Een gesprek over de geschiedenis opent het doek over de opvattingen van nu. In Jaipur staat de Hawa Mahal, een gebouw dat lijkt op een enorme duiventil. Het is geen duiventil, het is een vrouwentil. Met dát verschil dat duiven eruit kunnen en de vrouwen niet. Maharadja Sawai Patrap Singh liet het bouwen om de dames van zijn hof een blik te gunnen op het straatleven. Een verlichte geest. In het museum van het paleis van Udaipur staat een draagkist, een mini-huisje van misschien een meter hoog. Daarin werden vrouwen vervoerd als ze, bij hoge uitzondering, het paleis verlieten. Ventilatieopeningen, laat staan ramen, heb ik er niet in kunnen ontdekken. De forten en paleizen van Rajasthan en zelfs de havelis zullen in mijn herinnering vervagen maar de beelden en verhalen die getuigen van de behandeling van vrouwen zullen erin zijn gegrift. Ik zou graag willen weten wat voor gevoel die beelden en verhalen nu bij vrouwen oproepen, Indiase vrouwen, vrouwelijke toeristen. Verbazing, afschuw, onverschilligheid want het is historie? Misschien schrijf ik nog eens een verhaal over het leven van vrouwen in het huidige India.

IMG_7605 (600x800)

De vrouwentil van Maharadja Sawai Patrap Singh

Voor het grote gebaar in de architectuur moet je bij de Mughals zijn in het noorden van India. Ik ging naar Agra. Agra is beslist de smerigste stad die ik tot nu toe in India heb bezocht. De luchtvervuiling is er ondragelijk, erger dan in Delhi, het vuil ligt dik langs de straten en het stinkt er afschuwelijk. Ieder jaar bezoeken drie miljoen mensen de twee lotusbloemen die groeien in dat inktzwarte water. De eerste is het fort. Ik bezocht eerder Mughal forten, in Delhi en in Lahore. Het fort van Lahore is een ruïne, eerst verwoest door de Britten en daarna door de tijd, maar aan die ruïne is nog steeds te zien dat hier ooit een keizer zetelde. Vanzelfsprekende grandeur en sober, zonder de toeters en bellen van de paleizen van de maharadja’s. Het fort van Delhi is grotendeels intact waardoor de grandeur gemakkelijker toegankelijk wordt, maar het fort van Agra is onovertroffen. Niet de muren, de poorten en de bastions maar de paleizen. Direct na de toegangspoort staat het paleis van keizer Jehangir, gebouwd met dezelfde rode zandsteen als de fortificaties. Het is sober, exuberantie is niet nodig om de macht van de keizer te tonen. Daarna komt de Diwan-i-Am, in grijze zandsteen en met een woud van pilaren. Hier ontving de keizer het volk dat kwam met verzoeken en klachten. De Diwan-i-Khas is het paleis waar de keizer hooggeplaatsten, ambassadeurs en persoonlijke gasten ontving. Het is niet groot, van heel gewone structuur – een open hal – maar van wit marmer, ingelegd met halfedelstenen. Die inlegtechniek wordt door Europeanen ‘pietra dura’ genoemd; ik zag het nergens dan in India en Pakistan. Met het inleggen van halfedelstenen zijn abstracte composities maar vooral bloemen uitgebeeld in groen, geel, blauw, rood. Het effect tegen de achtergrond van het witte marmer is fantastisch. Dat simpele gebouw van wit marmer met die bloemcomposities geeft een indruk van lichtheid, van bijna-weg-zijn. Dit is de architectuur van het grote gebaar, van macht die vrij is om een groot gebaar te maken. Het is de schepping van Shah Jahan. Aan de overzijde van het binnenhof waaraan de Diwan grenst staat de Khas Mahal achter een witmarmeren muur. Het is een paviljoen, achthoekig, van wit marmer en versierd met pietra dura, gebouwd op een bastion. De Khas Mahal is lieflijk, gracieus en nietig in vergelijking met de rest van de fortbebouwing. Die betrekkelijke nietigheid zegt veel. Het is de plaats van een drama in de Mughal dynastie. Hier zat Shah Jahan gevangen nadat hij van de troon was gestoten. Door zijn eigen zoon, Aurangzeb. Hij mocht nog van geluk spreken want gewoonlijk vermoordden ze elkaar. Shah Jahan zelf liet al zijn mannelijke familieleden ombrengen om de troon veilig te stellen maar zag blijkbaar zijn zoon over het hoofd. Hij zat er acht jaar gevangen, tot zijn dood, en keek die acht jaar uit op zijn grootste schepping in de verte, de Taj Mahal, de tombe voor zijn geliefde Mumtaz Mahal en hij is er zelf ook bijgezet, naast zijn geliefde. Zó beroerd heeft Aurangzeb zijn vader niet behandeld!

