De honderd dagen van het Kwaad

Rwanda is een van de kleinste landen van Afrika. Op sommige kaarten die het continent afbeelden is het symbool voor de hoofdstad groter dan het land zelf. Van de grens met Tanzania tot Kigali is minder dan honderdvijfenzeventig kilometer. In vogelvlucht nog veel minder want Rwanda is ‘le pays de mille collines’, het land van de duizend heuvels. De weg slingert naar links en naar rechts, omhoog en omlaag, heuvel op heuvel af. Erlangs bananenplantages, zo groen dat het licht er groen van wordt. Af en toe uitzichtpunten vanwaar je ver zou kunnen kijken als het niet zo heiig was. De regenbaard van een onweersbui slokt het land heuvel na heuvel op. Rwanda is een mooi land, vreselijk mooi. En dicht bevolkt. Jezus, wat is dit land dicht bevolkt! Overal mensen. Mensen met de hak en de schop op de schouder op weg naar of komend van het veld. Mensen duwen fietsen, zwaar beladen met grote trossen bananen. Dorpen, heel veel dorpen. Keurige dorpen, opgeruimde dorpen met fleurig geschilderde huizen. Geen krotten van afvalhout, geen vuilnis in de berm, geen stank. De plastic zak, waarvan heel Afrika is vergeven, is in Rwanda verboden. De supermarkt in Kigali levert papieren zakken voor de boodschappen. Dat is Rwanda: heel mooi, heel dicht bevolkt, heel opgeruimd. Een gelukkig land? In dit Afrikaanse land kwam het Kwaad op de wereld, het Kwaad met een hoofdletter, het Kwaad waarvan de naam niet kan worden uitgesproken.

“Can you bring me to the Memorial Centre?” vraag ik de taxichauffeur. Hij kijkt zonder begrip. “Le Centre Memorial, s’il vous plaît” probeer ik. Nog geen reactie. “Le Centre Memorial de Genocide!” “Ah, oui.” Ik heb de naam van het Kwaad uitgesproken. Het herdenkingscentrum ligt op een heuvel tegenover de heuvel waarop het stadscentrum ligt. Het is een wit gebouw van bescheiden proportie te midden van tuinen. En massagraven. Onder betonnen platen liggen hier tweehonderdvijftigduizend mensen begraven. “Driehonderdduizend” verbetert de receptionist. Er worden iedere dag nog nieuwe massagraven gevonden en de mensenresten worden hier herbegraven. Het verhaal van het Kwaad wordt verteld in het souterrain, symbolisch de plaats van de hel.

Het begon onschuldig, met de Belgen die de bevolking categoriseerden in Tutsi, Hutu en Twa. Het is een hebbelijkheid van onze beschaving om alles en iedereen te willen categoriseren. Het was de tijd van de antropologie, de tijd van Lombroso, de tijd van de lengtemetingen en van de schedelmetingen, van de beschrijving van neuzen, oogkleur, huid- en haarkleur. Pseudowetenschap, statistiek waarmee in de praktijk niets is aan te vangen want zelden vallen de kenmerken van een mens allemaal in dezelfde categorie. De Belgen konden zonder de antropologie, gebruikten een eenvoudige indeling: iemand met tien of meer koeien was een Tutsi, iemand met minder dan tien koeien een Hutu (de Twa, een pygmeeënvolk, telden voor de Belgen niet mee). Als in Apartheid Zuid Afrika. Daar bestond een heel verfijnd classificatiesysteem van bevolkingsgroepen, een catalogus bijna, maar uiteindelijk kwam het hierop neer: bleef een potlood in het haar steken dan had je kroeshaar en was je zwart. Het zou een grap kunnen zijn, goed voor een spelletjesavond – “Oh, jij hebt elf koeien dus ben je een Tutsi en daarom moet je een kanskaart nemen” of “Jij bent zwart want het potlood blijft in je haar steken; ga direct naar de gevangenis, ga niet langs Start, je ontvangt geen tweehonderd euro” – als de classificatie niet zo beledigend was en als er geen consequenties aan zouden zijn verbonden die verder reikten dan het spelletje. Maar er wáren consequenties aan verbonden; het spelletje wás serieus. In Apartheid Zuid Afrika gingen zwarten naar de gevangenis, niet langs Start en ontvingen geen tweehonderd euro. In Rwanda kreeg de minderheid van Tutsi’s, als groep door de Belgen gedefinieerd, de kanskaart. De Belgen bevoordeelden de Tutsi’s en steunden op hen voor het besturen van Rwanda. Met de classificatie was de ongelijkheid geschapen en met de bevoordeling van de Tutsi minderheid de verongelijktheid van de Hutu meerderheid.

