Het verloren continent

Afrika heeft een beroerd imago: oorlog en vluchtelingen, armoede en ziekten, malle dictators en onderdrukking, wreedheden. Een verloren continent, stervend, er is geen houden meer aan. Is dat Afrika? Ik vind van niet. Na anderhalf jaar door Afrika te hebben gereisd zeg ik: met de meeste mensen die ik heb gezien of ontmoet gaat het goed, naar omstandigheden. Bescheiden welvaart: werk of een lapje grond, een huisje, de kinderen gaan naar school, een brommer en op zaterdagavond dansen en bier drinken. Er wordt in Afrika behoorlijk gefeest en stevig gedronken. In Bamako: mannen in pak (“Maar geen bed om in te slapen” zegt de zure expat) en vrouwen in kleurige glanzende lange uitgaansjurken, hooggehakt op zilveren muiltjes. Afrikanen willen er graag goed uitzien. In Bobo Dioulasso zitten ’s avonds de terrassen vol en dat is ook het geval in Maroua, Garoua, Yaoundé. De patisserie en het restaurant in Franceville, Gabon, leven niet van de enkele expat en toerist. Armoede en welvaart zijn ook relatieve begrippen: je bent arm als je omgeving rijk is. Kaapstad is rijk en daarom wordt er veel gebedeld. In Marokko komen veel toeristen met een dikke beurs en daarom wordt ook daar veel gebedeld. Niet in de rest van Afrika. Tien procent van mijn dagelijks budget is bestemd voor de nood; ik heb het niet kunnen uitgeven. Gelukkig rook ik. Ik had een zak vol pennen, potloden en kleurpotloden. Ik heb ze niet kunnen weggeven, niemand vroeg er om. Bescheiden welvaart voor velen. Ik maak daar wel een paar kanttekeningen bij. Het is bescheiden welvaart zonder reserves. Als de nood aan de man komt dan valt die brommer niet te verkopen want iedereen zit in hetzelfde schuitje. De nood komt niet individueel maar collectief. Toen ik in Mali was kwam de regen laat maar ging langer door; de oogst was goed, iedereen had te eten en was blij. Maar als de regen uitblijft, ja dan … Ik zag Afrika zonder rampen. Nog een kanttekening: onder de laag van mensen met bescheiden welvaart is een laag van mensen met schijnwelvaart. Die mensen zien er netjes gekleed uit maar wat ze hebben hebben ze aan. Je kunt ze bij de voeten pakken, omkeren en uitschudden maar meer dan een paar dubbeltjes zullen er niet uit vallen. En het mobieltje natuurlijk. Een Afrikaan zonder mobieltje is ondenkbaar. Charles was er zo een. En Innocent. Allebei vluchtelingen. Onder de laag van schijnwelvaart is nog een laag van mensen waarvoor geldt ‘wat ze hebben hebben ze aan’ maar met dit verschil dat ze niks aan hebben op wat vodden na. Die kunnen zelfs de schijn van welvaart niet ophouden. Dat is ook een grote groep.

Bescheiden welvaart zonder reserves; geen vet onder het vel. Dat is ongezond voor een mens en ongezond voor een land. Als in Mali de regens uitblijven en de oogst mislukt is er een ramp. Geen reserves. In Mali staan veel vrachtauto’s en bussen werkloos langs de kant van de weg: pech en geen reserveonderdelen. De vrachtauto met de kostbare lading buizen die in Kameroen van de weg is geraakt en op zijn kant in de berm ligt zal daar liggen tot sint-juttemis want er is geen zwaar materieel om die vrachtauto te bergen. Scholen zonder leermiddelen, ziekenhuizen zonder medicijnen. Geen reserves. Het gaat goed zolang het goed gaat. Dat is het probleem: geen reserves zonder ontwikkeling, geen ontwikkeling zonder reserves.

