Wachten op het einde van de moesson

Ik had een plan, een prachtplan: van Chandigarh over Leh naar Srinagar en terug over Jammu naar Chandigarh. Een rondje Himalaya door ruig land en over passen boven vijfduizend meter, de hoogste ter wereld. Zal de motor dat redden? Moet ik de carburateurs bijstellen? Zal ik het zelf redden? Ik zoek graag het randje op maar wil wel een richel overhouden. Die richel is er momenteel niet. Vanwege de moesson: modder en bergstortingen. En er zijn onlusten in Kashmir. Vooral in en rond Jammu is het er hard aan toegegaan. Er zijn doden gevallen, districten zijn van de buitenwereld afgesloten en de hoofdweg is off limit voor reizigers.

Voorlopig ben ik veroordeeld tot het voorgebergte, wachtend op het einde van de moesson en van de onlusten. Dat voorgebergte is mooi: beboste bergruggen, appelboomgaarden op de hellingen en bulderende bergrivieren. De toestand van de weg houdt een waarschuwing in: hellingen zijn afgegleden en hebben delen van de weg meegenomen, afvoerkanalen zijn verstopt en het water stroomt over de weg, laat een dikke modderlaag achter en heeft in de steile bochten diepe geulen in het asfalt gesleten. Met de moesson valt niet te spotten. Tel daarbij op dat het asfalt lang geleden betere tijden heeft gekend, nu vergeven is van de kuilen en de stoplappen en je begrijpt hoe moeizaam het rijden is.

Shimla ligt op minder dan honderdvijftig kilometer van Chandigarh en daar doe ik zes uren over. Ik kom er droog aan maar met een zwart gezicht en een vettig jasje: dieselroet van de vrachtauto’s en de bussen. Shimla heeft een koel klimaat met een moesson als een Britse zomer en daarom koos de Britse onderkoning de plaats als zomerresidentie. Een keer per jaar zeulden de Britten hun hele administratie van New Delhi de bergen op en een keer per jaar van Shimla weer naar beneden. De Britten zeulden natuurlijk niet, dat lieten ze doen. En om dat gemakkelijker te maken legden ze een smalspoor aan – lieten ze aanleggen – vanaf Kalka bij Chandigarh: Viceroy’s Toy Train, de speeltrein van de onderkoning. Behalve de Toy Train dankt Shimla aan de status van zomerresidentie de Viceregal Lodge – een manor passend bij de status van de onderkoning – en een administratiegebouw uit gietijzer en steen – dus brandveilig – en The Mall met echte Britse cottages. Die koloniale erfenis is het decor van wat Shimla nu is: het Valkenburg van India, een vakantieplaats voor de middenklasse. Een ouder echtpaar met een vetrandje: onder zijn windjack puilt een buikje en haar sarong heeft de vetrolletjes onder haar oksels geperst. Hij kijkt voldaan en dat is waarschijnlijk terecht: na een leven sappelen hebben ze de welstand van Shimla bereikt. Echtparen met kinderen waarvoor de welstand van Shimla vanzelfsprekend is, jonggeliefden die een voorschotje nemen op de toekomst, groepen jongemannen nog zonder vriendin en dus met elkaar. Wie zich de actie ‘Eten voor India’ herinnert, deelt in de voldaanheid van het ouder echtpaar. Shimla bewijst dat India haar take off heeft; het is gelukt en niets zal het tegenhouden verder op te stoten in welvaart. Die middenklasse loopt The Mall op en af, onder de paraplu want het regent, langs de cottages waarin nu goedkope eetgelegenheden en snackbars, guesthouses en hotels, souvenir- en fotowinkels zijn gevestigd. Ik loop ook The Mall op en af, kijk op mijn horloge en zie dat een kwartier verstreken is. Die lichte verveling hóórt bij Valkenburg, ook in India. Er is niet echt iets te doen behalve The Mall op en af lopen, een bezoek brengen aan de Lodge waar de onderhandelingen zijn gevoerd over de onafhankelijkheid en de opdeling van het subcontinent (in de vergaderzaal hangen grote portretten van Gandhi,  Nerhu en andere coryfeeën van de onafhankelijkheid maar niet van Jinnah, de vader van Pakistan), wat veel mensen doen, en wandelingen maken naar Chatwik Falls en The Glenn wat weinig mensen doen. Ach, het gaat er ook niet om iets te doen maar om er te zijn. Een land met Valkenburg mag zich gelukkig prijzen.

