Van Bam naar Quetta

Bam, dat was wat! Anderhalf decennium geleden. Het was een must see vanwege de oude stad en de citadel. Het grootste uit leem opgetrokken bouwwerk ter wereld. De toeristen kwamen ervoor en Bam leefde daarvan en van de dadeloogst. En toen kwam de aardbeving. Meneer Akhbar van Akhbar Tourist Guesthouse: “Het gebeurde aan het einde van de nacht toen iedereen sliep. De beving duurde twaalf seconden maar in de eerste twee seconden was alles weg: de citadel, de oude binnenstad en de nieuwe stad. Ik verloor 46 familieleden en drie van mijn gasten. En het was winter en bitterkoud.” Er kwamen 45.000 mensen om in die paar seconden. De aanblik van de citadel is schokkend; “Van het grootste lemen bouwwerk ter wereld naar de grootste modderhoop ter wereld” grapt meneer Akhbar. Bam krabbelt langzaam op. Een deel van de muren van de citadel is hersteld en andere delen staan in de steigers. De bazaar is opnieuw gebouwd, in bescheiden eigentijdse stijl en ook de nieuwe stad is grotendeels hersteld maar er zijn nog veel open gaten. Aan de uitvalsweg staat een groot spiksplinternieuw stadion; vast en zeker een geschenk van een overheid die het in die bitterkoude dagen liet afweten. Bam is nu een gewone provincieplaats in een uithoek van Iran maar wel een met een gigantische ruïne en dadelpalmen tot in de binnenstad. Langs de hoofdstraat zitten autowerkplaatsen, zoals overal, maar ook een paar traditionele bakkerijen met lemen bijenkorfvormige ovens waar het deeg tegen de binnenwand wordt geplakt. Ach, Bam is best aardig en je kunt er gemakkelijk een dag doorbrengen.

IMG_6033 (800x600)

“Van het grootste lemen bouwwerk ter wereld naar de grootste modderhoop ter wereld” grapt meneer Akhbar

 

IMG_6016 (600x800)

Aan de restauratie wordt gewerkt maar helemaal goed komt het nooit meer.

Ik ben niet in Bam voor de ruïne maar voor Akhbars Guesthouse dat bekend staat als een trefpunt van hen die naar Pakistan en India reizen en van hen die daarvan terugkomen. Ik hoop er metgezellen te vinden voor de rit naar Quetta want ik knijp hem toch een beetje. De weg is niet veilig vanwege bandieten, opgewonden Baluchi’s en wilde Afghanen. Ik ben de enige gast van meneer Akhbar. ’s Avonds arriveren twee Britten maar die komen van Pakistan en de volgende dag is geen reiziger gekomen. “Je kunt nog best een dag blijven” probeert meneer Akhbar want hij heeft droog brood. “Sinds een jaar blijven de overlanders weg en van hen moet ik leven. Ze zijn bang geworden”.  Een paar dagen geleden waren er twee Nederlandse motorrijders maar die hebben van een reis door Pakistan afgezien. In Silk Road hotel in Yazd ontmoette ik een Duits gezin dat ervoor koos om naar Bandar-e Abbas te rijden om daar te proberen hun Volkswagenbus naar India te verschepen, “vanwege de kinderen”. Twee Britse motorrijders, die mij eerder emailden met het voorstel gezamenlijk naar Quetta te rijden, kozen er voor om naar Dubai te reizen en vandaar naar India. “We denken dat het te heet is” schrijven zij die besloten om af te reizen naar een van de heetste plekken op aarde. “De media hebben mensen bang gemaakt voor Pakistan maar heel veel gebeurt daar niet.” moppert meneer Akhbar. “Maar er zijn wel twee Tsjechen verdwenen!” “Oh ja, een hoe lang is dat geleden? Een heel jaar!” “Het escorte is vervelend” vertellen de twee Britten (“hoor!” zegt meneer Akhbar “het escorte!”) “Het risico valt mee” zei Nicolas die ik in Shiraz ontmoette en mij vertelde over de bomexplosie in Quetta die hij ternauwernood ontliep.

