Op het terras van Palace Place

Jinja heeft geluk, bijna onafrikaans veel geluk: idyllisch gelegen in groen heuvelland, aan het Victoriameer en aan de bron van de Nijl, vlakbij de spectaculaire Bujagali stroomversnellingen en de weg van Kampala naar Nairobi loopt er vlak langs maar net ver genoeg weg om er geen last van te hebben. Zo mooi gelegen en zo goed bereikbaar, dat trekt mensen aan en mensen trekken mensen aan. De Lonely Planet heeft het over “… a retirement community for overland truck drivers and guides, plus many expats, aid workers and missionaries visit it as a weekend retreat, resulting in some unexpected pockets of sophistication.” Jinja: een “unexpected pocket of sophistication” in Afrika. Het gaat goed met Jinja en dat is te zien. Main Street is de koopgoot met Afrikaanse winkels – waar de eigenaar op schappen en in dozen zoekt, waar de verkoop wordt bijgehouden in een schriftje, waar de paspoppen buiten staan en waar vrouwen stoffen keuren in daglicht – en buurtsupers – met de Indiase eigenaar achter de kassa en die kassa is zo geplaatst dat hij de hele winkel kan overzien inclusief de hoeken waar Afrikaanse hulpjes op krukken zitten te soezen of geluidloos meedeinen op de muziek uit hun MP3-speler (maar ze zijn beleefd en gedienstig: als je ze iets vraagt halen ze de dopjes uit hun oren en brengen je naar het product dat je zoekt) – en restaurants, cafés, souvenirwinkels en coffeeshops die een Europese ambiance bieden voor de toeristen en de expats, zoals Source Café – in de Lonely Planet treffend aangeduid als “muzungu magnet” – waaraan een souvenirwinkel is verbonden die werkt voor het goede doel. In Jinja hoef je voor het goede doel de confrontatie met de slum niet aan, de nood dient zich respectabel aan. Sophisticated welvarend, dat is Jinja en het is nog veel welvarender geweest. Dat is te zien aan de huizen en gebouwen in de binnenstad, opgetrokken in de Art Deco architectuur waarvoor Miami Beach wereldberoemd is; architectuur op menselijke schaal, bescheiden en toch in het oog springend, die verkondigt dat het leven goed is en alleen maar beter wordt. Maar de verf is afgebladderd, houten kozijnen vermolmd, glas gebroken en de muren hebben een patina van vuil. Vroeger was het beter. Dat is ook te zien aan de golfbaan waar nu koeien grazen en aan de grote landhuizen langs Nile Cres waarvan vele in verregaande staat van verval zijn. Milton Obote kwam en daarna Idi Amin die de Indiërs wegjoeg die de ruggengraat van de economie waren, vreselijk huis hield en zoveel lijken in het Victoria meer liet dumpen dat de krokodillen ze niet meer op konden en de turbines van de Owen Falls stuwdam er door verstopt raakten. Maar Idi Amin is verdreven en Museveni kwam die voor rust en orde zorgde. De Indiërs zijn mondjesmaat teruggekeerd – de eigenaar van de buurtsuper – en de Indiase tempel is piekfijn geschilderd en sommige landhuizen worden weer opgeknapt zodat het in de nabije toekomst beter zal gaan dan nu en misschien wel beter dan vroeger. Ik houd van Jinja, van het lome leven, vanzelfsprekend zonder zorgen. Daarom bleef ik een paar dagen, bezocht de bron van de Nijl en de Bujagali stroomversnellingen, lunchte bij Source, dineerde bij LingLing, Leoz en Gately on the Nile – waar de bewakers machinegeweren hebben maar wel de deur beleefd voor je open houden – en dronk bier bij Palace Place. Niet bij Spot 6 of Babiz waar het vergeven is van de working girls die diepe decolletés hebben en erg opdringerig zijn.

