‘Dead Aid’ – over hulp aan Afrika

Afrika is een zorgenkind en daarom het troetelkind van menig wereldleider, popartiest, bekende Nederlander en ook van gewone burgers. Mauritanië wordt erg geholpen door de Arabische landen; niet helemaal belangeloos want ze beschouwen dat land als een ‘frontstaat’, verdedigingslinie van de islam tegen het oprukkende christendom. Afrika bezuiden de Sahara is het werkveld van de organisaties van de Verenigde Naties en ook de westerse landen zijn er erg mee begaan en met hun eigen portemonnee. De Chinezen rukken op; ze helpen Angola, Zambia, Tanzania in een even zakelijke benadering: wegen, scholen, ziekenhuizen in ruil voor grondstoffen. Langs de weg van Bamako naar Mopti staan de Borden van Goede Bedoelingen van de NGO’s, de Verenigde Naties, de Verenigde Staten, de Europese Unie, Europese staten – zelfs Monaco heeft een bord – en Japan. Die borden verwijzen naar hulpprojecten: de elektrificatie van het platteland, zorg voor moeder en kind, herbebossing, wegverbetering. In Malawi zag ik dezelfde borden, vooral van de Europese Unie; borden met ‘IGPWP’ er op, waar een van de P’s vast en zeker staat voor ‘program’, met ‘landbouwversterking’ of ‘inkomensdiversificatie’ als doel. Afrika is vergeven van zulke borden. Vaak is er niets achter zo’n bord: geen mensen, geen activiteit. Veel goede bedoelingen blijven steken in verkenning, beleid of plan. Dat is het domein van consultants die rondrijden in grote four-wheel drives met airconditioning vanwege de computer, met antennes op het dak om de bevindingen direct aan Het Hoofdkwartier te kunnen doorgeven, met een lokale chauffeur achter het stuur want die kent de weg in de negorij en weet waar de nood tranen trekkend is zonder schokkend te zijn en met een tolk want de PB – plaatselijke bevolking, plaatselijke boerenkinkels – spreekt een onbegrijpelijk taaltje. De organisaties van de Verenigde Naties hebben de meeste, de grootste en de best uitgeruste four-wheel drives. Allemaal dezelfde witte Toyota’s. Een hele fabriek draait vast en zeker op volle toeren om de Verenigde Naties te kunnen bedienen. Ik zag er een op een pontje de Niger oversteken en verdwijnen in de bush. Ik vroeg mijn gids: “Wat gaan ze doen?” Hij: “Ze rijden rond.” Ik: “Dat zie ik maar wat gaan ze dóén?” Hij: “Ze rijden rónd!” Een medewerker van HIVOS, de humanistische ontwikkelorganisatie – goed betaald en even ingevlogen vanuit Nederland (hulpverleners worden altijd ‘ingevlogen’): ”Ik ben hier om te bezien hoe het logistieke proces van de cacao gestroomlijnd kan worden. Dat is vooral papierwerk, daar merkt een gewone boer niets van.”