Hoewel ik de wens van meneer Akhbar kan invoelen en hij ook prettig gezelschap is, heb ik besloten te vertrekken. Mijn Iraanse visum loopt af en ik wil één dag in reserve houden. Gebruik een visum nooit tot de laatste dag want je weet niet wat er op je pad komt: een lekke band, onverwachte formaliteiten, slecht weer. Ik ben uitgezwaaid en vertrokken met een licht beklemmend gevoel. Ik verwacht tot de grens geen ontmoeting met bandieten of terroristen maar ik zie wel erg op tegen de escortes. Met een escorte reizen is nooit leuk: het escorte bepaalt wanneer je gaat, waar je pauzeert, hoe snel je rijdt, wanneer je arriveert. Een collega-reiziger emailde mij zijn ervaring: “Ik kreeg natuurlijk een escorte tot Quetta maar daarna ook voor de weg over Multan naar Lahore. ’s Ochtens kwam de politie. Die bracht me naar Wagah en voordat ik er erg in had was ik Pakistan uit!” Het eerste checkpoint na Bam passeer ik moeiteloos – een vriendelijke groet en “goede reis” – en ook het tweede en het derde. Geen escorte, heerlijk! De weg loopt door het westelijke deel van de Dasht-e Lut, een van de grote woestijnen van Iran. Het is heet, er waait een harde wind en er zit veel stof in de lucht zodat het zicht beperkt is maar verder is het een rit als alle andere. Komen er geen problemen, dan zal ik Mirjaveh, op 15 kilometer voor de grens, bereiken tegen vieren. Daar is een hotel waarover de Lonely Planet schrijft “it is better than you would expect here”. Ik wil er overnachten om morgen fris te zijn voor het grenzencircus en de spannende weg naar Quetta. Het gaat goed. Tot vijfenveertig kilometer voor Mirjaveh. Daar is een checkpoint en ik mag niet verder zonder escorte. De chef is bot: hij groet niet en geeft geen hand en dat is erg onbeleefd in Iran. Hij wil dat een agent meegaat op de motor, als duopassagier. Daar begin ik niet aan. Ze zullen wachten op een auto of truck. Ik moet mijn paspoort afgeven en zo ben ik de gevangene van het checkpoint. Een van de agenten: “Mister, sit!” en dus zit ik op de stoel onder het afdak en bekijk het controlewerk. Kijk, daar trekt de chef de cabinedeur van een truck open en grijpt er een vuilniszak uit die hij uitschudt boven het plaveisel. Er rollen twee metalen buizen uit en twee metalen staven, kennelijk contrabande. De chef heeft onverholen plezier in het succes. Ah, daar heb je de meeloper: hij pakt de staven en de buizen op en smijt ze in de wegberm. Dan komt de stille engel op het toneel: hij wacht even tot de chef werkt aan zijn volgende succes, raapt de staven op en geeft die terug aan de vrachtautochauffeur. Het gedrag maakt duidelijk: ik ben in de rafelranden gekomen van het Iraanse overheidsgezag. Eindelijk komt er een auto die kennelijk geschikt is om te dienen als escorte. Een agent stapt achterin en daar gaan we, honderdtwintig kilometer per uur, naar Tourist Inn in Mirjaveh. De agent geeft mijn paspoort aan de receptionist en die belt de politie. De chef van de politie komt, die geeft wel een hand, en maakt het Proces Verbaal van Overdracht op. Tegen mij: “U mag het hotel niet verlaten. Veel te gevaarlijk”. Ik wil een pakje sigaretten kopen en daarvoor komt een politieauto die mij twee straten verderop rijdt, waar ik sigaretten kan kopen, en ook weer terugbrengt naar het hotel. Ik mag rondjes lopen op de parkeerplaats binnen het hek van het hotel. Aan de andere zijde van dat hek lopen ook mensen, levensgevaarlijke Baluchi’s die vriendelijk groeten.

Ik ben de enige gast van Tourist Inn. Mijn avondmaal is kip kebab met rijst. De kip kebab gaat nog maar aan de rijst zit een vieze smaak; waarschijnlijk oude rijst. Op het balkon van mijn kamer heeft de receptionist het licht aan gedaan, het enige licht aan de gevel, zodat alle bandieten en terroristen weten waar ik zit. Mijn kamer is waarschijnlijk de enig bewoonbare van het hotel. De airco hangt recht tegenover mijn bed en heeft twee standen: aan en uit. Bij “aan” blaast de airco ijskoude lucht over mijn rug en bij “uit” vult de kamer zich bliksemsnel met hete lucht. Ik heb er niet goed geslapen, ook vanwege de spanning – ik verwacht elk moment een bazooka door het raam vanwege het licht – en ik vergeet de beten van de bedwantsen niet.

