Historical Circuit – de weg naar Lalibela

Als er iets ‘moet’ in Ethiopië, dan is dat het ‘historical circuit’, de route langs de culturele erfenis: Lalibela, de kerken van Tigray, Aksum, Gonder en de kloosters van Lake Tana. De meeste bezoekers aan Ethiopië doen dat rondje in omgekeerde volgorde want “dan heb je het mooiste voor het laatst bewaard”: Lalibela. Ik begin er omdat ik nu eenmaal altijd dwars ben en omdat iemand me vertelde “over twee weken is het kersttijd in Europa en dan komen de toeristen en wordt het druk.” Iedere dag zeven vluchten met een Fokker50 vanuit Addis Abeba. Velen doen het historical circuit per vliegtuig want Ethiopië is een groot land met slechte wegen en reizen per bus is er afzien. Die toeristen komen dan wel op de plaatsen van cultuur maar beleven niets van het fantastische landschap van het Ethiopische Hoogland. Sommigen huren in Addis Abeba een 4WD met chauffeur. Ik ontmoette een echtpaar dat het circuit deed per helikopter, met een Zuid-Afrikaanse piloot. Dat kan natuurlijk ook, als je over veel geld beschikt.

De weg van Addis Abeba naar Lalibela, en verder naar Mekele en Adigrat in het noorden van Ethiopië, loopt langs de oostrand van het hoogland, een steilrand met een hoogteverschil van meer dan twee kilometer. Die steilrand begrenst de ‘mond’ van de Oost-Afrikaanse Rift Valley. Hier, uit die mond, is het Arabisch schiereiland weggebroken en in een scharnierende beweging terecht gekomen op de huidige plaats.  Platentektoniek. Wat achterbleef was een gapende wond in de aardkorst, bedekt met een dun vlies waar tientallen vulkanen doorheen breken: de beroemde Danakil Depressie die af en toe vanaf de weg is te zien. Die Depressie, hoewel een van de geologisch interessantste gebieden op aarde, zal ik niet bezoeken want het is ook een van de onherbergzaamste plaatsen op aarde, afschuwelijk heet, heel moeilijk toegankelijk en gevaarlijk want de Afar die daar leven – zelfs op de onherbergzaamste plaatsen van de wereld leven mensen – zijn geen katten om zonder handschoenen aan te pakken. Wie de Danakil Depressie bezoekt, doet dat met een regiment soldaten. Ik kan me dat financieel niet permitteren.

Die steilrand, met een hoogteverschil van twee kilometer, is versneden door peilloos diepe dalen waarin de weg in haarspeldbochten naar beneden klautert en aan de andere kant weer omhoog. Het is een landschap met adembenemende vergezichten maar met die bochten, en de dorpen en de ezels en de koeien, schiet het reizen niet op. Ik zal Lalibela niet in een dag halen. Tegen vieren rijd ik Shewa-Robit binnen, een dorp van vrolijke opgeruimde welvaart, zoals er meer zijn, zonder dat er een duidelijke oorzaak voor die welvaart is aan te wijzen. Sommige dorpen hebben dat, andere niet. De entree van het dorp is gemarkeerd met een slinger gekleurde lampen over de weg en aan de andere kant hangt ook zo’n feestslinger. Tussen die twee slingers ligt een stenen brug en de hoofdstraat en daarlangs heel veel cafés met poolbiljart en tafelvoetbal, terrassen en nightclubs. ’s Avonds is het gezellig druk, uit de luidsprekers voor de cafe’s schalt Ethiopische popmuziek en er is ook een disco. Vrolijke plattelandswelvaart. Daarom bleef ik er hangen en omdat in de hoofdstraat het aantrekkelijk ogend Kubele Hotel mijn hart verovert. Hotelboy Said spreekt een beetje Engels – daarop is hij trots want hij kent de taal van de ‘faranji’ (vreemdeling) – en rent rond met mijn bagage zonder duidelijk doel (dat rondrennen staat voor gastvrijheid; er is dus wel een doel). De Engelse taal heeft hij waarschijnlijk geleerd van Amerikaanse films op de televisie want “come on” is zijn stopwoord: “I show your room, come on”, “now parking for motorbike, come on”, “you will like it, come on”. Ik heb in Kubele prima geslapen maar lag er helaas niet alleen in bed. Ik werd wakker met jeukende rode vlekken en bulten. Bedwantsen. Dat is niet comfortabel. Ze huizen doorgaans onder het matras, komen ’s nachts naar boven voor het souper en verdwijnen weer naar hun geheime plaats tegen het ochtendgloren. Wie in Kubele Hotel wil overnachten: neem niet kamer 104. Het is overigens de eerste keer in Afrika dat ik bedwantsen aantref. Gewoonlijk deel ik een kamer met een familie kakkerlakken of/en grote spinnen of/en een honderdpoot, een enkele keer een kikker in het bad of een muis in het matras. Ik kijk van gezelschap niet meer op maar wel altijd onder het bed en in de kast met het oog op de mogelijke aanwezigheid van een slang of een schorpioen. Op dergelijk gezelschap ben ik niet gesteld maar heb het nog nooit aangetroffen.