Uiteindelijk komt er een rapport met aanbevelingen en voorstellen. Al die rapporten worden voorgelegd aan de besturen van de coördinerende comités en van de hulporganisaties. Die besturen hebben het vreselijk druk, want er zijn veel van die rapporten en de thuisbasis moet tegenwoordig worden geïnformeerd, dus de besluitvorming duurt wel even. Daarna gebeurt er vaak niets want de situatie is veranderd (er is niets zo veranderlijk als situaties), de prioriteiten zijn gewijzigd, het geld is op of de donoren hebben minder geld gegeven dan was toegezegd. Natuurlijk komen er ook projecten van de grond en leiden, soms, tot hartverwarmende resultaten. “Hollanders en Touareg zijn familie van elkaar” zei Touareg Ibrahim “want de Hollanders hebben een waterput gemaakt in mijn dorp en in alle dorpen rond Timboektoe zodat we niet meer het water uit de Niger hoeven te drinken.” Even vaak leidt de uitvoering tot een ander resultaat dan beoogd. Op een pleintje in Djenné staat een paal met daaraan een kraan en rondom is het een vreselijke modder- en smeerboel. Mijn gids: “Vroeger, voordat de kraan werd aangelegd, was het hier schoon omdat de vrouwen de was en de afwas deden in de rivier.” Modder trekt muggen aan en muggen brengen malaria mee zodat het ene probleem wordt ingeruild voor een ander. In een dorp in het Dogon gebied trof ik net zo’n paal met een kraan maar rondom is het schoon want de meisjes halen het water uit de put honderd meter verderop. Waarom gebruiken de meisjes die kraan niet? “Omdat voor het gebruik van die kraan betaald moet worden” legt mijn gids uit. Dogon zijn ook al familie van de Hollanders. ‘Gratis’ is in Afrika een woord met dezelfde toverkracht als in Nederland. Na de uitvoering zou het onderhoud moeten komen maar dat wordt weleens vergeten. De weg tussen Benguela en Lubango, die volgens mijn informatie een ramp is als een slagveld uit de Eerste Wereldoorlog en waarvoor ik drie dagen heb uitgetrokken, ligt er prima bij met een hagelnieuw asfaltdek – de Chinezen zijn aan het werk geweest – maar de laatste zeventig kilometer tot de Namibische grens, waar volgens mijn informatie schitterend asfalt moet liggen, zit vol gaten; het is alweer even geleden dat de Chinezen daar aan het werk zijn geweest. In Burkina Faso onderhouden de Fransen de wegen. De weg tussen Bobo Dioulasso en Ouagadougou is grotendeels in uitstekende staat. “Deze weg is gefinancierd en aangelegd door de Europese Unie voor uw comfort en veiligheid” staat er op borden opdat de Burkinezen hun weldoeners zullen kennen. Delen van de weg zijn minder florissant – vol kuilen en scheuren – maar er is hoop want volgens de borden bevinden die delen zich in ‘phase 1’ van het onderhoud. Onderhoud kent zijn eigen plancyclus.

Een ‘verloren continent’ trekt vrijwilligers aan zoals criminelen vrouwen: ‘vreselijk, maar ik kan er wat van maken.’ Het ene land trekt meer vrijwilligers aan dan het andere zoals de ene crimineel meer vrouwen aantrekt dan de andere. Malawi is een vrijwilligersmagneet. Eerst kwamen de paters en de Presbyterianen – langs de weg staan veel missieposten: kloeke kerken met daarnaast de school – en later kwamen de vrijwilligers van de moderne tijd, die van de NGO’s. De lodges zitten er vol mee want die werkende vrijwilligers houden natuurlijk ook vakantie. Bushman’s Baobab in Liwonde National Park is de basis van een buslading Britse scholieren uit Northampton. Ze renoveren scholen in de omgeving. ‘Renoveren’ betekent opschilderen. Dat werk had ook door Malawische schilders kunnen worden gedaan. De begeleider vertelt dat de fondsenwerving heel lastig was maar het is een geweldige ervaring voor de kinderen en de plaatselijke bevolking is heel dankbaar. In Bushman’s Baobab tref ik ook twee Nederlandse studenten medicijnen, uit Leiden. Vierdejaars, Jeroen en Wing. Ze lopen mee in het ziekenhuis van Mangochi. Ik vraag naar hun ervaringen: te weinig artsen, slecht betaalde clinical officers die het eenvoudige medische werk doen (inclusief keizersneden), verouderde apparatuur en de diagnosestelling is bepaald niet accuraat, vertellen de vierdejaars. Ik vraag wat hun aanwezigheid oplevert. Er wordt heel goed naar hun inbreng geluisterd, “Ze zijn heel dankbaar en je kunt hier iets voor de mensen betekenen.” Afrika is een groot exporteur van goede gevoelens; als goede gevoelens marktwaarde hadden, dan was Afrika steenrijk. Jeroen en Wing blijven vier weken. Daarna komen de volgende vrijwilligers die ook weer geïntroduceerd en wegwijs gemaakt moeten worden. De clinical officer heeft het er druk mee. In Fat Monkeys Lodge, Cape Maclear aan het Malawimeer, maak ik kennis met weer een andere groep vrijwilligers. Ze zitten in de ‘human rights stuff’, de ‘IT-stuff’, de ‘social development stuff’, de ‘sport stuff’. Ik noem ze daarom de ‘stuff-people’ en dat vinden ze erg grappig. Ik hoor een discussie aan over de resultaten van hun werk. Die zijn er, vinden ze, maar er zou meer bereikt kunnen worden als de Malawiërs zelf het voortouw zouden nemen: “Vreselijk aardige en heel dankbare mensen maar nogal afwachtend.” Niemand stelt zich de vraag of de Malawiërs zitten te springen om de ‘human rights stuff’, de ‘IT-stuff’, de ‘social development stuff’ of de ‘sport stuff’. Niemand vraagt wat de mensen zelf willen.