In de jaren vijftig begon de Tutsi minderheid onafhankelijkheid te eisen en de Hutu meerderheid democratie. De Belgen waren van onafhankelijkheid nog minder geporteerd dan van democratie, dat op veel manieren in te vullen is, en daarom wisselden ze van alliantie. De onafhankelijkheid kwam er natuurlijk toch en bracht een verongelijkte Hutu meerderheid aan de macht. Die begon de ongelijkheid uit de Belgische tijd recht te zetten, discrimineerde de Tutsi’s, stelde quota in voor plaatsen in het onderwijs en voor functies bij de overheid. Verongelijktheid is een onverzadigbaar monster: hoe meer gram er gehaald is hoe groter de verongelijktheid en hoe meer gram er nog gehaald moet worden. De kranten en de radio demoniseerden de Tutsi’s en predikten haat. Het ging over ‘kakkerlakken’ die ‘verdwijnen’ moesten. Het Hutu-isme werd populair want er viel veel bij te winnen, in ieder geval weinig te verliezen of het moest het fatsoen zijn. De tien Hutu-geboden verschenen, die volkomen segregatie en uitsluiting van Tutsi’s inhielden, als de Neurenberger Rassenwetten. Af en toe vonden er dankzij de opzwepende propaganda kloppartijen en ook slachtpartijen op Tutsi’s plaats. De boodschappen van haat, de kloppartijen en de slachtpartijen deden honderdduizenden Tutsi’s vluchten naar de buurlanden, naar Tanzania, Kenia en vooral naar Oeganda. Paul Kagame was een van hen en die richtte het RPF op, het Rwanda Patriotic Front. Kagame was een bondgenoot van Museveni die in Oeganda gewapenderhand de orde herstelde na de chaos van Idi Amin en Milton Obote. Zo leerde het RPF vechten. In 1990 viel het RPF Rwanda binnen, bracht de Hutu-regering in paniek en op de knieën als de Fransen niet op het laatste moment hadden ingegrepen. Onderscheid, ongelijkheid, verongelijktheid, haat, angst: de spiraal naar het Kwaad. Angst – als er een vijand aan de deur staat, is er ook een binnen de deur – riep de wens op naar een definitieve afrekening, een Endlösung. Voor dat vuile werk richtten de Hutu-leiders een militie op, de Interahamwe, ‘zij die samen stand houden’. De komst van het Kwaad in Rwanda was nu nog slechts een kwestie van timing.

Dat moment kwam toen het vliegtuig met de presidenten van Rwanda en Burundi aan boord bij de landing in Kigali werd neergeschoten. Dat schiep de kans en het alibi. Het herdenkingscentrum in Kigali toont in foto’s hoe het Kwaad op aarde kwam. Een foto van een straat en in die straat staan auto’s met de portieren open en uit die portieren hangen lichamen. Foto’s van binnenplaatsen vol lijken. Foto’s op videoschermen, in high definition, die te gruwelijk zijn om naar te kijken. Ook verhalen, verhalen van ooggetuigen en overlevenden van het Kwaad. Mensen werden op straat doodgeschoten, doodgeknuppeld, met kapmessen in stukken gehakt, levend verbrand, gestenigd, in latrines gegooid de een bovenop de ander. Vrouwen werden verkracht voor ze werden vermoord, kinderen werden doodgeknuppeld in de armen van hun moeders. Mensen zochten veiligheid in de kerken maar vonden er vaak de dood. Priesters en religieuzen bleken handlangers van het Kwaad. Een priester beloofde mensen veiligheid in zijn kerk. Hij ging weg en kwam terug … met een bulldozer en begroef zijn eigen parochianen onder zijn eigen kerk. Het Kwaad heerste honderd dagen. Toen verdreef het RPF de militie en het leger die wel goed waren in moorden maar niet in vechten. In die honderd dagen verslond het Kwaad een miljoen mensen, Tutsi’s en ook gematigde Hutu’s, zij die zich niet gek hadden laten maken. In de centrale ruimte van het souterrain hangen honderden foto’s van de doden. Foto’s die zijn afgestaan door nabestaanden, vaak het enige dat restte. De slachtoffers van het Kwaad hebben een gezicht. Foto’s van mannen in smoking en van vrouwen in mantelpak want veel foto’s worden nu eenmaal gemaakt bij officiële gelegenheden. Jongetjes in pak, meisjes in roze petticoats met vlechtjes in het haar zoals Afrikanen hun kinderen graag kleden: als volwassenen en toch kinderlijk. Een jongetje met een fiets die hij kennelijk net heeft gekregen, eentje met veel toeters en bellen; hij heeft grote ogen van geluk. Een puber proost met een fles bier naar de camera. Veel foto’s zijn opgeblazen pasfoto’s, te oordelen naar de roestafdrukken van de nietjes boven en onder of links en rechts. Pasfoto’s zijn heel aangrijpend omdat de gefotografeerde recht in de camera kijkt; de essentie van een pasfoto is om gekend te worden. Een familiefoto: opa in het midden en de rest van de familie eromheen. Ze zijn in het wit gekleed, kennelijk een moslimfamilie gefotografeerd op een religieuze hoogtijdag, misschien het Suikerfeest. Boven hoofden zijn met balpen kruisen getekend: van de vijftien familieleden hebben er tien het Kwaad niet overleefd.

