Delhi

De Grand Trunk Road loopt van Kabul over Delhi naar Kolkata. Het is een weg met een verhaal, zoals de wegen van de Zijderoute, de East African Highway, de Panamerican, Route 66. Het verhaal over de onderneming van reizen, over het geluk van aankomen, over het gevaar. Wie bij een pitstop de passagiers uit de bussen ziet strompelen – stijf, verfomfaaid, bleek – begrijpt dat reizen nog steeds een onderneming is, voelt het verlangen aan te komen, hoort het stille gebed. Ik heb ze allemaal gereden, met zadelpijn, de kilometers tellend, biddend dat die bus op tijd zijn plekje in de rij zal vinden. Ik ben een minuscuul onderdeel van hun verhaal en daarop ben ik trots, niet vanwege de prestatie maar vanwege het gevoel van verbondenheid met al die mensen die over die weg reisden. De Grand Trunk Road staat onder reizigers bekend als ‘gevaarlijk’, vanwege de niets ontziende trucks en de bussen. Ik vind het meevallen, in ieder geval voor wat betreft het traject naar Delhi; ik was op iets ergs voorbereid. De weg is in staat van vernieuwing met veel viaducten in aanbouw en veel omleidingen en er is veel verkeer maar het is overzichtelijk. Het is te doen, zoals ik al die wegen met een verhaal gedaan heb.

Delhi kondigt zich niet aan; de stad is er plotseling, dertieneneenhalve kilometer voor het centrum (dat meldt mijn navigator). Het gaat goed, het verkeer op de Grand Trunk is wel druk maar stroomt nog door. De navigator wijst de weg naar rechts, naar de wijk Paharganj in de oude stad waar ik een hotel zal zoeken. Nog maar drieeneenhalve kilometer en het is pas half drie. Het gaat goed. Tot Qutb Road. Het verkeer zit er muurvast vanwege dubbel geparkeerde vrachtauto’s, vanwege de motor- en de fietsriksja’s, vanwege handkarren die tegen de verkeersstroom in worden geduwd, vanwege de bussen, vanwege marktkramen, vanwege … De bus heeft gekeerd maar krijgt geen kans in te voegen en blokkeert nu de rijbaan. Het duurt minuten voordat de bus zich heeft weten in te persen in het verkeer. Het is een hel, een hel van geluid van claxons, van uitlaatgassen, van mensenmassa’s, van onzachte duwen van links en van rechts, van hitte. Het is zó heet dat de benzine in de tank van mijn motor uitzet en door de dop naar buiten wordt geperst zodat ik misselijk word van mijn eigen benzinedamp. In deze hel is medemenselijkheid. Iemand brengt een kroes water, later nog iemand water in een colaflesje. Twee mannen duwen een half geladen handkar opzij zodat ik er langs kan. Na Qutb Road komt Main Bazar Road. Wie ‘bazar’ in een straatnaam tegenkomt, weet dat je daar niet moet zijn, in elk geval niet op een motor. Het valt mee, vergeleken met Qutb Road is Main Bazar Road het vagevuur. Het is er druk, heel druk maar er wordt niet tegen me aan geduwd. Ik had gedacht hier een hotel uit te zoeken: Smyle Inn, Ganga Inn, misschien Cottage Yes Please. Ik kan het niet opbrengen; over anderhalve kilometer heb ik bijna drie uren gedaan, ik ben afgedraaid en uitgepiest. Het wordt de eerste de beste, Smyle Inn, in een zijsteeg van Main Bazar Road, met een parkeerplaats voor de motor. De hoteljongens dragen mijn bagage naar binnen. Mijn kamer is voldoende schoon, voorzien van een plafondventilator en airco en een douche. En het is er doodstil. Ik heb in één keer een liter Fanta gedronken.