Langzaam bekroop mij het gevoel dat er iets niet goed zat met veel van die hulp. En toen vond ik in een boekhandel in Dar es Salaam ‘Dead Aid’ van Dambisa Moyo. Dambisa Moyo is een Zambiaanse en heeft een cv om ‘u’ tegen te zeggen in het bankwezen – bepaald geen dom blondje – maar breed bekend werd ze met haar boek ‘Dead Aid’ waarin ze de vloer aanveegt met de hulp aan Afrikaanse landen. In ‘Dead Aid’ beschrijft Dambisa Moyo een apocalyptisch beeld van de situatie in Afrikaanse landen: een neerwaartse spiraal van armoede, honger, ziekten, oorlogen. Dat beeld contrasteert nogal met mijn beeld van Afrika. Begrijp: ‘Dead Aid’ is geen wetenschappelijke verhandeling maar een pamflet; ze wil haar punt scoren – hulp werkt niet – en daarvoor heeft ze een schril beeld van de Afrikaanse situatie nodig. Ik wil ook mijn punt scoren – Afrika is niet zielig – en daarom schilder ik een zo positief mogelijk beeld. Het gelijk ligt, als gebruikelijk, in het midden. Er is nog een verklaring voor het contrast tussen haar beeld van Afrika en het mijne: Dambisa Moyo is een macro-econome – haar wereld is die van de statistiek, van de cijfertjes – en mijn wereld is een micro-wereld, een die gaat tot het einde van de straat; ik heb te maken met individuen. Zij en ik zien verschillende werelden en misschien gaat het in mijn micro-wereld tamelijk goed juist omdat het op macro-schaal niet zo best gaat: veel hulpgeld, stelt Dambisa Moyo, wordt niet besteed aan investeringen maar aan consumptie. In mijn microwereld zie ik vooral de consumptie.