Waarom komen de Afrikaanse landen – die tussen de Sahara en Namibië – niet uit die vicieuze cirkel? De oorzaken zijn menigvuldig. De toestand van de wegen is er een en een belangrijke. De hoofdwegen zijn doorgaans geasfalteerd en in redelijke conditie hoewel ik heb gezwoegd over honderden kilometers piste met stof, zand, stenen, wasbord en diepe kuilen. Van Ngaoundéré tot Garoua Boulaï (tweehonderdveertig kilometer), van Lastourville naar Franceville (tweehonderd kilometer), tussen Lekoni en Oyo (driehonderd kilometer), van N’Zeto tot Caxito (tweehonderd kilometer), tussen Cahama en Xangongo (honderd kilometer), van Babati naar Singida (honderdtachtig kilometer), van Isiolo naar Moyale (vierhonderd kilometer): het waren de ergste en staan in mijn geheugen gegrift. De landen in Centraal Afrika – Kameroen, Gabon, Congo Brazzaville, Congo Kinshasa, Angola – hebben maar een of twee hoofdwegen zodat van een wegennet niet kan worden gesproken. Het voordeel is dat ik zelden op de kaart hoef te kijken. Het secundaire wegennet is in heel Afrika vrijwel nergens geasfalteerd en in de regentijd onbegaanbaar. Langs die wegen ligt het merendeel van de dorpen. Een goede weg maakt zoveel uit: langs een zandpad staan rieten hutten, langs een piste lemen en langs een geasfalteerde weg stenen huizen. Een weg brengt welvaart. Als er geen vervoer is heeft het geen zin meer te produceren dan nodig voor eigen gebruik. Ik bezocht een dorp in het Dogon gebied en dat dorp had een bron en er rondom heen groeiden limoen- en mangobomen. De kinderen in dat dorp zagen er gezond uit. Een ander dorp, vijftien kilometer verderop, had geen bron, wel een waterput, en er groeiden geen limoen- en mangobomen. De kinderen in dat dorp hadden dun rossig haar: ongezond, vitaminegebrek. Waarom komen de limoenen en mango’s niet van het ene dorp in het andere? Omdat de verbinding een zandpad is. Als ik schrijf over bescheiden welvaart in Afrika, bedenk dan wel dat ik meestal het hoofdwegennet bereed. Een Nederlandse Rode Kruis medewerker tegen wie ik enthousiast opgaf van de Rwandese wederopstanding na de genocide zei: “Je zou eens in de dorpen moeten kijken wat verder van de weg. De toestand is daar misschien wel erger dan voor 1994.” Het kan niet want het regenseizoen is begonnen. Ik weet nog wel emplooi voor de asfaltlobby: heel Afrika onder het asfalt.

Nog een belangrijke oorzaak: ziekten. Bilharzia, tuberculose, AIDS, malaria. Vandaag de dag vooral malaria. Malaria is een ernstige ziekte en – als de parasiet de bloed-hersen barrière weet te doorbreken – vaak dodelijk. Ik slik Lariam, gebruik een klamboe en heb een insecticide bij de hand om de laatste mug uit te roeien. Ik ben reizigers tegengekomen die geen Lariam slikken, “want ik krijg er nare dromen van”, en malaria zien als een soort tropische trofee. Ik moet me bedwingen om ze geen draai om hun oren te geven want ze spotten met hun gezondheid. Dat moeten ze natuurlijk zelf weten maar ze houden ook een ziekenhuisbed bezet en consumeren de medicijnen waarmee andere levens hadden kunnen worden gered. Volgens een artikel in de Cape Times heeft de Wereldgezondheidsorganisatie becijferd dat malaria Afrika jaarlijks veertig miljard dollar kost aan medische behandeling en verloren arbeidstijd. Veertig miljard Amerikaanse dollars, jaarlijks! Het is een catastrofe. In de nabije toekomst komen daar nog de gevolgen van de HIV besmetting bij. In sommige Afrikaanse landen is twintig procent van de bevolking besmet. Al die mensen doen een beroep op de gezondheidszorg en als ze geen medicijnen krijgen gaan ze dood. Kinderen worden wees, land wordt niet bewerkt. Afrikaanse landen, op een paar na, kampen niet met overbevolking maar met onderbevolking. Te weinig mensen, er kan er geen gemist worden. Onderbevolking is een probleem voor ontwikkeling. Botswana is groter dan Frankrijk maar er wonen minder dan twee miljoen mensen, het merendeel in kleine dorpen. Het is afgrijselijk duur om voorzieningen naar al die dorpen te brengen. Botswana heeft geluk: het exporteert goud en diamanten en het heeft een verstandige regering. Daardoor is er in elk dorp een school en een kliniek.