Het herdenkingscentrum legt het Kwaad uit: hoe het ontstond, hoe het materialiseerde, hoe het te werk ging. Dat is een intellectuele benadering van het Kwaad, goed bedoeld maar de analyse verhult het monsterlijke. Zelfs de aanwezigheid van driehonderdduizend doden, evenveel als er mensen wonen in Utrecht, verandert daaraan niets want ze zijn opgeborgen onder betonnen platen. Is het mogelijk het Kwaad direct in het gezicht te zien? Dat kan, Rwanda is bespikkeld met herdenkingsplaatsen. Keus te over. In het dorp Nyamata, bijvoorbeeld, ongeveer twintig kilometer ten zuiden van Kigali. Daar materialiseerde het Kwaad in God’s Huis. De kerk is min of meer gelaten zoals die was na de slachtpartij. Het metalen dak is doorzeefd met kogelgaten. Het altaarkleed is bruin bevlekt. Het tabernakel is beschadigd door kogelinslagen, het staat open, is leeg. God heeft deze plaats verlaten of misschien is Hij uit Zijn huis gesleurd en doodgeslagen. Op een piëdestal aan de muur staat het beeld van de Heilige Maria van Lourdes, de handen devoot gevouwen. Zij heeft de slachtpartij overleefd en is sindsdien gebleven. De kerkbanken zijn geschikt rondom het altaar en op die banken liggen, hoog opgetast, kleren, bruin verkleurd van het bloed en ook van het stof van jaren. Ik raak ze niet aan, ik bekijk ze. Onderbroeken, veel onderbroeken, en hemden en rokken. Op een stapeltje kleren ligt een hoed. De kleren van de afgeslachten, alsof ze ze hebben uitgetrokken en naakt ten hemel zijn opgestegen. De doden zijn niet ten hemel opgestegen, althans niet hun lichamen. Die zijn bijgezet in grafkelders achter de kerk, in kisten. Ik lees de opschriften, gewoon een papier in een plastic hoes: “Nyirambonigaba Vestine, Umutesi Christine, Niyitegeka Claudius, Mukantabana Marie-Claire”. Er liggen er meer in een kist. Op een ander: “1. Uwamariya Vénérande, 2. Uwizeye Mathieu, 3. Uwimbabazi Rose, 4. Mukayitesi Françoise, 5. Nyirigira Jean Bosco, 6. Manzi Gile, 7. Mahoro, 8. Senga, 9. Umuhire Giselle”. Met z’n negenen in een kist. Er staan heel veel kisten in de grafkelders. Het zijn maar een paar namen van de doden van Nyamata waarvan de kleren op de kerkbanken liggen. Volgens de bewaker tienduizendachthonderd; het getal is onvoorstelbaar. Omdat ik denk hem verkeerd te begrijpen – tienduizendachthonderd of achttienhonderd? – schrijft hij het getal in mijn handpalm. Ik heb de doden in de palm van mijn hand. Hij wijst om zich heen: “Monsieur, bijna het hele dorp.” Fotograferen is verboden op de herdenkingsplaatsen van Rwanda maar de bewaker vraagt mij het toch te doen: “Dan kunt u de mensen in uw land waarschuwen voor de haat. Daarom zit ik hier.”

201056634

In de kerk van Nyamata, de kleren van de slachtoffers.