Dambisa Moyo ageert tegen hulp: “een middel erger dan de kwaal”. Ze heeft het over de systematische hulp, dat is de hulp van het IMF en de Wereldbank en van rijke landen aan arme. De hulp die ik vooral zie is de charitatieve hulp, de hulp van de NGO’s. Wij kijken dus naar verschillende soorten hulp maar veel van de neveneffecten van de systematische hulp die zij beschrijft herken ik en zie ik ook van de charitatieve hulp. Van grootschalige systematische hulp gaat dezelfde vloek uit als van olie: het corrumpeert. Ga maar na: het geld komt op één plaats binnen en het is gemakkelijk een deel ervan achter over te drukken, vooral van megaprojecten. Ik zie vooral de corruptie langs de weg: de politie bij de checkpoints die van de chauffeurs van de minibussen en de vrachtauto’s een bankbiljet in de handen krijgt gedrukt. Een Tanzaniaan vertelde dat in zijn land een baan bij de verkeerspolitie een van de meest begeerde is. De rekening van de corruptie wordt altijd betaald door de armen, degenen die de rekening niet kunnen afwentelen. De chauffeur van de minibus berekent het smeergeld door in de ritprijs van zijn klanten. De chauffeur van de vrachtauto berekent het smeergeld door aan de winkelier en die weer aan zijn klanten. Corruptie is moordend voor een economie: wie gaat nog investeren als een deel van de investeringen verdwijnt of de winst wordt afgeroomd? Nigeria, dat schathemeltje rijk had kunnen zijn van de olie, is een uitgewoond land. Corrumpeert charitatieve hulp ook? NGO’s werken in een corrupte omgeving. Een Duitse ontwikkelingswerker die ik trof in Oeganda vertelt: natuurlijk wordt er geld geschoven, vooral bij projecten die bij bestuurders niet goed vallen of bedoeld zijn voor een stam die niet goed ligt. Onder de groep die directe toegang heeft tot hulpgelden zit een laag lokale mensen die die toegang niet hebben maar op eigen manier een graantje meepikken. De chauffeur van de ambulance, geschonken door het Rode Kruis, verdient een centje bij met het vervoer van mensen tussen Chitimba en Livingstonia. De eigenaar van het guesthouse in Jinja, Oeganda, heeft nog een kleine villa die hij verhuurt aan een NGO, voor zesduizend Amerikaanse dollars. Per maand.

Democratie wordt algemeen gezien als een randvoorwaarde voor ontwikkeling. Mensen willen wetten en regels die eigendom en investeringen beschermen, ze willen betrouwbare politie en bestrijding van de corruptie. Mensen willen niet bestolen worden. Daar stemmen ze voor. Daarom wordt systematische hulp vaak gebonden aan de voorwaarde van democratisering. Dat is heel mooi maar … het werkt niet, integendeel, stelt Dambisa Moyo: hulp belemmert democratisering. De regeringen van de Afrikaanse landen zijn afhankelijk van de miljarden van de Wereldbank, het IMF en de donorlanden en van de inkomsten uit de export van grondstoffen maar niet van de burgers. Wie betaalt bepaalt en wie niet betaalt bepaalt niet. Ik was in Tukuyu, een dorp in Tanzania, en dat dorp was in rep en roer: de president zou komen. De president kwam: een lange sleep zwarte 4WD’s. Hij hield zijn toespraak en sprong weer in zijn 4WD op weg naar het volgende dorp. Verkiezingstijd. Presidenten van Afrikaanse landen doen de idiootste beloften om herkozen te worden. Als maar tien procent van die beloften wordt nagekomen, dan is dat al genoeg. Het omgekeerde gebeurt ook: stemt een dorp niet op de regeringspartij dan wordt de weg niet geasfalteerd, komt er geen hulpgeld en geen leuke dingen voor de mensen. Straf. Zo worden mensen geringeloord met de hulp als wapen. Wie zich afvraagt waarom Afrika zoveel dictators, autocraten en pseudo-democratische leiders heeft: ze worden in het zadel gehouden door de hulp. Heeft de charitatieve hulp hetzelfde effect? Unicef, Care, Worldvision, Artsen Zonder Grenzen: al die organisaties zijn niet afhankelijk van de mensen waarvoor ze het zeggen te doen maar van de mensen die geld in de collectebus stoppen. Kinderogen trekken beurzen open. Daarom zijn er veel projecten voor moeders en voor kinderen en daarom zijn er veel weeshuizen. Daarom zijn er heel weinig projecten voor volwassen mannen: een kerel trekt geen beurzen open. Mannen hebben geen werk, geen inkomen en ook geen toegang tot hulp. Stedy was mijn vogelgids in Malawi. Hij vertelde mij het volgende verhaal. De oogst mislukte en de voedselprijzen rezen de pan uit. Er kwam hulp; dat wil zeggen: voor zijn vrouw en kinderen maar niet voor hemzelf. Stedy: “Wat willen ze dat ik doe? Het eten van mijn kinderen stelen?” Afhankelijkheid maakt mannen doorgaans niet aardig: huiselijk geweld komt veel voor in Afrika. Dat vinden de hulporganisaties niet goed en dus begint de regering een publiciteitscampagne tegen huiselijk geweld. Het is het paard achter de wagen spannen. De hulporganisaties hebben hun aandacht gericht op de collectebus, niet op de mensen waarvoor de hulp is bedoeld. Het missieziekenhuis in Ekwendeni, Malawi, heeft inmiddels haar derde echoapparaat geschonken gekregen. Twee eerder geschonken apparaten zijn kapot, waarschijnlijk een software probleem. Waarom wordt er niet gewoon een nieuw software pakket opgestuurd? Omdat je van software geen foto kunt maken voor de glossy van de hulporganisatie.