In Ghana bezocht ik pater Joop V. Die is erg revolutionair ingesteld. Hij heeft nog met Jerry Rawlings opgetrokken en is een fan van Che Guevara. Als echte revolutionair legt Joop de oorzaak voor de stagnerende ontwikkeling buiten de deur: oneerlijke handelspraktijken. Hij heeft een punt. De Afrikaanse landen exporteren grondstoffen voor een habbekrats, voeren dure eindproducten in en dienen verder als dumpplaats voor de marktoverschotten van de rijke landen. Nigeria is een grote olieproducent maar moet benzine en kerosine importeren. Er is te weinig raffinagecapaciteit. Oliemaatschappijen verdienen dubbel: eerst aan de winning van olie en daarna aan de levering van benzine die gemaakt is van diezelfde olie. De pluimveehouderij wordt door de Europese Unie zwaar gesubsidieerd en dus is de productie groot. Europeanen eten vooral de beste delen van de kip – poten, borst – dus wat doe je met de overgebleven vlerkjes en nekjes? Die dump je op de Afrikaanse markt tegen zulke lage prijzen – dankzij een exportsubsidie bovenop de productiesubsidie – dat de lokale kippen boeren er niet tegenop kunnen. Het resultaat: honderdduizenden failliete kippenboeren in West Afrika. Joop heeft een punt maar krijgt van mij de helft: Afrikaanse landen rijden elkaars handel ook behoorlijk in de wielen. Wie een kijkje neemt aan de Zambiaanse kant van de grens met Botswana of aan de grens tussen Oeganda en Kenia ziet daar kilometers lange rijen vrachtauto’s, allemaal wachtend op de gigantische red tape van de grensbureaucratie. Die vrachtauto’s wachten zó lang dat ze langzaam wegzakken in het asfalt en enorm diepe sporen achterlaten. Als Afrikaanse regeringsleiders zich beklagen over de handelsbelemmeringen van de westerse landen zouden ze ook eens moeten kijken naar de belemmeringen die ze zelf veroorzaken en die gemakkelijker kunnen worden aangepakt. In de wachtkamer van de Congolese ambassade in Yaoundé hangt een prijslijst voor het visum. Mijn visum kost ongeveer vijftig euro. Voor een Amerikaan is het visum duurder want die worden geacht rijker te zijn (Amerikanen zijn overal ter wereld de klos maar dragen de last met opgeheven hoofd) maar het visum is het duurst voor inwoners van de buurlanden. Als je zo iets ziet, begrijp je het grote goed van de Europese Unie.