Is het mogelijk nog nader te komen tot het Kwaad? Het kan, in Murambi Memorial bij het dorp Gikongoro dat langs de weg van Huye naar het Kivu meer ligt. De plaats van het Kwaad is hier een voormalige technische school, gelegen op een heuvel. Een hoofdgebouw van twee verdiepingen, een luchtige constructie met heel veel ramen, en daarachter bijgebouwen, vermoedelijk bedoeld als onderkomen voor de studenten. Ik word er rondgeleid door Emmanuel, een jongen van begin twintig. We lopen naar de bijgebouwen en hij waarschuwt me voor wat komen gaat. In de kamers die ooit bedoeld waren voor studenten, voor de toekomst, huist nu de dood. Op houten schragen liggen menselijke gedaanten; ontkleed, wit gekalkt, ingedroogd. Het hadden sculpturen kunnen zijn, creaties van een modern kunstenaar. Menselijke gedaanten maar niets menselijks zoals een gedroogde vis niets vissigs heeft. Ze kunnen bekeken worden zonder misselijk te worden. Het zijn lijken afkomstig uit een van de massagraven rondom de school. Het was het diepste massagraf en afgedekt met zo’n dikke laag aarde dat de lichamen erin niet vergingen want voor ontbinding is zuurstof nodig. Die lichamen zijn opgegraven en geconserveerd met kalk. Meer dan achthonderd van de vijftigduizend die er omgekomen zijn. Op sommige schedels zit nog haar, schedels zijn verbrijzeld, vertonen inkepingen van kapmessen. Veel lichamen zijn erg plat; die hebben vermoedelijk onderin het massagraf gelegen. Er zijn lichamen die verstard zijn op het moment dat de dood kwam: de handen voor de ogen, de handen afwerend boven het hoofd geheven. Hoe kan dat? Treedt de verstijving zo snel op dat het laatste gebaar is bewaard gebleven? Ik vraag het Emmanuel niet, het is niet kies. Hij gaat me voor, van kamer naar kamer. In een paar kamers liggen alleen kinderlichamen, in andere alleen vrouwen: “U kunt dat zien: sommigen dragen nog een jurk en ze hebben brede heupen en borsten.” Hoewel de kamers deurloos zijn, de ramen afgedekt met plastic zeil en de wind vrij spel heeft, hangt in de kamers een licht zoete geur, de geur van de dood. Van sommige lichamen is de ontbinding niet helemaal tot staan gebracht. Die zijn gemerkt met een rood touwtje om de wit gekalkte enkel of pols en zullen begraven worden. “We krijgen hulp van Canadezen voor verbetering van de conservering” zegt Emmanuel. “Wie heeft die lichamen opgegraven?” Emmanuel: “Vooral de nabestaanden zelf. Die kwamen hier zoeken naar hun vader of moeder, hun kind. Dan werd gezegd ‘Daar is een graf, ga daar maar eens kijken.’ Zo zijn de lichamen opgegraven.” Je zult het lichaam van je eigen moeder moeten opgraven.

201056488

Murambi Memorial in Gikongoro, een voormalige technische school.

Een miljoen doden in honderd dagen: qua omvang is de Rwandese genocide vergelijkbaar met de Holocaust. In de uitvoering essentieel anders. In Rwanda geen bijeendrijven, geen transport naar verafgelegen vernietigingskampen, geen gaskamers, geen verbrandingsovens. Geen logistiek proces waarin velen een klein aandeel hebben en weinigen verantwoordelijk zijn voor het geheel. In Rwanda gebeurde het oppakken en moorden met de dezelfde hand waarin het kapmes. De nazi’s kenden hun slachtoffers niet, de verdoemden hadden geen naam maar een nummer; groter kan de afstand tussen moordenaar en slachtoffer niet zijn. Niet in Rwanda; daders en slachtoffers kenden elkaar: “Het was een bekende van onze familie. Hij pachtte land van mijn vader, kwam vaak bij ons thuis en at mee. Hij kwam. Ik vroeg: ‘waarom wil je me vermoorden, ik heb je toch niets gedaan?’ Hij sloeg met een knuppel en met het kapmes en liet me voor dood liggen.” In een video over het werk van de dorpsrechtbanken noemt een handlanger van het Kwaad zijn slachtoffers bij naam: die en die en die en die en … Een lid van de rechtbank: “Niet zo snel, ik kan het niet bijhouden.” De handlanger van het Kwaad: “Het zijn er veel.” Hij vertelt ook: “We hadden een vrouw. Een kameraad sneed met het mes in haar arm. Ik deed het ook. Toen wilde een ander een speer in haar rug steken. Ik zei: ‘Waarom? Het is een Hutu-vrouw die getrouwd is met een Tutsi. Als we daarom gaan doden houden we niemand over.’”