IMG_9016 (600x800)

Pietra dura

De Taj Mahal is de andere lotusbloem in het stinkende water van Agra en geldt als het mooiste bouwwerk van de wereld. Ik weet dat niet want ik heb niet alle bouwwerken van de wereld gezien. Ik reken de Taj Mahal tot de mooiste drie bouwwerken die ik heb gezien; de andere twee zijn de Emam moskee en de Lotfallah moskee, allebei in Isfahan. De relatie van de Taj Mahal met die twee is niet toevallig; je ziet het bij eerste aanblik: Perzisch. Die hoge vlakke wanden, de diepe nissen met puntbogen, de koepel die bolvormig is maar waarvan de basis nét over de middellijn gaat, nét iets, en waarvan de top nét iets is uitgerekt, nét iets. De architect was een Pers. De Indiase toevoeging bestaat uit de lotusbloem die het bovendeel van de koepel bedekt – zonder de lijn van die koepel te verstoren – en de koepeltjes bovenop de vier minaretten. Wat maakt de Taj Mahal tot één van de mooiste bouwwerken van de wereld? Zeker de ligging, volkomen vrij, niet ingebouwd, op een verhoging aan de oever van de Yamuna rivier. Door die vrije ligging wordt ze een individu. Het mooiste zicht is vanuit de Mehtab Bagh, een tuin aan de overkant van de rivier, als de atmosfeer helder is. Het witte marmer draagt bij aan de schoonheid. De Taj Mahal is niet egaal wit, dat zou saai zijn; elk blok marmer heeft zijn eigen wit waardoor je de structuur kunt zien. Het wit tegen de blauwe lucht maakt de Taj bijna doorschijnend. De Persische architectuur is geobsedeerd door wiskunde en symmetrie is daarvan het belangrijkste onderdeel. De Taj Mahal is symmetrisch; ze is even breed als hoog, het park ervoor bestaat uit vier even grote kwadranten en de middellijn ervan loopt precies door de middellijn van de Taj Mahal. De Taj wordt geflankeerd door twee gebouwen van rood zandsteen. Het ene is een moskee, het andere een nepmoskee, zonder mirhab (de nis die naar Mekka wijst), en dient alleen voor de symmetrie. De spanning zit erin dat die symmetrie wordt uitgedaagd. Die koepel die nét iets over de middellijn van de bol gaat, de minaretten die íéts taps toelopen. Ieder jaar worden drie miljoen mensen door de Taj Mahal geperst. Het is een enorm gedrang en door al die mensen is het er heet en vochtig. Dat kán niet goed zijn voor het marmer. En het is nergens voor nodig. Het inwendige is een schemerige ruimte met twee cenotafen (de keizer en zijn geliefde liggen in een kamer onder de tombe en die kamer is niet toegankelijk). Veel valt er niet te zien, áls je al iets kunt zien in het gedrang. Het gedrang is ontluisterend. Voor mij mogen ze de Taj Mahal afsluiten, zolang je eromheen kunt lopen. Het wonder zit aan de buitenkant.

Taj Mahal, zonder woorden

Taj Mahal, zonder woorden

IMG_9013 (800x599)

De Taj Mahal spiegelt in het water van de Yamuni.

Ik ben nog gestalkt. Bij het verlaten van het fort passeerde ik een poliolijder. Hij stak zijn hand uit maar ik liep door. Dat is tegen mijn gewoonte want gehandicapten en bejaarden hebben bij mij een streepje voor. Wie gezond van lijf en leden is moet werken. Ik stond op het punt terug te lopen voor de gift toen ik hem hoorde roepen “one euro, one euro”. Daarmee deed hij onmiddellijk mijn hart op slot want ik bepaal de gift. Ik ging de hoek om, was de poliolijder bijna vergeten toen ik weer hoorde “one euro, one euro”. Daar kwam hij op zijn zitvlak achter me aan geschuifeld!  Ik deed er een stapje bovenop, ik kan sneller lopen dan iemand op zijn zitvlak kan schuifelen. Even later hoorde ik weer “one euro, one euro”. Had’ie een riksjarijder gecharterd! Ik ben de straat overgestoken via de hoge middenberm waardoor ik buiten het bereik van de riksja kwam. Misschien had ik de vasthoudendheid moeten belonen? Ik heb boete gedaan. Bij het bezoek aan Mehtab Bagh kwam er een blinde jongen op me af. Ik was niet helemaal zeker van de blindheid dus ik vroeg “Je kan me wel zien, hè? ” Hij: “Nee, ik kan je horen.” Van hem heb ik een Indiase vlag gekocht, voor honderd rupees. Het ding is van metaal met een magnetische achterzijde. Dat is een erg gevaarlijk souvenir voor iemand met creditkaarten op zak.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Indisch Subcontinent en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s