Mijn steeg, want ik woon waar ik verblijf, is amper vier meter breed, de stoepjes meegerekend; zó nauw en hoog bebouwd dat mijn navigator geen satellieten kan vinden. Er kunnen nog steeds handkarren doorheen worden geduwd. In de steeg zitten drie hotels, drie vertegenwoordigers van koeriersdiensten en verschillende kruidenierszaken. Ik ken ze allemaal. De kruidenier van de overkant heeft een blitse scooter die hij elke dag afstoft en een dochtertje dat leert lopen. Het winkeltje naast het hotel wordt gerund door een moeder met drie zoons. Moeder is wat stug maar de zoons groeten vriendelijk en vragen of ik een fijne dag heb gehad want bij hen koop ik Fanta en sigaretten. De kapper groet vriendelijk, wil heel graag mijn haar knippen en schijnt goed te zijn in gezichtsmassage. Er is in mijn steeg veel te zien en daarom een fantasialand voor nieuwsgierige honden en kinderen ondanks de handkarren en de pubers op hun scootertjes. Aan het begin van de steeg is een openbaar urinoir; als ik erlangs kom houd ik mijn adem in. Schuin tegenover dat urinoir heeft iemand een nering in gebakken eieren en om de hoek in Main Bazar Road, slechts van het urinoir gescheiden door een kartonnen wandje, een kraam met vers gefrituurde kip. Ik eet noch de eieren noch de kip. Vanwege dat urinoir. Main Bazar Road is wat je van een bazaar kunt verwachten: veel winkels met goedkope kleding, schoenen, tassen, souvenirs, kraampjes met sokken en shirtjes, ambulante handelaren in speelgoed en zonnebrillen, snackbars, morsige hotels die ‘International’, ‘Heaven’ of ‘Paradise Inn’ heten (met Smyle Inn ben ik goed af). Vanaf tien uur ’s morgens, als de winkels open gaan, is Main Bazar Road eivol met riksja’s, handkarren, auto’s en een enkele koe (’s avonds een kudde). Er zijn ook een paar kroegen. Bij Gem kom ik niet want die heeft een toegang van donker getint glas zodat je niet kunt zien wat binnen gebeurt. Mijn bar is Mybar waar ik elke avond een paar halve liter flessen Kingfisher Premium achterover sla. Mybar is een echte kroeg met hardrock muziek, bevolkt door dikkige middenklasse, jeunesse doree en toeristen. De eigenaar is een enorme Sikh met een lengte van zeker twee meter en een diameter van een meter die net tussen de tafeltjes door kan. Gelukkig zit’ie meestal aan een tafeltje televisie te kijken. Het personeel is ingedeeld in drie klassen. Bovenaan de pikorde staan de stewarts, herkenbaar aan hun oranje shirt met het opschrift ‘stewart’, die je een plaats wijzen (ze zijn onverbiddelijk, denk niet dat je zelf je plaats kunt kiezen behalve als je, zoals ik, een gemakkelijke vaste klant bent), je bestelling opnemen en afrekenen. Daaronder komen de obers in zwart shirt met het opschrift ‘server’ die je drankje brengen en de asbak. De onderklasse is niet geüniformeerd en naamloos; zij vegen de tafeltjes schoon en ruimen de rommel op die je net zelf achteloos op de vloer hebt gegooid. Naast die hiërarchie staat een ordebewaker die vorsend tussen de tafeltjes loopt maar die ik nooit in de orde heb zien ingrijpen en de deurman wiens taak is “welcome, welcome” te roepen als je binnengaat en “bye, bye” als je vertrekt. Mybar is de Indiase klassensamenleving op microschaal. Je kunt bij Mybar ook eten want eten doet drinken en daarom is het eten ook vet en stevig gekruid. Je gaat er niet van dood.

Wil je echt lekker eten, niet te ver uit de buurt, dan is Saravana Bhavan aan de Outer Circle van Connaught Place een uitstekende keus. Het onderschrift op de gevel luidt ‘High Quality South Indian Vegetarian Restaurant’ en daarmee is niet overdreven. Het is er spic en span, koel, helder verlicht en het eten is top. En goedkóóóóóóp! Saravana is heel populair; het is er altijd druk en in het weekend staat een lange rij voor de deur. Het personeel heeft dezelfde hiërarchie als dat van Mybar – dat onderstreept mijn opmerking ‘de Indiase klassensamenleving op microschaal’ – met obers in wit hemd en zwarte broek, serveerders in wit tenue en daaronder de sloven. Bij Saravana zijn dat vrouwen, bij Mybar jongens. Na Saravana ga ik koffie drinken bij Starbucks aan de Inner Circle van Connaught Place. Starbucks kent géén personeelshierarchie, is egalitair Amerikaans. Op mijn beker wordt “Mathew” geschreven, want in no time kennen ze je, en Yaja komt altijd een praatje maken. Het zal tot de werkinstructies van Starbucks horen maar dat doet er niet toe; Yaja is een aardige jongen met een prettig open gezicht en je hoort nog eens wat. Hij komt uit Bihar en is op zijn veertiende, alleen, naar Delhi gekomen want “hier gebeurt het”. Hij wil ook een motor (ik draag mijn Royal Bikers shirt, vandaar het onderwerp), geen Royal Enfield maar een Harley Davidson. Hij is van ver gekomen dus dat zal ook wel lukken. Bij Starbucks zit de upper class, vooral jonge mensen die zich over het leven geen enkele zorg hoeven te maken behalve over hun relatie: “Mijn vrouw wil van me scheiden omdat ik teveel met mijn vriend optrek. Ze zegt: waarom ga je niet met hem wonen, dan heb je alles behalve de seks.” Ik houd mijn gezicht in de plooi. Hij is een dagje in Delhi, shoppen – omringd met tassen van Van Heusen, Benneton, Armani – en gaat dezelfde avond nog terug naar Jaipur. Met het vliegtuig, veertig minuten vliegen. Dat is de upper class. Het andere uiterste van het maatschappelijke spectrum is ook vertegenwoordigd op Connaught Place: de bedelaars, de straatkinderen en de paupers. De paupers zitten en liggen tussen de statige pilaren van de Circles, uitgemergeld, hopeloos vervuild, uitgeblust en vooral: geen contact met de wereld om hen heen. Ze raken niet aan en worden niet aangeraakt. Door niemand. Vergeleken met hen zijn de sloven van Saravana en Mybar, de voddenrapers en zelfs de bedelaars er oneindig veel beter aan toe. De sloven hebben een baan, kunnen zeggen “ik werk bij Saravana”, kunnen opklimmen in de hiërarchie en dan neerkijken op de nieuwe sloven. De voddenrapers en de bedelaars hebben elkaar, de groep, medemensen waarmee je kunt handelen, lachen, ruzie maken. De paupers hebben niemand, zijn dwars door het maatschappelijk net heen gevallen en terecht gekomen in de hel van isolatie. Hun deerniswekkende toestand is misschien een wapen. De Mail meldt zorgelijk dat Delhi van de eerste naar de negende plaats van toeristenbestemmingen is gedonderd en dat toeristen Connaught Place beginnen te mijden vanwege de groezelige omgeving. Dat vinden ze bij Starbucks, Van Heusen en Benneton niet leuk.