Afrikaanse culturen zijn fascinerend verschillend maar een paar elementen hebben ze gemeen en die zijn belangrijk voor het ontwikkelingsprobleem. Een daarvan is de familie-oriëntatie. Niet het gezin maar de familie is de hoeksteen van de samenleving. Die familie-oriëntatie heeft grote gevolgen, zowel mentaal als materieel. Het gezin – vader, moeder, kinderen – is toekomst; de familie – ooms, tantes, grootouders, neven, nichten – dat is vooral verleden. In de Afrikaanse culturen worden ook de voorouders, de doden, tot de familie gerekend waarvoor gezorgd moet worden en waarmee rekening moet worden gehouden door de levenden. Sterker kun je niet aan het verleden vastzitten. Over hoe de familieoriëntatie materieel uitpakt schreef de Poolse journalist Ryszard Kapuchinski een aardige anekdote in zijn boek The shadow of the sun (de titel van de Engelse vertaling). “In Dodoma trof ik een sinaasappelverkoper die ik kende uit Dar es Salaam. Ik vond het leuk hem te zien en vroeg wat hij hier deed, vijfhonderd kilometer van de hoofdstad [Dar es Salaam was toen nog de hoofdstad van Tanzania]. Hij was gevlucht voor zijn neven, legde hij uit. Heel lang deelde hij zijn karige winst met hen maar had er uiteindelijk genoeg van en ging ervan door. ‘Voorlopig heb ik wat geld voor mezelf’ zei hij blij ‘totdat ze me weer vinden!’” In Afrika is de familieband een belangrijke aanjager van corruptie. Heb je een baan, een lucratieve baan bij de overheid – ambtenaar of minister of zo – dan krijg je de hele familie op je dak die allemaal een graantje mee willen pikken. Weet dat families verbonden zijn in clans en clans weer in stammen dus hoevelen willen niet een graantje mee pikken? Nog een algemeen kenmerk van de Afrikaanse culturen dat nauw verbonden is met het vorige: de eerbied van jongeren voor ouderen. In Afrika bestaat geen generatiekloof; jongeren roepen niet “fuck you”. Hoe mooi ook, net zo mooi als de hulp en veiligheid van het familieverband, er zit wel een nadeel aan, een belemmering voor ontwikkeling. Een ontwikkelingswerker demonstreert een nieuwe landbouwmethode. Het ziet er veelbelovend uit. De jongeren vragen aan de ouderen “Wat zullen we doen?” De ouderen: “We hebben het altijd zo gedaan en dat is altijd goed gegaan dus doe het nu ook maar zo.” En weer is een ontwikkelingswerker vol goede bedoelingen en idealen gefrustreerd. Ontwikkelingswerker Hans: “Het zal minstens twee generaties duren voordat er iets verandert.”

Er zijn overeenkomsten maar ook heel veel verschillen die hun consequenties hebben voor de ontwikkeling. Afrika kent misschien wel tienduizend stammen, allemaal met eigen uiterlijk, eigen taal, eigen gebruiken, eigen opvattingen. In Nigeria leven meer dan driehonderd volkeren. In Mali: Bambara, Bozo, Peul, Dogon, Touareg. Elk met een eigen taal. Op de conferentie van Berlijn in 1885 verdeelden de Europese landen Afrika onder elkaar. ‘Verdelen’ vanuit Europees gezichtspunt, voor Afrikanen was het een geforceerd samengaan. Vaak zitten ze elkaar niet in de weg, leven ze langs elkaar heen. Bambara’s en Dogon zijn landbouwers maar in verschillende gebieden. Peul zijn veehouders, Touareg houden kamelen, Bozo’s zijn vissers. Even vaak is er animositeit tussen de volkeren, ver in de historie geworteld. “Een Bambara kan wel met een Dogon trouwen maar niet met een Bozo.” “Waarom?” “Dat is gewoon zo.” Meer dan eens kreeg ik te horen: “Die mensen uit dat dorp, wij verstaan hen niet. Het zijn slechte mensen!” En dan word je onafhankelijk en moet je samen door één deur. Het besturen van zo’n verscheidenheid is een huzarenstukje, vraag het de voorzitter van de Europese Unie. Die moet maar 27 landen laten samenwerken en daar heeft hij hoofdpijn van. Het is niets vergeleken bij de opgave waar de president van Nigeria voor staat. Een Afrikaanse president die een burgeroorlog of een oorlog met een buurland weet te vermijden of er geen uitlokt is al heel geslaagd. Oorlog is afgrijselijk, een gigantische verspilling van geld en hulpbronnen; mensen raken ontworteld, levens verwoest. Brazzaville is vergeven van de bedelende oorlogsinvaliden. Ik heb Liberiaanse vluchtelingen ontmoet en gesproken en over hen geschreven. Ik ben nog geschokt. Oorlog is een rat met een lange staart: lang nadat de vrede is getekend blijven de gevolgen, de ontheemden, de gehandicapten en de getraumatiseerden, de verwoesting.