Shimla: Valkenburg in India

Shimla: Valkenburg in India

Manali ligt op tweehondertachtig kilometer van Shimla in het dal van Kullu. Vóór Kullu heeft de Beas een gedeelte van de weg meegenomen en er staat aan beide zijden van de vernauwing een kilometers lange file. Ondanks de drukte probeert iedereen in te halen, vooral bussen en vrachtauto’s en ook een oud baasje in een aan alle kanten gedeukte Tata Nano. Die hoeft zich over schade geen zorgen te maken. De jongeman met de spiksplinternieuwe okergele Pulsar (een hip motormerk in India) wel. Ik tref hem een eindje verderop, beteuterd naast de resten van zijn lieveling. Na de wegvernauwing volgt nog een kilometers lange tunnel – zonder luchtverversing en dus gevuld met dikke blauwe damp – en ook daarin wordt naar hartelust ingehaald. Ik bereik Manali na tien uren rijden, levend en zonder schade.

Manali is een toeristenoord net als Shimla maar anders. Manali trekt vooral buitenlandse toeristen, jonge backpackers (in Shimla was ik een van de weinige buitenlanders). Ze zijn er om op verhaal te komen na een hectische reis door India en voordat het vliegtuig vanaf Delhi vertrekt, terug naar huis. Anderen komen voor adventure activiteiten – om te trekken, waarvan de meesten afzien vanwege de moessonmodder, om te raften, wat niet kan omdat de Beas te gezwollen is van de moessonregen, of te paragliden, wat niet kan vanwege de regen; wie adventure zoekt moet hier niet komen in het moessonseizoen – en weer anderen huren een Royal Enfield om motortochten te maken in de omgeving – wat wél kan ondanks de moesson: naar de Rohtangpas en de binnenweg naar Kullu. Op een gehuurde Royal Enfield kun je je een Easy Rider voelen. Buitenlanders dus en vooral veel Israëliërs. Manali heeft zich erop ingesteld. Hotels en restaurants serveren ‘Israely breakfast’ (humus en pitabrood) en ‘Israely food’. Opschriften en menukaarten zijn in Ivriet naast Engels en er is ook een rabbi in Manali. Israëliërs reizen en verblijven groepsgewijs. Fransen, Italianen en Spanjaarden doen dat ook maar er is geen groep zó gesloten als de Israëlische. Ze bewegen door de ruimte, in dit geval die van Manali, met een absoluut minimum aan extern contact. En het zijn lastige klanten. Er komt een groepje Israëliërs het hotel binnen. Een meisje doet het woord: wat een kamer kost? 800 rupee (ongeveer 10 euro). Het meisje, op hoge toon: belachelijk, veel te duur, niet meer dan 400 rupee want dat betalen ze overal. De Tibetaanse receptionist krimpt zichtbaar maar gelukkig komt de baas en dat is een stevige Indiër. Hij legt uit: er zijn kamers van 800 rupee en van 500 maar die van 500 hebben geen uitzicht, geen televisie en een gemeenschappelijke douche. De Israëliërs nemen de kamers van 500 rupee maar komen even later bij de receptie klagen: de kamer heeft geen uitzicht, geen tv en geen douche en dat nemen ze niet en nu willen ze een betere kamer voor dezelfde prijs. Ik zou hartelijk lachen maar zo zit de Tibetaanse receptionist niet in elkaar. Hij zegt later over zijn Israëlische gasten: “bad people”. Ik weet zeker dat hij het niet zo zwaar bedoelt, zijn Engelse woordenschat is niet groot genoeg voor de nuance.

Geranium nepalense

Geranium nepalense

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Indisch Subcontinent en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s