Van Main Bazar Road naar Saravana aan Connaught Place is ongeveer twee kilometer. Voor dergelijke korte afstanden neem ik de fietsriksja. Het kost dertig tot zestig rupees. Ik vraag altijd naar de prijs maar onderhandel niet. Zegt de riksjarijder “honderd” dan heeft hij aan mij geen klant. Dat is een vervelende vent. Zegt hij “zestig” dan krijgt hij zestig. Zegt hij “vijftig” dan krijgt hij zestig en zegt hij “dertig” dan krijgt hij vijftig. Mits hij niet begint over “shopping…?”. Een biljet van honderd rupees kan meestal gewisseld worden. Dan komt uit de broekzak een plastic zakje; meer dan een paar biljetten van tien rupees zitten daar niet in en daaraan kun je een inschatting maken van de verdiensten. De receptionist van Smyle Inn vindt dat ik teveel betaal; dertig rupees is meer dan genoeg, vindt hij. Het zal zo zijn naar de harde Indiase economische maatstaven maar ik hanteer een andere maatstaf: elke juichkreet is voor Allah een gebed. Wat zou ik zijn als ik de prijs drukte van zestig naar dertig rupees? Een thirty rupee hero! Een halve liter Premium bij Mybar kost 95 rupees, exclusief service tax en government tax. Dertig rupees zijn binnen dertig seconden soldaat gemaakt. Zeik niet.

Humayun's Tombe

Humayun’s Tombe

Voor de middellange afstanden, bijvoorbeeld naar het Red Fort of naar India Gate, neem ik de motorriksja en voor de lange afstanden – naar Humayun’s tombe, de Qutub Minar of Aerocity – de metro. De metro is de andere wereld van Delhi: koel, vuilnis- en stankvrij, welgeordend. Langer dan twee minuten hoef ik nooit te wachten. Er hangen opschriften met “Spitting prohibit. Fine 200 rupee” (Indiërs hebben de gruwelijke gewoonte op straat fluimen te spuwen). Er is een groot verschil tussen Delhi boven de grond en onder de grond. Welgeordend? Op Rajiv Station staan op het perron van de Blue Line suppoosten die de reizigers in rijen dwingen aan weerszijden van de hekopening waar dadelijk de deuren van de metro zullen opengaan. Dan hinderen de instappende reizigers de uitstappende niet. Op het perron van de Yellow Line staan die suppoosten niet maar ook daar staan de mensen netjes in de rij. Totdat de metro komt en de deuren open gaan. Dan stormt het achterste deel van de rij naar voren om zich de metro in te vechten terwijl de reizigers in de metro zich naar buiten vechten. Ik had op dit verschijnsel niet gerekend, werd meegesleurd in de maalstroom van lijven en belandde uiteindelijk ergens in het midden van de coupe. Delhi boven de grond en Delhi onder de grond: dezelfde mensen.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Indisch Subcontinent en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s