Het ontbijt dat Tourist Inn serveert (“de prijs is inclusief ontbijt”) bestaat uit thee en twee koekjes. Om acht uur komt de politie. Die levert me af bij het checkpoint aan de hoofdweg en vandaar leg ik de laatste kilometers over Iraans grondgebied af naar de grenspost van Taftan. De chef van de Iraanse grenspolitie geeft een agent mee die de burelen kent en de volgorde waarin die bezocht moeten worden en dat doet de chef van de Pakistaanse grenspolitie ook zodat ik in twee uren van het ene land in het andere ben aangekomen. De laatste halte is het kantoor van de Baluchistan Levies. Dat staat op de petjes. Ik dacht dat het de naam van een voetbalclub was maar het is de naam van een militie. Ze zorgen voor de veiligheid in Baluchistan en bewaken de checkpoints. In dat kantoor moet mijn escorte geregeld worden en dat duurt wel even. Ik kwam er om tien uur en om twaalf uur zit ik er nog. De ochtend is mooi begonnen met een redelijk heldere hemel maar inmiddels is de wind opgestoken, het waait hard, en de hemel is grauwbleek. De volgende stofstorm. Ik hoop vandaag Dalbandin te bereiken, driehonderd kilometer verderop en halfweg Quetta. Uiteindelijk is dan toch het escorte geregeld: twee oude heren die uit Dad’s Army zouden kunnen zijn gekomen op een kleine Honda met een topsnelheid van veertig kilometer per uur. Twintig kilometer buiten Taftan, op het moment dat ik wanhopig begin te worden – hoe haal ik zo vandaag Dalbandin? – gebaren de heren dat ik door kan rijden en wuiven mij goede reis. Plotseling ben ik alleen, helemaal alleen in een van bandieten en terroristen vergeven streek. De stofstorm is in kracht toegenomen, het rijden is zwaar en het zicht minder dan vijfhonderd meter. Ik doe het licht aan om beter opgemerkt te worden door tegenliggers. En doe het ook weer uit want misschien is het beter om hier niet opgemerkt te worden. Er is heel weinig verkeer. De bus naar Taftan en een paar vrachtauto’s komen me tegemoet en er is geen verkeer in de richting van Dalbandin. Af en toe passeer ik een verlaten bouwsel. Geen levende ziel te bekennen. Ik begin de oude heren van het escorte te missen. De storm wakkert alleen maar verder aan en waar zand is wordt dat opgenomen tot ver boven mijn hoofd. Zandduinen kruipen de weg op. Niet bandieten of terroristen maar de stof- en zandstorm is gevaarlijk: je weet niet waar je bent, je weet niet of je een afslag mist, je weet zelfs niet zeker of je wel op de weg rijdt. Een groot duin blokkeert de weg. Ik kan er omheen maar aan de andere kant zijn twee vrachtauto’s en twee personenauto’s gestrand. Goddank, mensen! Ik bereik Nok Kundi, de eerste bewoonde plaats na Taftan. Er is daar een controlepost van het Kharghar Desert Corps en de chef van die post heeft het uiterlijk van een Britse kolonel in oude films: een snor en gemilimeterd haar onder een baret. Bij dat uiterlijk kan ik op de vraag “how was your trip?” alleen maar antwoorden “jolly good!”. Er komt een hotshot van de veiligheidsdienst opdagen die mijn begeleiding op zich neemt. Dat het een hotshot is blijkt bij de checkpoints: bewakers snellen naar de auto om een hand te geven. Zo bereik ik Dalbandin tegen zessen en wordt afgeleverd bij Dawood hotel. De stofstorm is geluwd.

In Dawood hotel ben ik de enige buitenlandse gast en ik wordt ontvangen als iemand die het zwaar heeft gehad. Dat is ook zo. Mijn bagage wordt naar mijn kamer gebracht en mijn maaltijdwens genoteerd: “Wilt u een of twee blikjes bonen?” Volgens collega-reizigers zou Dawood bier verkopen. Ik heb in Iran zes weken droog gestaan en daarom vraag ik ernaar: “Is het waar dat …?” De hotelbaas knikt. Het bier wordt voor mij gehaald in de bazaar. Het is Murrees Classic Lager en het is warm. De chef van de politie komt: ik mag het hotel niet verlaten, vooral niet naar de bazaar, en – hij wijst op twee agenten – “Dit zijn uw bodyguards”. Een van hen brengt de nacht door voor mijn kamerdeur, de ander bewaakt de ingang. Om elf uur valt de stroom uit. De hotelbaas brengt een kaars en zegt “Zo is mijn land”. Omdat de stroom is uitgevallen werkt de ventilator op mijn kamer niet. Het is er smoorheet; de muren zijn warm, de stoel is warm, mijn bed is warm. Alles waarmee ik in aanraking kom is warm. Het zweet loopt van mijn lijf, het hoofdkussen wordt nat, het bed wordt nat. Probeer zo eens te slapen. Ik zou graag naar buiten willen, naar de binnenplaats maar voor mijn deur ligt die agent.

