Vrijwilligerspraat

Ik heb een tripje gemaakt, een georganiseerd tripje naar Murchison Falls National Park in het noorden van Oeganda, met Red Chilli in Kampala. Ik op een georganiseerd tripje! Ik zag erg op tegen de weg. Die is geasfalteerd van Kampala tot aan Masindi maar vandaar murram, leem, tachtig kilometer. Ik ben moe van Afrika en wil de resterende energie sparen voor de moeilijke stukken die nog komen en onvermijdelijk zijn. Bovendien kon ik niet tegen de prijs van Red Chilli concurreren: tweehonderdveertig dollar voor een trip van drie dagen inclusief transport, twee overnachtingen in Red Chilli Restcamp, een gamedrive, een boottocht over de Victorianijl tot aan de watervallen en nog een wandeling met een gids rond die watervallen. Probeer daar maar eens onder te duiken. Wie denkt dat goedkoop duurkoop is, onderschat het kritisch vermogen van backpackers en het organisatievermogen van backpackers hostels. Backpackers zijn lastige klanten! Is een trip niet het geld waard, dan spreekt zich dat rond en is het zo afgelopen. Red Chilli bezit zowel een hostel in Kampala (Red Chilli Hideaway) als het restcamp in het midden van het park. Zo is het restcamp verzekerd van een stroom klanten uit Kampala. En waar mensen zijn komen andere mensen en al die mensen moeten eten en drinken, dus zit de bar vol, heeft de keuken werk en loont het voor de kok om naast de kaart drie dagschotels op het bord te schrijven. En alles aantrekkelijk geprijsd want er is omzet. Kortom: preisgünstig en gezellig en dat bepaalt toch voor een belangrijk deel de waardering van een tripje. Goedkoop hoeft geen duurkoop te zijn en duur gekocht is nog niet altijd goed gekocht. Aan de oever van de Nijl trof ik een drietal Duitsers op safari (Duitsers van het ouderwetse soort waarbij de een de ander nog aanduidt met ‘der Herr Professor’) die logeerden in een naburige lodge: “Wij betalen honderdzestig dollar per persoon per nacht, we zijn de enige gasten, het personeel verveelt zich en vandaag aten we kip; dat wil zeggen: botjes want de kok had vast en zeker het vlees opgegeten.” Ik bedoel maar.

Het waren gewoon drie fantastische dagen. De leemweg door het park bleek in goede conditie, zodat ik een beetje spijt had in een busje te zitten in plaats van op de motor, maar was op de terugweg, na twee nachten regen, veranderd in een modderbad zodat ik mijn spijt kon inslikken. De gamedrive op de savanne in het noordelijk deel van het park was geweldig. Er trekken daar grote kudden olifanten, buffels en antilopen rond en ook giraffen en aan de oever van de Nijl en het Albertmeer liggen nijlpaarden en krokodillen. Daar komen de toeristen voor. Ik heb inmiddels genoeg van die beesten gezien. Ik was blij met de Abyssinian Ibis, een vogel, en met de Topi, een antilopensoort met een merkwaardig grote kop en een lange neus die niet past bij de rest van het beest. Als bij elanden: het lijkt alsof God bij de voltooiing van de schepping wat lichaamsdelen over had en daarvan nog even een beest fabriekte. We zouden “misschien” een leeuw kunnen zien. Dat gaf natuurlijk opwinding in het busje. Op weg naar de nijlpaarden aan de oever van het Albertmeer krijgt onze chauffeur een telefoontje: er is een leeuw gelokaliseerd. Dus laten we de nijlpaarden even waar ze zijn, die lopen toch niet weg, en rijden naar de opgegeven locatie. Onder een boom ligt de leeuw en in een halve cirkel ervoor staan de busjes en de terreinwagens met mensen leunend uit de dakopening die allemaal die leeuw willen fotograferen. De opwinding komt van één kant: de leeuw blikt lusteloos naar zijn publiek, knijpt de ogen tot spleetjes, geeuwt een paar keer en verhuist uiteindelijk naar de andere kant van de boom. In plaats van belangstelling, verlangen naar privacy. Een leeuw in de dierentuin vertoont doorgaans meer opwinding. Of kregeligheid. Wie zal het zeggen? De tocht over de Nijl was net zo’n succes. Een brede rivier met drijvende eilanden water-hyacinten, langs de beboste oevers liggen nijlpaarden en krokodillen en in de bomen huizen African Fisheagles, Bee-eaters, Giant Herons, African Darters – vogels – tot aan de watervallen. Daar perst de Nijl zich door twee nauwe spleten, niet meer dan tien meter breed. Ik maak een aantekening in mijn dagboek: ik heb de bovenloop gezien van wat stroomafwaarts de Witte Nijl zal heten en hoef in Ethiopië alleen nog even de Blauwe Nijl over te steken om helemaal Nijlklaar te zijn.