Hulp belemmert soms de economische ontwikkeling. In een dorp in Oeganda ontmoette ik een Duitse ontwikkelingswerker. Hij had een project waarin kleermakers werd geleerd betere kwaliteit kleding te maken. Helaas kwam er in het dorp nog een andere hulporganisatie en die organisatie bracht tweedehands kleding uit Europa. Het resultaat? Kleermakers zonder werk! Kleding die in Europa met goede bedoelingen wordt ingezameld, ‘voor de arme zwartjes’, belandt in Afrika op de markt. Lokale kleermakers hebben het nakijken. Vrijwilligers nemen werk af dat door lokale mensen had kunnen worden gedaan. De groep Britse scholieren die in Malawi scholen van een nieuw verfje voorziet. Dat had natuurlijk ook door een lokale schilder kunnen worden gedaan maar “onze kinderen doen zo ervaring op met een andere cultuur”. Achter de goede bedoelingen schuilt eigenbelang. De Amerikaan die in een weeshuis de elektriciteit aanlegt, “volgens Amerikaanse standaards”, neemt werk af van de lokale elektricien. Hij houdt aan zijn vrijwilligerschap een goed gevoel over. Het is verbazend hoeveel vrijwilligers Afrika verdraagt.

Hulp geeft Afrika het imago van een bedelaar. Met zo’n imago worden landen niet serieus genomen, niet door de donorlanden en niet door de banken. Daarom wordt er altijd over Afrika maar nooit door Afrika beslist. Dambisa Moyo meldt zuur: op de G8-conferentie in 2005 was wel popartiest Bono present maar geen Afrikaanse leider en in 2008 bepleitte zanger Bob Geldof bij president George Bush de zaak van de hulp. Ze haalt een Afrikaanse politicus aan: “Wij worden geacht oren te hebben maar geen mond.” In zestig jaar hulpgeschiedenis hebben Afrikaanse landen nooit zelf bepaald hoe zij geholpen werden. In Malawi bezocht ik Martijn van de B. die daar werkt als organisatieadviseur voor de Anglicaanse kerk. Hij vertelde mij de volgende anekdote. Malawi heeft een schoolinspectiedienst en die wordt gefinancierd uit hulpgeld. Dan komt er een telefoontje: het donorland stopt met programmafinanciering en doet alleen nog projectfinanciering. Op projectfinanciering kun je geen schoolinspectiedienst bouwen. Malawi is niets gevraagd. Het is verschrikkelijk, het is frustrerend voor de Afrikaanse landen en de mensen ergeren zich aan dat bedelaarsimago dat maar niet wil verdwijnen. Een Keniaan: “Als er in Kenia iets gebeurt dan komt CNN en de BBC en die doen verslag tegen de achtergrond van de slums van Nairobi. Als er in Singapore iets gebeurt doet CNN en de BBC verslag vanuit het business district. Maar Nairobi heeft óók een business district en Singapore heeft óók slums!”