Omdat het gezellig was in Shewa-Robit, het zicht op het straatleven vanaf het terras van Kubele Hotel interessant – paardenkoetsen, ezelkarren, tuktuks, een kudde koeien, joelende schoolkinderen “faranji, faranji!” – en Said voortdurend thee brengt bleef ik er lang hangen, vertrok pas na de lunch en bereikte daarom ook de tweede dag Lalibela niet. Ik overnachtte in Desie, een onaanzienlijke rommelige en stoffige stad die alleen faam geniet vanwege de behendigheid van de zakkenrollers. Ik raak er mijn mobieltje kwijt. Die zakkenroller heeft niet de slag van zijn leven geslagen, want het was een mobieltje van het goedkoopste soort, maar het is evengoed vervelend. Dat is het tweede mobieltje tijdens mijn Afrikaanse reis en voorlopig zie ik af van de aanschaf van een nieuwe.

Lalibela ligt niet op de steilrand maar verscholen in het hoogland. Bij Dilb wijst mijn GPS me van het asfalt af en de piste op. Het is een verschrikkelijke piste met leem dat spekglad wordt als het regent – en het regent maar het houdt gelukkig ook weer snel op –  en vreselijk steile afdalingen over keien. Ik had me die piste kunnen besparen want vanaf het dorp Gashena loopt een geasfalteerde weg naar Lalibela. Weet alles maar eens van te voren. De piste is verschrikkelijk maar ook door verschrikkelijk mooi hoogland. Moe maar voldaan, zoals dat heet, arriveer ik in Lalibela. Zij die per vliegtuig naar Lalibela komen ervaren alleen de asfaltweg en missen het mooiste deel van het hoogland.

Lalibela: in steen uitgehakte kerken. Niet in een rotswand, als de tempels en tombes van Petra in Jordanie, maar uitgehakt in het horizontale vlak en volledig vrijgemaakt van het omringende gesteente. Niet alleen uitgehakt maar ook uitgehold: pilaren, gewelven, portalen zijn vrijgemaakt uit de steen. Het is een verbluffend staaltje van noeste arbeid en vooral van ruimtelijk inzicht. En het zijn geen miezerige kapelletjes. Bet Maryam, Bet Medhane Alem en Bet Giorgis zijn de grootste en de laatste is een uitzonderlijk landmark, een object van wereldklasse. Bet Giorgis: in een trapeziumvormige kuil staat een kruisvormige kerk van drie verdiepingen, zeker twintig meter hoog, of liever gezegd: diep. Achthonderd jaar oud en puntgaaf. De Bet Maryam heeft wel geleden, niet van de tijd maar van de mens. Italianen hebben de afgebrokkelde zuilen aan weerszijden vervangen door afzichtelijke exemplaren van grove stenen blokken. Daarna heeft een Italiaanse onderzoeker honderden gaten in de kerk geboord om de stabiliteit van het gesteente te onderzoeken en tenslotte heeft Unesco over de kerk het lelijkste dak ter wereld gespannen.