Abyssinian Ibis

Abyssinian Ibis

Topi

Topi, een antilopensoort

Ik maakte het tripje omdat ik opzag tegen de leemweg en uit kostenoverwegingen maar ook om eens te ervaren hoe het reizen is in georganiseerd verband. Sinds de excursies uit mijn studententijd heb ik mij niet meer in een groep begeven. Het is een experiment en het kan tegenvallen maar: drie dagen, dat is te overzien. Wij: een paar gewone toeristen, een meisje dat stage loopt op een ambassade, twee meisjes die een vriendin bezoeken die in Oeganda vrijwilligerswerk doet en verder vrijwilligers van hulpprojecten die er even een paar dagen tussenuit knijpen. In totaal zestien personen waarvan het merendeel vrijwilliger. Met vrijwilligerspraat. Daar luister ik niet naar. Maar ’s avonds aan tafel met twee bebaarde Amerikaanse vrijwilligers en een Duitse vrijwilligster kan ik er niet onderuit. De twee baarden werken voor een weeshuis, zijn nog geen drie weken in Oeganda en al heel deskundig: “Tjongejonge, wat een puinhoop! Als je toch ziet hoe de elektriciteit is aan gelegd! Levensgevaarlijk gewoon. En overal vuil. De criminaliteit is verschrikkelijk; moet je lezen wat er elke dag in de kranten staat! Veel mannen hier zijn ronduit onbeschoft. Maar we doen het voor de kinderen.” Ze kijken er ernstig bij. Ik hoor die vrijwilligerspraat aan met ergernis en die ergernis moet van mijn gezicht zijn te lezen want een van de baarden vraagt: “Jij bent een jaar in Afrika, heb jij dezelfde ervaringen?” Ik, kortaf: “Nee, jullie ervaringen zijn mij volkomen vreemd.” Dat levert geen verduidelijkingsvraag op, want ze zitten vol van hun eigen ervaringen, en ik doe er het zwijgen toe. Ik heb er geen zin in. De Duitse begint over de Chinese aanwezigheid, ook een populair onderwerp onder expats. “De Chinezen nemen Afrika over, halen het leeg en geven helemaal niets om arbeidsomstandigheden, democratie, mensenrechten want dat doen ze in hun eigen land ook niet.” Het is gebruikelijke apenpraat maar meer dan ik kan verdragen: “Luister eens. De Chinezen zijn hier natuurlijk niet voor niks, ze willen grondstoffen maar in ruil daarvoor leggen ze wegen aan, bouwen scholen en ziekenhuizen. Voordat de Chinezen kwamen waren hier de Europeanen en ook voor de grondstoffen maar die betaalden niet, die namen met het geweer in de hand. En over democratie en mensenrechten gesproken …” zeg ik “de regering van jouw land heeft in 2006 driehonderd miljoen aan Mugabe gegeven, Siemens zit in de troebele coltan business en Krupp verkoopt wapens aan Nigeria.” (Coltan is een zeldzaam erts, een mengsel van Colombium en Tantalium, metalen die in mobiele telefoons worden gebruikt, en dat gevonden wordt in het oosten van Congo waar het inzet is van een smerige strijd tussen krijgsheren). Ik bluf een beetje om harder te kunnen meppen: niet de Duitse regering maar de Europese Unie heeft geld gegeven en niet aan Mugabe maar aan de Zimbabwaanse regering en Siemens zit niet direct in de coltan business. De mep heeft wel effect: de vrijwilligers zwijgen even, de Duitse pruttelt “Dat is misschien ook waar, maar ….” “Dat is niet misschien waar, dat ís waar. In plaats van naar de Chinezen zou je eens naar je eigen land moeten kijken!” Tegen de Amerikanen: “Als je het hier zo verschrikkelijk vindt, waarom ga je dan niet naar huis? Wie heeft je gevraagd om hier te komen?” De Amerikaanse baarden zijn niet uit het veld geslagen: “Wij zijn hier om te helpen. Wij betalen onze eigen reis- en verblijfskosten en betalen ook nog de projectorganisatie.” Ik: “Als je weg zou gaan, wat zou er dan gebeuren?” De baarden: “Dat kan niet. We zijn hier nodig. Als je de elektriciteits-voorziening ziet, die is levensgevaarlijk. Wij leggen de elektriciteit aan volgens Amerikaanse standaarden. Dat is veilig. Als je toch ziet hoe er gewerkt wordt: ze zagen een plank op een wiebelende tafel met een zaag waarvan het handvat los zit en hebben vier bewegingen nodig wat ik in één haal doe. Ze kunnen het gewoon niet, ze zullen het nooit kunnen.” Een oordeel over ‘ze’, na nog geen drie weken vrijwilligerschap. Ik: “Dat is flauwekul. Afrikanen zijn gewone mensen, mensen als overal. Waarom zouden ze het niet kunnen?” Een van de baarden: “Ik wilde dat ik je het kon nazeggen maar mijn ervaring is anders. Het zijn andere mensen!” Bij mij gaat een rood lampje branden: “Wat bedoel je, ‘andere mensen’…?” Zijn maat: “Als aan de ene kant van de straat een Pitbull en een Dobermann loopt en aan de andere kant een Dalmatiër en een poedel, aan welke kant ga jij lopen?” Mensen worden vergeleken met Dobermanns en Dalmatiërs.