Expats en vrijwilligers dragen hun steentje bij aan het slechte imago van Afrika en de Afrikanen: “Ze kunnen niet …” en “Als je toch ziet hoe de elektriciteit is aangelegd, gewoon levensgevaarlijk!” Het is een giftig mengsel van racisme en arrogantie. Ik zou niet weten waarom Afrikanen niet zouden kunnen plannen of organiseren, aanleggen of bouwen. Ik constateer wel dat Afrikanen sommige dingen niet doen die westerlingen heel gewoon vinden maar dat is iets anders dan ‘niet kunnen’. ‘Niet doen’ heeft te maken met kijk op de wereld, met wat belangrijk gevonden wordt, met waarden en normen, met omstandigheden. In Afrika is ‘goed’ goed genoeg voor vandaag. Dat is een keuze, geen gebrek. Helaas dragen ook overlanders, mijn collega-reizigers, bij aan het slechte imago. Je bent pas een echte avonturier als je met de terreinwagen hebt vastgezeten in de modder, als je opgejaagd of beroofd bent of bijna het loodje hebt gelegd aan de malaria. De meeste overlanders doen de Caïro to Capetown trip en die route is helemaal geasfalteerd op vierhonderd kilometer in Noord Kenia na. Je hoeft niet in de modder vast te zitten, de Samburu’s zijn aardige kerels die alleen beroven als de nood hoog is en je hoeft niet met malaria in het ziekenhuis te belanden als je regelmatig je medicijnen slikt. Die overlanders die de Caïro to Capetown trip doen? Watjes! West en Centraal Afrika is een stuk moeilijker maar ook daar is tachtig procent van de hoofdwegen keurig geasfalteerd, er zijn heel redelijke hotels, je kunt er prima eten (vooral in de francofone landen) en een goed glas bier drinken. Het was niet gemakkelijk, het was soms moeilijk maar ik heb niet geleden. Afrika is best te doen; ik ben er het bewijs van.

Hulp maakt mensen afhankelijk en mensen gaan gedrag vertonen dat daarbij hoort. Ik heb een cartoon bewaard uit Beeld, een Afrikaanstalige krant. Die cartoon bestaat uit twee plaatjes. Op het eerste plaatje zie je Hillary Clinton op een spreekgestoelte en ze richt zich tot de vertegenwoordigers van de Afrikaanse landen: “Afrikanen moeten zelf de handen uit de mouwen steken!” Op het tweede plaatje zie je al die Afrikaanse vertegenwoordigers de handen uit de mouwen steken met de handpalm naar boven.

Handen uit de mouwen ...

Afrikanen moeten zelf de handen uit de mouwen steken …

Het bijzondere van “Dead Aid” is niet dat Dambisa Moyo de neveneffecten van de hulp op een rijtje zet maar dat ze ook naar alternatieven wijst. Afrikaanse landen zouden gewoon kunnen kiezen voor commerciële leningen. Een commerciële lening is duurder dan een zachte lening van de Wereldbank of een lening van een donorland maar het voordeel van de commerciële lening is dat je de maat genomen wordt, je moet met je water naar de dokter. Donorlanden stellen geen eisen en als ze eisen stellen kijken ze niet of die ook nageleefd worden. Het hulpgeld is immers al gereserveerd op de begroting. Er is geld in Afrika, slapend geld, geld in land en gebouwen. Ik logeerde in Fort Portal, Oeganda, bij een Nederlander en die vertelde dat in Fort Portal de grondprijzen de pan uit rijzen omdat de chief geen grond wil verkopen. Er is geld en dat moet worden wakker gemaakt en productief ingezet. Die geldautomaten hangen niet voor niks aan de gevels van de bankfilialen. Het zou helpen als het migranten gemakkelijker – en vooral goedkoper – gemaakt wordt om geld naar huis over te maken. Dat geld komt direct bij de mensen terecht. Kenia experimenteert met Mpesa, een systeem waarmee geld kan worden overgemaakt en de commissie van Western Union en Moneygram kan worden omzeild. In plaats van hulpgeld zou een donorland kunnen kiezen voor investeringen. Ik heb het al eens geschreven: wegen, internet, klinieken, scholen. De Chinezen bouwen wegen in Angola, in Tanzania, in Ethiopië. Chinezen investeren in de landbouw en in de textielindustrie. Het moet anders en het kan anders: commerciële leningen, microkredieten, het binnenhalen van het geld van emigranten, investeringen. Al die alternatieven hebben een ding gemeen: het initiatief gaat uit van de Afrikaanse landen zelf. Het kan anders en het kan nog beter. Afrikaanse landen zouden veel meer kunnen doen om investeringen aan te trekken. Aan de Zambiaanse grens met Botswana, aan de grenzen tussen Oeganda en Kenia staan kilometerslange rijen wachtende vrachtauto’s. Allemaal wachtend kapitaal, veroorzaakt door de bureaucratie. Weg er mee! Op de camping in Kasane, Botswana, ontmoette ik een Westlander, zo een met een massief boerenlijf. Hij had geprobeerd een kassenbedrijf op te zetten in Zambia maar kon geen grond krijgen. Hij beloofde de chief van het dorp 10% van de opbrengst maar het vermurwde de chief niet. Na negen maanden wachten is hij gefrustreerd en wel vertrokken. Naar Botswana waar de overheid wel ondernemersvriendelijk is. Ik kwam hem tegen op die camping omdat hij eerst zijn kassen wilde opbouwen en pas daarna een huis voor zichzelf.