De koloniale tijd heeft, behalve het gedwongen samengaan, meer erfenissen achtergelaten die samenwerking bemoeilijken. Ik ervaar zo’n erfenis dankzij het mobieltje dat ik in Nigeria kocht. Nigeria heeft een Britse koloniale geschiedenis en dus ook een Britse infrastructuur met Britse stopcontacten en de oplader van mijn mobieltje heeft natuurlijk ook een bijpassende Britse stekker. Die Britse stekker past niet in de Franse stopcontacten van Kameroen en dus heb ik een verloopstekker aangeschaft. Maar die verloopstekker past weer niet in de verdiepte stopcontacten van Gabon want die stopcontacten hebben een palletje. Namibische en Zuid-Afrikaanse stopcontacten lijken op Britse maar de gaten zijn groter en staan verder uit elkaar. Ook daar past de stekker van mijn mobieltje niet in en evenmin de verloopstekker. Ik heb mijn eigen aanpassingssysteem gemaakt: twee koperdraadjes die ik om de poten van de stekker wind en het andere eind in de gaten van het stopcontact; met een pen in het derde gat duw ik de afsluitpal opzij. Het is gevaarlijk maar het werkt.

Afrika’s problemen zijn menigvuldig en enorm. Maar een ‘verloren continent’? Afrika worstelt zich langzaam uit haar problemen of vindt een weg erom heen. Het beeld van een continent in oorlog is een beeld van het verleden. De burgeroorlogen in Liberia, Sierra Leone, Congo Brazzaville, Angola en Mozambique zijn verleden tijd. Rwanda is weer opgestaan. Ivoorkust ruimt de scherven en de doden op van het laatste conflict. De oorlog tussen Noord en Zuid Soedan loopt op haar eind. Zuid Soedan wordt onafhankelijk en de gevechten zijn de laatste ronde in het landjepik. Er wordt nog gevochten in Darfur en in het oosten van Congo. De vooruitzichten voor Somalië zijn somber; daar zal de strijd tussen de krijgsheren voorlopig wel doorgaan. In Nigeria blijven de spanningen tussen moslim-noord en christen-zuid maar president Goodluck Jonathan probeert ze te sussen. Ik hoop dat hij zijn naam eer aan doet. De natievorming komt op gang, dankzij het voetbal. Afrikanen zijn gek op voetbal. “Je suis Gabonais, cent pourcent” zegt de ene en zijn maat “Je suis Kamerounais, cent pourcent” en samen moeten ze lachen want ze zijn wel van dezelfde stam. Rwanda is zo geschrokken van de genocide dat de aanduidingen ‘Hutu’ en ‘Tutsi’ taboe zijn. “Onder Arap Moi moesten we zwijgen en hij gebruikte de tegenstellingen tussen de stammen om aan de macht te blijven. Van Kibaki mogen we kritiek hebben en hij bestrijdt het tribalisme en de corruptie.” vertelt Alex uit Kenia enthousiast. Hij heeft hoop voor de toekomst. Het gaat goed en het gaat steeds beter.