Lalibela: Bet Georgis

Lalibela: Bet Georgis

Waarom hakten mensen in godsnaam kerken uit in het gesteente? Memek: om uit het zicht te blijven van islamitische veroveraars. De kerken van Lalibela werden uitgehakt in de donkere periode van de Ethiopische geschiedenis na de neergang van het koninkrijk van Aksum en voor de opkomst van het koninkrijk van Gonder. Memek is mijn gids (in Afrika kun je niets doen zonder …) Met Memek op stap gaan, dat is werken. ’s Ochtends doen we de noordelijke groep kerken en de Bet Giorgis, dan mag ik lunchen van Memek en ’s middags zijn de kerken van de zuidelijke groep aan de beurt. “Je hoeft je veters niet te strikken, de volgende kerk is een klein eindje verderop”; geen tijdverspilling, Memek houdt van aanpoten. Memek is ‘gelicenseerd’ zoals dat heet; hij heeft de toerisme opleiding in Addis Abeba gevolgd. Wat houdt die opleiding in? Engels, natuurlijk, en geschiedenis en architectuur, verantwoord toerisme en omgang met toeristen. Wat is het belangrijkste in de omgang met toeristen? “Geduld hebben” zegt’ie.

’s Avonds ben ik uit mijn humeur. Zonder bepaalde reden of het moest het tempo van Memek zijn. En er plakt weer een blaag, zo’n aankomende puber, aan me vast. Ik wil een biertje drinken en hij zal me wel naar een bar brengen. “Dat is niet nodig, dat kan ik zelf wel vinden” helpt niet; hij troont me mee naar een bar, eentje met working girls en geeft een vette knipoog. Dat moet ik niet, een aankomende puber hoort bij working girls geen vette knipogen te geven. Ik kies voor een andere bar in het rijtje, Patex volgt me en komt naast me zitten. Hij probeert een gesprek – hoe ik heet, waar ik vandaan kom, wat ik vind van Lalibela – maar het loopt dood op mijn humeur. Hij zit naast me met die in het niets starende blik die Afrikanen hebben uitgevonden, de blik die hoort bij wachten. Er wordt veel gewacht in Afrika; in andere werelddelen trouwens ook. Hij wacht, hij wacht totdat ik ontdooi. En dus ontdooi ik, want je kunt de ijstijd niet eeuwig laten voortduren, en probeer op mijn beurt een gesprekje. Hij heet Johannes – “John” verbetert hij zichzelf – en “I am a streetchilderen”. Hij heeft op school gezeten, hij wijst op zijn schoolbroek, maar nu niet maar want, tja …, “streetchildren”. Hij hoopt op een sponsor. “Streetchildren”, “sponsor”: woorden uit het hulpverleningsjargon. Of ik hem een t-shirt wil geven? Hij wijst op de vodden die ooit een sweater waren maar daaronder zit toch een t-shirt. “Maar dat is vuil!”. Ik lieg: ik heb maar één t-shirt. John: “er is een t-shirtwinkel in Lalibela”. Daar begin ik niet aan. Ik vertrouw dat hulpverleningsjargon niet. Ik reken mijn biertje af, loop terug naar mijn hotel en John loopt mee. Hij probeert het nog eens: een t-shirt? No way, maar als ik in mijn kamer ben begint dat verrekte geweten te spreken. Had ik zo kortaf moeten zijn? Iemand afwijzen vanwege het woord “sponsor”? De nachten zijn koud in Lalibela; is John een straatkind, dan slaapt’ie op straat. Ik kan een t-shirt missen, niet mij beste, en loop naar buiten. Ik hoop eigenlijk dat John vertrokken is maar hij zit er nog, in het donker tegen de muur. “Ik dacht, misschien kom je nog terug”. Ik geef hem het t-shirt – “het is schoon” zeg ik erbij – en hij trekt het aan. Het is nogal oversized maar het gaat. John is er blij mee en omhelst me. Dat hoort zo in Ethiopië maar ik ervaar dat het gemeend is. De volgende ochtend is hij er weer om nog eens te bedanken en hij geeft me zijn emailadres – een straatkind met een emailadres? – “want misschien vind je een sponsor voor me”.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, Oost-Afrika en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s