Jungle Junction

Ik kwam aan bij Jungle Junction in Nairobi, ik ging zitten en zei tegen mezelf “Zo, die klus is geklaard.” De klus achterhaalt je zodra je hem hebt geklaard. Ik werd gevloerd door vermoeidheid, ik kreeg een dip. Ga maar na: sinds ik Pretoria verliet was ik druk, druk, druk. De route, de weg, het verkeer, de papierwinkel, de motor, veiligheid: het vraagt aandacht en energie. Het stof, de modder en de kuilen tellen ook mee. En de mensen. Ik ontmoet heel veel mensen, soms voor tien minuten of een uur, soms voor een dag. De douanebeambte, de politieman: ze willen een praatje, ze willen gekend worden. Dat is menselijk. De voorbijganger, de vluchteling, de hoteljongen, de bewaker, de gids. Tussen hen en mij gaapt de kloof van de taal, van verschillende achtergronden en culturen, van de geschiedenis. Afrikanen hebben hun eigen versie van het Engels en ik heb mijn versie; wij communiceren op vreemd terrein. Wat zegt’ie? Wat bedoelt’ie? Wat wil’ie? Soms is de ontmoeting doel op zichzelf: zich voorstellen en samen op de foto. Voor anderen betekent de ontmoeting hoop: “Ik heb in geen maanden een klant gehad en nu ben jij hier …” Weer anderen willen het verhaal kwijt over hun leven of over hun zorgen voor de toekomst. Een mededeling kan een vraag zijn: “Ik heb malaria…” of “Het was droog en daardoor heeft mijn land te weinig opgebracht en nu …” Het kost energie want je moet je verdiepen in de ander. Eerst moet je de kloof over en dan moet je je verdiepen: dubbele energiekosten. Soms kom je gemakkelijk over de kloof, vind je een brug, iets gemeenschappelijks maar dan gaat meer energie zitten in het verdiepen want je bent nader tot elkaar. Afrika vreet energie. En dan ga ik zitten, bij Jungle Junction in Nairobi en zeg tegen mezelf “die klus is geklaard” en dan komt de weg terug en het stof en de modder en de kuilen en het verkeer en de papierwinkel en de motor en de mensen. Innocent en nog een Innocent en Pius en Omar en Stedy en Daniel en … Met terugwerkende kracht ga ik weer die kloof over en verdiep me opnieuw in de uitleg, de vraag, het leven. Heb ik mijn hand uitgestoken? Heb ik geluisterd? Was ik laf? Waarom heb ik mijn hand toen niet uitgestoken? Waarom heb ik toen niet geluisterd? Waarom was ik toen laf? Ik ga zitten en word depri. Ik wil even geen kloof en geen verdieping, niet aanraken en niet aangeraakt worden.

Jungle Junction is een vluchtheuvel voor mensen zoals ik: overlanders, long distance motor bikers en four-wheel drivers, een enkele fietser. Het is een plaats om op adem te komen, om de volgende reissprong voor te bereiden en om collega-reizigers te ontmoeten. Met collega’s wissel ik ervaringen uit, zij informeren me over de weg naar het noorden, ik hen over de route naar het zuiden. Er zijn drie Finnen en die hebben enorme haast want ze willen in twee maanden van de Noordkaap naar Kaap de Goede Hoop. Egypte was een nachtmerrie, vertellen ze, vanwege de oeverloze grensbureaucratie die kostbare tijd vreet, “maar toen lapten we elk honderd euro en waren we er zo doorheen.” Soedan was niet veel beter en heeft ook een smak geld gekost. Ik begrijp niet waarom je in twee maanden van de Noordkaap naar Kaap de Goede Hoop zou willen en ik kan mensen die met geld smijten niet uitstaan. Een Zuid-Afrikaans echtpaar heeft ook vreselijke haast want ze liggen een week achter op Het Schema omdat de motoren te laat arriveerden in de haven van Alexandrië. Er zijn veel Duitsers bij Jungle Junction – een stel is “eingeflogen aus Deutschland” en wil “durchstossen” naar Kaapstad – en ook veel Britten die vertellen waar en hoe ze vastzaten met hun four-wheel drive in de modder of het diepe zand en over de bureaucratische chicanes die ze hebben ondervonden met die typische dictie die ook in Britse kookprogramma’s wordt gebruikt: “comPLEETly” en “unbeLIEvable”. Jungle Junction herbergt Europa met het culturele verschil tussen Duitsers die denken in aanvalsplannen en Britten die doormodderen van probleem naar probleem. Ik heb niks met modder en zand zoekende overlanders in four-wheel drives noch met motorrijders die in grote haast willen durchstossen en toch ben ik blij met ze want ik heb lang geen lotgenoten ontmoet. Chris is de eigenaar van Jungle Junction en hij zegt over zijn gasten: “Voor sommigen zou het beter zijn als er een computerspel ‘Afrika’ bestond.”

Jungle Junction

Jungle Junction is een vluchtheuvel is een vluchtheuvel voor mensen zoals ik: overlanders, long distance motor bikers.