De wegen worden aangepakt, met hulp van de Chinezen. Ik zag ze aan de slag in Angola, in Tanzania, in Ethiopië. Oeganda neemt haar wegennet op de schop en dat wordt betaald door de Europese Unie. Hetzelfde doet de Europese Unie in Burkina Faso met de Fransen als uitvoerders. Eindelijk wordt in Kenia de verbinding vanaf Isiolo naar het noorden aangepakt. Het stuk van Isiolo tot aan het Losai nationale park is al klaar en er wordt nu aan gewerkt vanuit Moyale aan de grens met Ethiopië. In het dorp Torbi wordt een nieuw hotel gebouwd want “als de weg klaar is, dan zul je hier wat beleven” zegt de baas van het Torbi Hotel handenwrijvend. Nu al trekt het vooruitzicht van de weg jongemannen aan uit Mombassa en Nairobi, in de hoop op werk. AIDS is een van de grootste bedreigingen voor Afrika maar aan de bestrijding wordt gewerkt en er worden goede resultaten geboekt. Er is in heel Afrika geen straathoek zonder bord met een waarschuwing tegen AIDS en hoe je je daar tegen kunt beschermen. Condooms zijn spotgoedkoop, worden zelfs gratis verstrekt. Kinderen maken er ballonnen van. Geïnfecteerden krijgen medicijnen. De Verenigde Staten pompen per jaar driehonderd miljoen dollar in de Zambiaanse gezondheidszorg. Zambia ontwikkelt een Care Card, een chipkaart, die eigenlijk was bedoeld om aidspatiënten te kunnen volgen maar nu breder wordt gebruikt als elektronisch patiëntendossier. De helft van de klinieken is er al op aangesloten. Kom daar eens om in Nederland! AIDS is in bijna alle Afrikaanse landen op haar retour. Oeganda is een succesnummer: het percentage geïnfecteerden is er gedaald van bijna dertig procent naar zes procent. Daarover is een verhaal. Museveni, de president van Oeganda, liet zijn leger trainen door de Cubanen. Daarvoor werden de soldaten naar Cuba gestuurd en daar werden ze ook medisch onderzocht. Toen belde Fidel Castro Museveni: “Mister President, you have a problem. Tweederde van uw soldaten is met HIV geïnfecteerd.” Museveni begreep dat hij een stervend leger had en nam de maatregelen die uiteindelijk tot het succes leidden. Helaas schijnt Museveni zich te hebben bekeerd tot een sekte met een aversie tegen one night stands, een bezigheid waar Afrikaanse mannen nogal dol op zijn, en nu stijgt het aantal HIV-infecties weer. Afrika is er nog lang niet, lijkkisten zijn goede handel en begrafenisondernemers hebben het druk, maar er is goede kans dat Afrika aan de doem van AIDS weet te ontsnappen.

Afrika heeft problemen maar aan sommige zit een hoopvolle kant. Neem de trek naar de steden. Veel deskundigen zijn daar zorgelijk en somber over. Het leven in de stad is niet gemakkelijk; de meesten die naar de steden trekken redden het niet, komen aan de zelfkant terecht, in de criminaliteit; lompenproletariaat. Het platteland raakt jonge werkers kwijt, de landbouw gaat achteruit. Veel Afrikaanse landen die ooit zelfvoorzienend waren moeten nu voedsel importeren. Ik sprak er Thaus in Ghana over, over de grote werkloosheid in de steden. Hij snoof: “Zogenaamde werkloosheid. Er is werk genoeg in de landbouw maar ze willen niet.” Pater Joop vindt dat de Ghanese overheid te weinig aandacht heeft voor het platteland: “De regering moet stedelijke voorzieningen naar het platteland brengen, dan blijven de mensen daar.” Ik begrijp ze; misschien hebben ze gelijk maar ik geef het ze niet. Naast alle bezwaren zit er namelijk een voordeel aan de trek van de jongeren naar de stad: bevrijding, bevrijding van de knellende familiebanden, van het dorp, van de ouderen die niets willen veranderen. De stad is ook de plaats waar ideeën worden uitgewisseld en nieuwe ideeën ontstaan. In de stad zijn de verbindingen met de grote wereld waar de nieuwe ideeën meestal vandaan komen; het dorp is erg geïsoleerd. De trek naar de stad is een shocktherapie en het is keihard. Velen zullen mislukken, enkelen zullen het redden en dat worden de nieuwe voorbeelden. Internet kan ook helpen, het brengt de stad naar het platteland maar verbreekt de familiebanden niet.