De stofstorm is voorbij en na Dalbandin kruipt de weg naar aangename hoogten. De streek is veel meer bewoond: dorpen als kralen aan een snoer, kinderen op fietsjes, hier en daar een akker met meloenen of zonnebloemen. Ik voel me goed, ik heb er zin in en dans van checkpoint naar checkpoint. Bij de een moet ik registreren – in het schrift zie ik dat op 4 juli Lawrence en Sam, de Britten die ik in Akhbar Guesthouse ontmoette, zijn gepasseerd en later nog een Turk, maar zonder datum vermelding, en verder niemand – en bij de ander wachten op een nieuw escorte. Ik heb er geen moeite mee want ik heb een soort rijdende picknick: bij de een krijg ik water, bij de volgende thee, bij de derde meloen. En je ziet nog eens wat. Die checkpoints zijn hutten. Ik houd niet van het woord “hut” – het klinkt erg denigrerend – maar het zijn echt hutten: krakkemikkige bouwsels van leem en afvalkarton. Maar de ene hut is de andere niet; alles is afhankelijk van de mensen die erin wonen. Er zijn er die zó vies zijn dat ik aan “Mister sit!” hurkend voldoe om zo min mogelijk aan te raken. Ik kwam ook in een heel schone: de vloer was aangeveegd, de mat geklopt, de spullen netjes geordend op een plank. Ik kreeg er een glaasje priklimonade in een schoon glas. En je hoort nog eens wat. De chef van het checkpoint met de priklimonade is een aardige vent en spreekt goed Engels. Natuurlijk gaan we samen op de foto want dat moet. Hij toont de foto’s op zijn mobieltje en een daarvan is van een tamelijk harig hippieachtig persoon. “Dat is onze leider. Hij vocht voor een vrij Baluchistan. Het Pakistaanse leger heeft hem gedood.” Degene die mij moet beschermen tegen Baluchi rebellen is er zelf een fan van. Die dubbelheid komt vaak voor: je moet je brood verdienen, je hebt je verantwoordelijkheid voor de vreemdeling maar je wil ook een vrij Baluchistan.

Ongeveer vijftig kilometer voor Quetta is weer een checkpoint. Ze zijn er klaar voor om mij naar Quetta te brengen maar “nog even, vijf minuten, thee drinken”. Ik heb daartegen geen bezwaar want de baas van hotel Dawood heeft het Bloomstar hotel in Quetta ingelicht over mijn komst en ik heb het vooruitzicht van een douche en een koel biertje. Dat theedrinken duurt wel een half uur en er wordt voor mij nog een meloen aangesneden en dan komt de aap uit de mouw: wij zullen niet vertrekken want de weg is afgesloten. Er zijn terroristen of kidnappers in de stad en het leger jaagt erop. Er is even paniek: de terroristen zouden de weg naar Dalbandin oprijden. Ik moet onmiddellijk naar binnen, de wapens worden klaar gemaakt en een roept moedig “we will protect you”. Er is niks aan de hand; er komt een oud baasje in een auto en dat baasje krijgt de schrik van zijn leven. Ik zit daar een uur op die post, de zon staat al boven de horizon en mijn humeur daalt met de zon want na het vallen van de schemering zal ik zeker niet de stad in kunnen, en dan komt toch nog de verlossende toestemming van Het Hoofdkwartier: ik mag naar de stad worden gebracht. Bij het checkpoint aan de rand van de stad begint een escorte van heel ander kaliber: geen pickupje, al helemaal geen Honda brommer, maar een pantserwagen en geen oude heren of lolbroeken die gekke bekken trekken in de bak van de pickup maar soldaten met kogelwerende vesten, zwart-glimmende zonnebril en vastberaden trek rond de mond. De wapens zijn ook veel groter. Ik moet tien meter achter de pantserwagen blijven, niet meer want dan kunnen andere auto’s tussen mij de pantserwagen komen, niet minder want “mijn mannen moeten eruit kunnen springen om u te beschermen”. De pantserwagen boort zich met zwaailicht en sirene door het verkeer. Een soldaat zit bovenop en een in de deuropening. Ik zou willen roepen “Bloom Star hotel!”, want ik ben bang dat ze me naar het Serena Hilton zullen brengen waar een verblijf vér boven mijn financiële draagkracht ligt (er zijn twee hotels voor buitenlanders in Quetta: Serena voor de rijkaards en Bloom Star voor mensen als ik), maar ik bedenk dat ik de heren beter hun werk kan laten doen. Ze speuren gespannen de straat en de bebouwing af. Bij elk checkpoint komt een andere pantserwagen voorrijden en gaat de vorige ertussen uit. Zo’n organisatie heb ik de afgelopen twee dagen gemist. Natuurlijk lopen we vast in het verkeer want het is spitsuur en ook een pantserwagen rijdt niet over een riksja heen. Mijn motor loopt warm, het waarschuwingslampje voor de koeling gaat branden, en dus moeten we stoppen. Daar sta ik, achter zes soldatenruggen en het publiek, dat graag wil zien welk goudvogeltje zich verbergt, wordt op een afstand gehouden. Eindelijk, tegen achten, draaien we de veilige parkeerplaats van Bloom Star op. Op deze reis heb ik hem twee maal geknepen: bij de zandstorm tussen Taftan en Nok Kundi en bij de entree van Quetta.