Jungle Junction is een onvermijdelijk trefpunt. Iedereen die in Oost Afrika reist komt er vroeg of laat terecht omdat Nairobi niet te vermijden is, omdat Jungle Junction de naam heeft een trefpunt te zijn en vanwege de uitstekend uitgeruste werkplaats waar de schade van de reis wordt hersteld. Er zijn op de wereld maar enkele van zulke instituten. Dakar Motors bij Buenos Aires is er ook zo een. Ieder die reist in Zuid Amerika komt er uiteindelijk terecht. Xavier brengt zijn gasten onder in de buurt, regelt nieuwe onderdelen, repareert de schade in zijn werkplaats, luistert naar de verhalen over hoe moeilijk en hoe geweldig het was, geeft raad. Er zijn meer van zulke plaatsen maar minder bekend en eerder van regionale dan van continentale betekenis. Bikers Home in Ouarzazate, Marokko, bijvoorbeeld: met een goed uitgeruste werkplaats maar niet onvermijdelijk; niet aan een hoofdweg of op een kruispunt van wegen. Bikers Home moet het vooral hebben van woestijnrijders. La Poste del Viajero in Azul, zeshonderd kilometer ten zuiden van Buenos Aires, is er nog zo een en ook niet onvermijdelijk. Je komt er vanwege Jorge die zijn bescheiden middelen ter beschikking stelt van de reiziger. Bijna alle overlanders die door West Afrika reizen komen terecht bij hotel Hippocampe in Brazzaville. De manager ervan heeft een groot hart voor reizigers, probeert te helpen waar hij kan maar Hippocampe heeft geen werkplaats met monteurs en zal die werkplaats ook niet krijgen want er zijn domweg te weinig overlanders die de westelijke route door Afrika doen. De Iron Tigers, de motorclub van Vladivostok, pikken je op en brengen je naar hun honk waar ze bier drinken. Je kunt er je opluchting delen dat je Siberië hebt gedaan of je zorgen als er je nog aan moet beginnen. En ze herbergen gestrande reizigers die wachten op onderdelen uit Japan.

Jungle Junction is gevestigd in een middle class suburb in het westen van Nairobi: een ruime villa in een grote tuin met veel bloemen en bomen, ommuurd, met een poort en een bewaker met honden. Een Europese oase met DSTV en Wifi. Het is er goed; mijn bed heeft geen kuil of kapotte veren, het muskietennet geen gaten, de douche is lekker warm als er elektriciteit is, het is er schoon en het eten lekker Europees met pudding toe. Jungle Junction is een Europese vluchtheuvel, een plaats om naar het langs razende Afrikaanse leven te kijken zonder erdoor te worden geraakt. Afrika begint om de hoek, bij de bushalte. In de modder bij die halte voor de stadsbus en de matatu’s is een kleine markt zoals overal in Afrika waar mensen samen komen. Vrouwen verkopen er tomaten, uien, bananen, eieren. Anderen grillen maïskolven boven houtskoolvuur (je kunt ook een halve kolf kopen). Een jongen met een handkarretje verkoopt warme worstjes, samosa’s en gekookte eieren. Er staat een theeschenkster en een vrouw die pannenkoeken bakt. Je kunt je hele ontbijt kopen en nuttigen bij de bushalte. Een jongen verkoopt bijbels, een ander vechtfilms op cd, een derde grote geplastificeerde heel erg gedateerde wandkaarten, weer anderen houtsnijwerk, aardewerken potten, rieten manden, planten. De kruidendokter heeft zijn waren uitgestald op een stuk plastic: olifantenkeutels waarvan je thee kunt trekken, hagedissenhuid, vogelveren, boombast, noten, gedroogde bladeren, poeders. En smeerseltjes om de huid te bleken. Er zijn bij de bushalte bomen gerooid – misschien wel legaal – en het hout is gezaagd en gekloofd en wordt verkocht. Op de stammen van de resterende bomen en op de enige lantaarnpaal hangen de advertenties van de traditionele heelmeesters. Ze verhelpen impotentie, vergroten penissen, beloven een beter love life. De problemen waar Afrika het meest onder lijdt bevinden zich in de onderbuik. AIDS komt pas aan de orde nadat die problemen zijn opgelost. Het waarschuwingsbord voor AIDS staat aan het einde van de bushalte op de hoek van de volgende kruising. Die bushalte: dat is Afrika in het klein. De man naast me in de bus naar het centrum lacht me vriendelijk toe. Te vriendelijk: er zal iets komen. Of ik Jezus in mijn leven heb gelaten? Jezus! Ik zou willen wijzen op de sticker op de busruit “no hawking – no preaching” maar ik doe het niet want het is goed bedoeld en dus hebben we een gesprek. Dat is nou Afrika. Je moet altijd die kloof over en je verdiepen. Liever had ik glazig voor me uit gestaard of naar de werklui die in de berm een sleuf graven voor een kabel die er, misschien, ooit komt.

Slapen, suffen, bier en chips, eten, veel eten; zo werk ik de depressie weg. Ouwehoeren met collega’s zolang het maar nergens over gaat, in ieder geval niet over problemen. Een Duitse overlander: “Kun je ons gesprek volgen?” Ik: “Ik zou jullie gesprek kunnen volgen als ik zou luisteren maar ik luister niet.” De Duitser vat het op als arrogantie. Chris: “Afrika heeft je geraakt maar voor hen is het een event, begrijp je?” Ik begrijp het. Ik lees en schrijf in de tuin achter het huis waar weinig mensen komen behalve Duncan die thee brengt. Hij is zorgzaam zonder vragen te stellen.

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, Oost-Afrika, Over mij en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s