Het moet anders en het kan anders, dat geldt niet alleen voor de hulp op macroniveau maar ook voor de hulp op microniveau. Een voorbeeld is het Nederlandse PUM, het Programma Uitzending Managers. Ik ontmoette de Nederlandse vertegenwoordigster in Rwanda. Ze vertelde over PUM. Het initiatief gaat van de lokale ondernemers uit; die dienen een aanvraag voor een manager in via de lokale vertegenwoordiging. Nederland betaalt de reiskosten, de lokale ondernemer de verblijfskosten. Ze moeten zelf ook een duit in het zakje doen. Niet alle aanvragen worden gehonoreerd: er moet een duidelijke probleemstelling zijn waar ook iets aan gedaan kan worden. Als bij de commerciële lening van Dambisa Moyo: ook de lokale ondernemer moet met zijn water naar de dokter. Helpt het? Ik ontmoette de vertegenwoordigster van PUM in een hotel in Ruhengeri. Dat hotel had hulp gevraagd bij de verbetering van de keukenlogistiek. In Afrikaanse restaurants moet je vaak heel lang wachten op de bestelde maaltijd en dan wordt alles – voorgerecht, hoofdmenu, desert – tegelijkertijd gebracht. Dat heeft te maken met keukenlogistiek: een bestelling wordt in zijn geheel afgehandeld en dan pas wordt aan de volgende bestelling gewerkt. Je bent de sigaar als een buslading toeristen je voor is. Afrika heeft geen restauranttraditie, in Europa hebben wij daarmee een paar eeuwen ervaring en van die ervaring kunnen Afrikaanse restauranthouders leren. Is de keukenlogistiek in dat hotel verbeterd? Jazeker: de gangen werden na elkaar gebracht en de service was vlot. Succes! De alternatieven op macroniveau en op microniveau hebben twee dingen gemeen: het initiatief gaat van de Afrikaanse landen zelf uit en het is niet “u vraagt, wij draaien”.

Als er alternatieven zijn voor de hulp waarom gaan de Wereldbank, het IMF, de donorlanden er dan mee door? Dambisa Moyo rekent fijntjes voor dat er bij het IMF, de Wereldbank, Unicef, WFP, FAO en al die andere internationale organisaties zo’n 500.000 mensen werken in goed betaalde banen; goed opgeleide mensen, mensen met relaties, mensen met macht. Er is ook de reusachtige financiële luchtbel. De hulpmachine moet blijven draaien om het wereld financiële systeem niet te laten ontsporen: de terugbetaling van leningen wordt gefinancierd met nieuwe leningen. En hoe zit dat met de charitatieve organisaties? Ook daar zitten goed opgeleide mensen, mensen met relaties, mensen met macht in goed betaalde banen. Hulp is business; het gaat om marktaandeel. De eerder genoemde medewerker van Hivos, de humanistische ontwikkelingsorganisatie: het worden voor ons spannende tijden want wij zijn eigenlijk te klein en te weinig geprofileerd.