Jinja, Art Deco

Art Deco in Jinja

Palace Place heeft een Afrikaans terras, het soort terras waar ik erg van houd: je drinkt je biertje in het donker, kijkt naar de straat, mijmert wat. De terrasjongen geeft een hand, vraagt welk merk bier ik drink en of het bier koud moet zijn. Hij brengt de fles in een mandje en ook een glas en hij opent het flesje en schenkt het bier in het glas. Bijzondere service voor de enige muzungu op het terras (de andere zitten bij Spot 6 en bij Babiz). Hij is aardig en krijgt van mij een tip. Die tip, eenvoudig gebaar van waardering, doet de hoop ontvlammen. De volgende avond is hij nog gedienstiger, stelt de gebruikelijke beleefdheidsvragen, nestelt zich aan de andere kant van mijn tafeltje als maar even geen klant aandacht vraagt. Ik voel zijn spanning, de spanning van het nu of nooit. Hij wil iets maar weet niet hoe te beginnen. Ik help hem, onbedoeld, met de opening door te vragen of hij een goede dag heeft gehad. Hij is, “als altijd”, begonnen om zeven uur ’s ochtends en Palace Place blijft open zolang er klanten zijn. Hij verdient als terrasjongen dertigduizend Oegandese shilling per maand, omgerekend minder dan vijftien dollar ofwel de prijs van dertig flesjes bier. Hij woont niet meer thuis maar op een kamer die hij deelt met een vriend want de maandelijkse kamerhuur is veertigduizend shilling. Kortom: “Ik heb tienduizend shilling om van te leven” – dat zijn tien flesjes bier – “en ik heb deze maand nog geen geld gekregen want de baas zit in Kampala.” Wat wil hij? Een grote tip? Dat ben ik niet van plan, ik wil het gesprek van de tip naar hemzelf brengen: “Misschien moet je een andere baan zoeken.” Dat is, alweer onbedoeld, de tweede handreiking. Een andere baan, natuurlijk, want terrasjongen, da’s niks. Maar, kijk, hij heeft alleen de primary school gevolgd en de eerste twee klassen van de secondary school en toen was het geld op. Hij had bijna een baan als administrateur bij een weeshuis maar werd niet aangenomen toen bleek dat hij niet met de computer overweg kon. Hij zou graag accountant willen worden of priester want een zus is non. “Wat wil je: accountant of priester?” Hij weet het niet, het liefst allebei tegelijkertijd. Gaande ons gesprek voel ik de hoop branden, steeds feller en op mij gericht. Zou deze muzungu misschien …? Het is sneu: hij voelt zijn kans maar heeft het voorbereidend werk niet gedaan. Hij heeft voor zichzelf geen doel geformuleerd en voor mij geen vraag. Wat wil hij dat ik doe? De computercursus betalen? En hoeveel kost dat? En dan? Hij is geen Charles, Steady of Innocent. Charles wilde naar huis: “In Bangui is een repatriëringscentrum. Daar kan ik met de boot naar toe. Dat kost twintigduizend frank. Dat geld heb ik niet.” Steady wilde zijn gidsenberoep versterken: “Met jouw boek kan ik meer leren en mijn aanbod uitbreiden.” Voor Innocent was de nood hoog: “Ik heb malaria, kijk maar in mijn ogen, en het ziekenhuis kost vierentwintigduizend shilling.” Charles, Steady, Innocent hebben een doel en een verhulde maar heel concrete vraag: wat, hoeveel, jouw boek. Daar kunnen we het over hebben. Ik zou de terrasjongen kunnen helpen met het vinden van het doel en het formuleren van de vraag. Ik doe het niet want hij heeft nog een ander handicap: hij komt niet uit de verf. Hij heeft zich niet voorgesteld, geeft zichzelf geen naam, en tussen hem en mij staat dat tafeltje, symbool voor afstand. Wij zitten niet samen op een bankje. Hij schept geen band en dat is toch de voorwaarde om een vraag te kunnen stellen. Mensen als de terrasjongen zijn er veel. Voor hen zijn er in Europa genoeg kansen en bosjes adviseurs die kunnen helpen. In Afrika is een kans zeldzaam, once in your lifetime. Ik kies voor de ruime tip en voel de teleurstelling.

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, Oost-Afrika en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s