Er is toekomst voor de landen van Afrika. Tot mijn verbazing kon ik overal geld uit de muur halen. Zelfs in de kleine steden zijn banken met geldautomaten. Afrika beschikt over een goede financiële infrastructuur. In West en Centraal Afrika is de Ecobank een heel grote (Ecobank is geen ‘groene’ bank maar de bank van de Ecowas landen) en in Zuid en Oost Afrika zijn dat Barclays, de Standard Bank en de Standard Chartered. Zouden die banken kantoren en geldautomaten hebben in de kleine steden als er geen geld onder de mensen was? Afrika beschikt over een goede telecom infrastructuur. Overal kan mobiel worden gebeld, zelfs midden in Murchison Falls National Park, in het noorden van Oeganda, kan gewoon gebeld worden. Alle Afrikanen hebben een mobieltje. MTN, Vodacom, Zain, Warid bevechten elkaar marktaandeel op leven en dood. Een simkaart kost één dollar en dan krijg je ook nog wat beltegoed. Bellen is bijna gratis. Het is de zegen van de vrije markt; daarop kan een Europeaan jaloers zijn. Mobiel bankieren, dat in Europa moeizaam van de grond komt, is in de Afrikaanse landen heel gewoon. Ik sprak een Amerikaanse die onderzoek deed naar de mogelijkheden van mobiel sparen: met een dubbeltje kun je niet naar de bank maar je kunt het wel op je mobieltje sparen als beltegoed. Western Union en Moneygram functioneren in Afrika als in de rest van de wereld. Ik maakte via Moneygram probleemloos geld over van Nelspruit in Zuid Afrika naar Charles in Impfondo in de jungle van Congo. Het werkt allemaal. Kenia ontwikkelt Mpesa, een systeem om via het mobieltje geld over te boeken van de ene persoon naar de ander. Er wordt nu mee geëxperimenteerd op nationale schaal maar het is de bedoeling het internationaal te gebruiken. Dan kunnen migranten geld naar huis overboeken zonder tussenkomst van Western Union en Moneygram met hun stevige commissies.

De betekenis van Afrika in de wereld begint te verschuiven. De Chinezen overspoelen de Afrikaanse markt. Ze gebruiken Afrika niet, zoals de Europeanen, als dumpmarkt maar als testmarkt. Chinese producten zijn niet zo goed als Europese maar wel veel goedkoper, passen bij de Afrikaanse beurs. Een Chinese batterij heeft maar een kwart van de levensduur van een Europese maar is tien keer goedkoper. Tel uit je winst! Dankzij de testmarkt kunnen de Chinezen hun producten verbeteren en daarna komen ze naar ons. In 2004 zag ik de eerste Chinese motoren: kopieën van de kleine Honda, slecht en lelijk maar wel goedkoop. Nu zie ik overal in Afrika lichte Chinese motoren die er gelikt uitzien, passend bij de Afrikaanse smaak, en ze zijn verbluffend goed. Laat de Chinezen maar schuiven! De Chinezen zitten al lang niet meer uitsluitend in de mijnbouw en de wegenaanleg. Ze hebben textielfabrieken gesticht en landbouwbedrijven net als de Indiërs, de Saoedi’s en de Turken. De toekomst van Afrika ligt in de landbouw en het internet. De wereldbevolking groeit en mensen moeten eten. De Chinese bevolking wordt welvarender en wil meer dan een kom rijst. Voor de Indiërs geldt hetzelfde. Sommige Afrikaanse landen bereiden zich voor op de toekomst met internet. Rwanda wordt momenteel geglasvezeld van voor tot achter. Botswana doet hetzelfde. Afrika, een verloren continent? Kom nou! Afrika is in beweging. Afrika heeft toekomst. Afrika komt er. Nog tijdens mijn leven.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s