Afrika is bijzonder

Ik reisde anderhalf jaar en zestigduizend kilometer per motor door Afrika. Ik stak de Niger en de Congo over en de Limpopo, de Zambezi en de Nijl. Ik kwam Afrika binnen via het Arabische portaal van Marokko en Mauritanië en verliet het door het Arabische portaal van Soedan en Egypte. Achter die portalen ligt Afrikaans Afrika. Ik bezocht Mali, Burkina Faso, Ghana, Togo en Benin, Nigeria, Kameroen, Gabon, Congo Brazzaville, Congo Kinshasa, Angola, Namibië, Zuid Afrika, Botswana, Zambia, Zimbabwe, Mozambique, Malawi, Tanzania, Rwanda, Oeganda, Kenia en Ethiopië. Vooraf vroeg ik mij af: zou het te doen zijn? Het was te doen want ik heb het gedaan.

Ik reed honderden kilometers over pistes met kuilen en wasbord, dikke stoflagen, diep zand maar ik reed ook duizenden kilometers over heel redelijke geasfalteerde wegen. Het was te dragen want ik heb het gedragen. Ik zag Afrika zonder rampen. Ik hoefde niet weg te kijken. In Mali waren de regens later gekomen maar ook langer doorgegaan. Iedereen had te eten. Maar als de regen niet komt of als er te weinig valt, ja dan… Er zijn geen reserves. Ik zag Afrika zonder oorlog. Ik was niet in Somalië, want ik ben niet levensmoe, en ook niet in Darfur. Vanaf de Rwandese heuvels zag ik de vliegtuigen van de Verenigde Naties en van het Rode Kruis over het Kivu Meer dalen naar Goma in Oost Congo want daar wordt nog gevochten en er gebeuren vreselijke dingen. Maar de burgeroorlogen in Sierra Leone en Liberia zijn voorbij en ook die in Angola, Congo Brazzaville en Mozambique. Rwanda is opgestaan nadat het zichzelf in 1994 bijna had vernietigd. In het Westen van Congo is de rust teruggekeerd. De soldaten blijven in hun kampen, de mensen bewerken weer het land, hebben hun huizen opgebouwd en de kinderen gaan naar school. Ook in Kenia waar een paar jaar geleden bloedige onlusten – eufemisme voor moordpartijen – plaatsvonden, is de rust teruggekeerd. De spanningen zijn, in ieder geval voorlopig, weggeëbd en de mensen hebben weer voorzichtig vertrouwen in hun toekomst. In Soedan is de strijd tussen noord en zuid geëindigd met de verdeling van het land maar in het zuiden vechten nog warlords met elkaar. In Nigeria blijven de spanningen tussen Noord en Zuid, tussen moslims en christenen. Ik was in Jos, dat precies op de scheidslijn tussen beide ligt, toen daar de pleuris uitbrak. Ik was er veilig – de straat van mijn guesthouse was afgezet door pantserwagens en soldaten van het leger omdat er in die straat ook een filiaal van de nationale bank is – maar er zijn daar in drie dagen wel zeshonderd doden gevallen. Toch: het tijdperk van de Afrikaanse oorlogen lijkt voorbij. Nou ja, ‘voorbij’: er zijn nog heel erg veel ontheemden, mensen die het geweld zijn ontvlucht. Ik zag de vluchtelingenkampen in het westen van Tanzania langs de grens met Rwanda, herkenbaar aan de blauwe tentzeilen van de Verenigde Naties. Daar wonen Hutu’s die niet terug durven. Brazzaville is vergeven van de ontheemden uit elke Afrikaanse oorlog. Ik kwam er Congolezen tegen, uit eigen land en van de overkant, Angolezen, Mozambikanen, Burundezen, zelfs Somaliërs en Liberianen.