Hulp corrumpeert, belemmert de economische ontwikkeling, is een sta-in-de-weg voor de democratie, zorgt voor een slecht imago, maakt mensen afhankelijk. Wat moet gebeuren met de hulp? Stop zetten? Ik zou het graag willen zeggen maar ik durf het niet want ik weet niet wat ik daarmee aanricht. Ik heb een grote afkeer van Unicef, WFP, FAO, UNDP en al die andere internationale organisaties met hun witte Toyota 4WD’s. Ik zou graag willen zeggen: “Van mij geen cent!” maar ik bezocht een Afrika zonder rampen. Als de nood aan de man komt, dan voedt Unicef honderdduizenden kinderen, het Rode Kruis draait er haar hand niet voor om honderdduizend tenten en dekens te sturen en Artsen Zonder Grenzen vliegt gewoon een volledig ingericht hospitaal over. Dat is de andere kant van de hulpmedaille. Er is nog een reden waarom ik voorzichtig ben met te roepen “Stop de hulp”: de ene organisatie is de andere niet. Naast de groten die ik hierboven noemde onderscheid ik de hulporganisaties van de sekten, bijvoorbeeld Worldvision, en ‘de paters’. Ik ben geen liefhebber van sekten of ze nu van christelijke dan wel islamitische huize zijn, ze helpen om zieltjes te winnen. Dat vind ik geen goede motivatie maar die sekten bieden wel een sociaal vangnet voor de ontwortelden van de trek naar de steden. Van mij geen cent? Met ‘de paters’ bedoel ik al die kleine hulporganisaties die iemand lang ter plaatse hebben. Mensen als Marga van B. die in Mwanza een tehuis runt voor weggelopen jongens en Thaus van de B. die directeur is van een microkredietbank in Ghana. Beiden worden gesteund door de Sociëteit voor de Afrikaanse Missiën (SMA), vandaar dat ik spreek van ‘de paters’. Die kleine organisaties die iemand lang ter plaatse hebben, kennen de mensen en hun omstandigheden, ze hebben contact op het micro-niveau. Maar het zijn wel dezelfde organisaties die elkaar in de wielen rijden, waarbij de ene een project begint om kleermakers bij te scholen en de andere tweedehands kleding brengt. Die organisaties steun ik, met aarzeling; ik wil weten: “Wie heeft je gevraagd? Wiens initiatief is dat?” Ik steun die organisaties als ze hebben begrepen: het initiatief moet van de mensen uitgaan. Contact is dan belangrijk, daarom: ter plaatse zijn.

Het gaat erom er bij te horen en mee te doen. Dat gaat verder dan hulp. Stedy was mijn vogelgids in Malawi. Ik bel hem af en toe en dat vindt hij leuk (hij kan mij niet bellen want hij heeft geen beltegoed). We hebben het over vogels. We hebben het soms over ideeën: “Als ik mijn rijbewijs zou halen dan kan ik toeristen naar het park van Liwonde brengen.” Voor hem is het belangrijk dat hij iemand kent uit ‘die andere wereld’ (voor mij ook). Hij heeft een klankbord en als de nood aan de man komt kan hij roepen “help!” Het gaat om het contact, het gaat altíjd om het contact. Veel vrijwilligers, vooral diegenen die drie weken komen, zien dat over het hoofd. Ze zijn gericht op de klus die af moet – de elektriciteit van het weeshuis, de nieuwe school – niet op de mensen. Dat is westers: wij doen dingen. Dat past niet bij Afrika: Afrikanen doen dingen samen.

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s