Niet vaak heb ik het zo zout gegeten maar vrijwilligerspraat als hiervoor hoor ik veel. Net als expatpraat. Er zit een groot superioriteitsgevoel in. Het gaat over zaken die verkeerd gaan, over de Afrikaanse werklust, over onbegrip. Zouden Afrikanen dan toch ‘andere mensen’ zijn? Daar ga ik niet in mee, dat is onacceptabel. Het probleem ligt aan de andere kant, aan de kant van de vrijwilligers en de expats: die willen een klus klaren of iets bereiken naar Westerse inzichten met Westerse methoden en hulpmiddelen en hebben van de resultaten Westerse verwachtingen. Ik begrijp ze wel: die vrijwilligers blijven drie weken en in die tijd moet de elektriciteitsvoorziening op orde zijn gebracht; ze hebben haast. Die mensen zijn niet gericht op overdracht en niet geïnteresseerd in wat er omgaat in het hoofd van de ander. Wat denkt de lokale elektricien bij ‘Amerikaanse standaarden’? “Niet waar” zeggen de Amerikaanse baarden “Wij vragen voortdurend ‘waarom doe je dit zus, waarom doe je dit zo?’” De toon waarop ze het zeggen is niet de toon van een vraag maar de toon van een beschuldiging.

Het is jammer: al die vrijwilligers gaan terug naar huis en vertellen daar hun verhaal over Afrika en de Afrikanen: een hopeloos continent en Afrikanen zijn domme kinderen; ‘ze’ zullen het nooit leren. Ik wil daar iets tegenover stellen. Afrikanen zijn gewone mensen zoals er miljarden op de aardbol zijn. Huis-tuin-en-keuken mensen, niet dommer of slimmer, niet luier of ijveriger, niet beleefder of onbeschofter, niet eerlijker of crimineler. Heel gewone mensen maar natuurlijk met een eigen mindset, een eigen wereldbeeld, eigen normen en waarden, eigen interesses. Zoals Europeanen hun eigen mindset hebben en Amerikanen, Russen, Arabieren, Japanners ook. Amerikanen weten alles beter, Europeanen geven altijd de overheid de schuld, Arabieren tellen bezwaren, Russen zijn begeesterd van techniek met tandwielen en olie, Japanners zijn zo gesloten als een pot en Afrikanen zijn erg gefocust op het heden. Afrikanen zijn rare wasknijpers, hoor, maar dat zijn Amerikanen, Europeanen, Russen, Arabieren en Japanners ook. Ik heb daar schik in; daarom is reizen zo leuk.

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, Oost-Afrika en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s