Ik zag méér dan Afrika zonder rampen. Terwijl Europa blijft steken in het beeld van Afrika als een verloren continent – “Is dat niet vreselijk gevaarlijk?” vroegen mijn vrienden toen ik over mijn reisvoornemen vertelde – is dat continent stilletjes opgestaan. In zuidelijk Afrika is de Apartheid afgeschaft, rollen zwarte jongeren bij bosjes van de lopende banden van de universiteiten en maken de mars door de burelen. Ze hebben communicatiewetenschappen gestudeerd of bedrijfskunde, economie, internationaal recht en zijn vol zelfvertrouwen. Ze gaan het maken. Voor blanke jongeren is het nu moeilijk want de concurrentie is moordend maar zegt er een “Het betekent gewoon dat ik veel beter moet zijn. Ik leun niet achterover zoals mijn ouders.” Afrika heeft een opmerkelijk goede financiële infrastructuur. In alle landen, zelfs in de kleine steden zijn banken met een geldautomaat aan de muur die het ook doet en waar ik geld kan ophalen met mijn creditkaart of bankpasje. Heel gewoon. Behalve in Soedan; niet omdat daar geen geldautomaten zijn of omdat ze niet functioneren, ze functioneren niet voor mij omdat Soedan door de Verenigde Staten is afgesneden van het internationale betalingsverkeer. Afrika heeft een verbluffend goede telecom infrastructuur. Ik kan overal mobiel bellen, zelfs midden in Murchison Falls National Park in het noorden van Oeganda, en bellen is spotgoedkoop. Botswana en Rwanda worden momenteel geglasvezeld van voor tot achter. Klaar voor de toekomst. AIDS heeft als een doem boven Afrika gehangen maar AIDS is in bijna alle Afrikaanse landen op haar retour. Oeganda heeft het percentage besmetten weten terug te dringen van dertig naar zes procent. Dat is nog steeds teveel – lijkkistenmakers en begrafenisondernemers hebben veel werk – maar het gaat de goede kant op. Ik zag armoede maar ook bescheiden welvaart voor velen. In Afrika wordt behoorlijk gefeest en stevig gedronken, teveel naar mijn koele Noord-Europese norm. Het gaat goed. “Natuurlijk gaat het goed” zegt de Keniaanse zakenman “Wij zijn de laatste groeimarkt op aarde.”

Het gaat goed en het kan nog beter. Afrika is geen verloren continent, Afrika is een succes! Zeker in het licht van de geschiedenis. Ga maar na: eerst de slavenhandel en daarna het kolonialisme en de Apartheid. Vijfhonderd jaar van beroving op immense schaal. Vijfhonderd jaar lang zijn Afrikaanse mensen ingepeperd dat ze ‘minder’ zijn, afhankelijk, en dat is verwoestend voor het zelfvertrouwen. Nog steeds: het gevoel ‘minder’ te zijn plant zich voort door de generaties. “Hoe is het met het racisme in Europa?” vraagt de Nigeriaan. Ik: “Wat bedoel je?” Hij plukt aan zijn vel: “Accepteren ze ons?” Nog steeds, ja. Het gevoel ‘minder’ te zijn is het belangrijkste obstakel voor vooruitgang. Op de Conferentie van Berlijn in 1885 verdeelden de Europese landen Afrika onder elkaar. Rwanda werd toegewezen aan Duitsland zonder zelfs maar de koning van Rwanda daarover te informeren laat staan zijn mening te vragen. Verdelen, vanuit Europese optiek; de Afrikanen ervoeren geforceerde vereniging. Tientallen volkeren werden plotseling binnen dezelfde staatsgrenzen gedrukt, volkeren die elkaar niet kenden, volkeren die met elkaar rivaliseerden, volkeren die elkaar naar het leven stonden. Bij hun vertrek lieten de Europese landen met opzet een paar poepjes achter. De Belgen zetten de Hutu’s op tegen de Tutsi omdat de Tutsi onafhankelijkheid wilden en de Hutu’s alleen ‘democratie’ dat natuurlijk op veel manieren in te vullen is. De Britten benoemden vlak voor hun vertrek Idi Amin tot onderbevelhebber van het Oegandese leger want ‘die vent zal uit onze hand blijven eten’. Beroving, geestelijke mishandeling, gedwongen vereniging, poepjes: ga er maar aan staan. En dan valt ook nog de moderne tijd binnen. Zonder kloppen. De tijd van machinegeweren die zelfs een kind kan dragen en daarvoor ook ontworpen zijn. De tijd van de invloedssferen van de Koude Oorlog. De tijd van de wereldmarktprijzen en handelsverdragen tussen ongelijke partijen. Ga er maar aan staan. Het besturen van een Afrikaans land is een huzarenstukje. Als een Afrikaanse president alleen maar de vrede weet te bewaren heeft hij het al goed gedaan. Een president die vooruitgang weet te bewerkstelligen is een leider van formaat en verdient een Nobelprijs. De presidenten van Botswana en Rwanda zijn voorbeelden. Die zouden Nederland kunnen besturen op een achternamiddag maar de problemen te onbeduidend vinden en dood gaan van verveling.