IMG_6049 (800x580)

Ook op weg maar zij reizen zonder escorte; niet belangrijk genoeg.

Ik ben niet de enige vreemdeling in Bloom Star. Er is er nog een, Pato uit Spanje die hier al acht dagen wacht op zijn Iraanse visum. Bloom Star hotel: een tikje versleten maar alles werkt – de douche, het toilet en de ventilator – en mijn kamer is schoon. Een grote en heel groene binnentuin. Veel en behulpzaam personeel dat met Britse ernst kopjes thee brengt. Geen straatlawaai maar serene rust die wordt verstoord door het overvliegen van straaljagers en die straaljagers zijn het enige in de tuin merkbare signaal dat ik in een combat zone ben terechtgekomen. Ben ik veilig? De manager: “Ik ben zelf niet veilig. Mijn grootste zorg is gekidnapt te worden. Dan ben ik minstens drie miljoen armer”. De straat is afgezet met hekken, voor het hotel staat de politie en Bloom Star heeft zelf vier bewakers in dienst. Van de vertegenwoordiger van het Home Office, die nog voor de late gast is gekomen, mag ik het hotel niet uit zonder politiebegeleiding.

De receptionist kwam. Hij overhandigde mij mijn paspoort en een papieren zak. Ik keek in de zak. Er zaten twee blikjes bier in. De receptionist: “Ik zag in uw paspoort dat u vandaag jarig bent.” Iemand is naar de bazaar gegaan en heeft daar twee blikjes bier gekocht. In Quetta, dat vergeven is van de Talibaan en waar aanslagen en bomexplosies aan de orde van de dag zijn, is iemand naar de bazaar gegaan om voor mij twee blikjes bier te kopen!

Om half tien is de politie gekomen om mij en Pato op te halen: naar het Iraanse consulaat voor Pato’s visum, naar de bank waar ik geld kan pinnen en naar het Home Office voor het NOC, het No Objection Certificate, voor Pato’s reis naar Taftan en voor mijn reis naar Lahore. Voor mijn veiligheid werken heel veel diensten en dus zijn ook heel veel medewerkers betrokken bij het opstellen van het NOC. Het heeft daarom even geduurd maar ik nu heb er een, voor een reis per motor via de Bolan Pas naar Lahore. Op 13 juli om 07.00 uur komt de politie om mij te begeleiden. Dat zeg ik niet, dat staat op het NOC.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2013-2016: naar Australië en terug, Indisch Subcontinent, Midden Oosten en getagged met , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

2 reacties op Van Bam naar Quetta

  1. Astrid Scholtes zegt:

    Dag Mart,
    Hier een berichtje van een buuf van Harry en Marga Haagen, die mij over je avontuurlijke motorreizen hebben verteld. Zij hebben mij ook een boek van jouw hand geleend. Ik heb ervan genoten, net zoals van dit reisverhaal. Nou ben ik geïnfecteerd met het reisvirus, reizen is zelfs mijn beroep geweest en het is nu mijn grootste hobby, maar als ik lees over bloeddorstige bedwantsen, stof- en zandstormen, terroristen, criminelen en kidnappers (….), dan moet ik vaststellen dat het reisvirus jou nog erger te pakken heeft dan mij. Een sober ontbijt dat bestaat uit thee en 2 koekjes, warm bier en stroomuitval, zodat je door de hitte je bed uitdrijft, ja dat ken ik wel, maar dat is niets vergeleken bij de eerder genoemde “ongemakjes”. Je schrijft heel beeldend, ik zie alles voor me. Ik ga je dan ook op deze reis volgen. Niet op je duosit, maar veilig op de electronische snelweg.
    Ik wens jou heel veel plezier, een goede gezondheid en veilige ritten.
    Hartelijke groeten,
    Astrid Scholtes.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s