Natuurlijk telt de geschiedenis. ‘Vergeet het verleden, kijk naar de toekomst’ is een prettig advies voor de rovers maar erg moeilijk te verteren door hen die beroofd zijn en aan het kortste eind hebben getrokken. En geschiedenis is een rat met een heel lange staart. Maar Afrika komt haar geschiedenis langzaamaan te boven. Het zelfvertrouwen groeit, het gevoel van nationale identiteit ook. Dankzij het voetbal. Ik maakte de Cup of African Nations mee en de Wereldkampioenschappen. “Je suis Gabonais, cent pourcent” zegt de een. “Je suis Kamerounais, cent pourcent” zegt de ander. En samen lachen ze want ze zijn wel van dezelfde stam. Dat is Afrika. Afrika is bijzonder.

Afrika is bijzonder in de ontmoeting met de ander. Die ontmoeting is altijd bijzonder. In 2004 was ik in Japan en schreef over dat land: “Het lijkt alsof ik in de spiegel kijk. Ik zie mijn beeld en dat beeld maakt dezelfde gebaren als ik. Bijna dezelfde gebaren: als ik mijn hand optil doet het spiegelbeeld dat ook maar iets later of iets anders. Als ik lach, lacht het terug maar het is niet dezelfde lach. Ik denk in een spiegel te kijken, denk mijzelf te zien maar als ik goed kijk, dan zie ik: het is geen spiegelbeeld, het is een ander. Dat is hallucinerend.” De Japanse samenleving lijkt oppervlakkig en materieel op de Westerse samenleving maar is daarvan geestelijk en cultureel volkomen verschillend. In Afrika deed ik de omgekeerde ervaring op. Ik zie een ander, een volkomen ander: andere huidskleur, andere kleren, andere gebaren, andere lach. Maar als ik goed kijk merk ik dat ik in een spiegel kijk, een sterk vervormende spiegel maar een spiegel: die ander, dat ben ik! Die lach is mijn lach, die ogen zijn mijn ogen. Ik denk een ander te zien maar ik kijk in een spiegel naar mijn eigen beeld. Nergens herkende ik mijzelf zo in de ander. Nergens was de ander zo dichtbij en tegelijkertijd zo ver weg. Dat is Afrika.

Ik voelde me thuis in Afrika. Ik was daar thuis zoals ik hier thuis ben. Daar thuis heb ik ‘hier thuis’ niet gemist, hier thuis mis ik wel ‘daar thuis’. Ik mis de verscheidenheid van Bambara, Bozo, Dogon, Peul, Mossi, Songai, Bobo, Ibo, Yoruba, Hausa, Herero, Nama, Zoeloe, Xhosa, Kikuyu, Luo, Tonga, Bemba, Masaai, Samburu, Oromo. In Nigeria wonen driehonderdzestig verschillende volkeren met een eigen uiterlijk, eigen taal, eigen cultuur, eigen opvattingen. Ik mis de vanzelfsprekendheid waarmee mensen ‘anders’ zijn, zichzelf ‘anders’ vinden en anderen ‘anders’ vinden. Ik mis de geur van mensen, de geur van het pas gewassen hemd, de geur van zweet, de geur van de markt, de geur van fruit, de geur van eten, de geur van het poep- en piesplaatsje. Ik mis de onbekommerde vrolijkheid, de kekke zonnebril, de ijsmuts op de kop, het T-shirt van Unicef. Ik mis het optimisme dat gebonden is aan vandaag – want vandaag gaat het goed – en de acceptatie van gisteren en van morgen, van het leven en de dood. Ik mis het opgeheven hoofd en de rechte rug, het opstaan en weer doorgaan. Ik mis het contact dat naakt is, niet gehinderd door persoonlijk verleden, en tegelijkertijd vol van aarzeling – want tussen hen en mij bestaat de kloof van verschillende wereldbeelden en vooral de kloof van de geschiedenis – en vol van verwachting want mijn wereld is de wereld van de toekomst. Ik mis de zon, het gele gras en het bos, de hemelgrijpende takken van de baobab en de diepe schaduw van de mangobomen. Ik mis de eindeloze weg naar de horizon en ook het rode stof, het wasbord en de kuilen. Ik mis Afrika, draag de herinnering bij me aan al die mensen die ik heb ontmoet. Abdullah, Ibrahim, Paul, Fabien, Charles, Steady, Innocent, Pius, Daniel, Emmanuel, Elroy, Melkamu. Ik heb een agenda vol namen en een doos vol visitekaartjes en papiertjes met namen en telefoonnummers en e-mailadressen. Vlot geschreven of moeizaam, omdat het zo hoort, omdat je-weet-maar-nooit, met verwachting, met hoop.

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s