Een miljoen doden in honderd dagen, direct, wreed, bloederig. Wat zegt dat over mensen? Stelling: de mens is van nature geneigd tot het kwaad. Ik kan met zo’n stelling niet leven, in ieder geval niet reizen. Ik heb voortdurend met mensen te maken, ik ben van ze afhankelijk. Mijn reisstelling: vijfennegentig procent van de mensen is oké, vier procent is hebberig, plakkerig of anderszins vervelend en maar één procent is gevaarlijk. Ik schrijf ‘oké’, niet ‘goed’ want wat is ‘goed’? Met ‘oké’ bedoel ik dat ik met die mensen om kan gaan zonder grote zorgen om lijf en goed, voor de hand en het mes. Die één procent, dat zijn de mensen zonder geweten. Dat komt voor, dat is een stoornis. Het geweten ontwikkelt zich in de eerste levensjaren. Komt het dan niet tot ontwikkeling, dan komt het er nooit. Gewetenloze mensen zien er uit als mensen, doen zich voor als mensen maar zijn het niet. Ze missen de essentie van mens-zijn: geweten. Helaas – of gelukkig? – kun je dat niet van het gezicht lezen en er zijn niet veel gelegenheden waarbij het gewetenloze de vrije teugel wordt gelaten. In Bosnië bleken de plaatselijke politieagent en de gymnastiekleraar gewetenloos. Een overlevende van de Rwandese genocide: “Iedereen deed mee.” Wat is ‘iedereen’? Bedenk: een procent van acht miljoen Rwandezen zijn tachtigduizend mensen. Dat is een leger. Tel daarbij de vier procent vervelende mensen die doorgaans meelopen en je hebt een formidabele macht van vierhonderdduizend. Dat is ‘iedereen’. Als je dat voor zeventien miljoen Nederlanders uitrekent doe je geen oog meer dicht. Bedenk ook dat de vijfennegentig procent die ik ‘oké’ noem niet louter uit helden bestaat. Gewone huis-tuin-en-keuken mensen die zich er niet mee bemoeien, de andere kant opkijken, het niet willen weten, ontkennen. Zo kom je tot “iedereen deed mee”. Heldendom komt weinig voor, net als gewetenloosheid. Er waren helden in Rwanda toen het Kwaad heerste. De film Hotel Rwanda verbeeldt het verhaal van de manager van Hotel Mille Collines in Kigali waarin honderden toevlucht hadden gezocht. Hij kocht de Interahamwe om met voedsel en drank. Die man heeft weken lang op de toppen van de angst geleefd, vierentwintig uur per etmaal, en week niet. Dat is een held. De burgemeester van een dorp zei tegen de mensen dat ze niet moesten toegeven aan de haat en zette zijn politie in tegen de Interahamwe. Dat is ook een held. Hij werd vermoord. Een traditionele genezeres verborg zeventien mensen in haar huis. Ze kookte voor de Interahamwe en zei tegen hen “Als je het huis betreedt, nemen de geesten wraak.” Zo beschermde ze de mensen.

Er zijn veel getuigenissen vastgelegd van de nabestaanden en van de helden maar ook van hen die er bij stonden en van de uitvoerders. Ze zijn verzameld in “Go. If you die, perhaps I will live“. Een getuige: “Ik stond op het punt te vertrekken toen ik een kind zag onder het lichaam van een vrouw. Het hing aan haar borst. Ik stond daar, versteend, voor een berg van lichamen en daar was dat ene levende kind. Toen besloot ik het te redden.” Een plunderaar: “Ik kreeg een bebloede matras in handen. Het deed me niets die op mijn hoofd te dragen. Het bloed droop achter me op de weg. Ik waste het bij een politiepost. Iedereen was tevreden met de massamoorden.” Een dader, toen het gebeurde pas zeventien: “Ik voelde me niet beschaamd bij het doden gedurende de genocide. Het voelde heel normaal, vooral omdat de burgemeester, Semakwavu, en Sebuhura [plaatsvervangend hoofd van de gendarmerie in Gikongoro] regelmatig de wegversperringen bezochten. Ze moedigden ons aan. De burgemeester zei ‘Blijf sterk, wij steunen jullie’ en Sebuhura drukte ons op het hart ‘Je mag de vijand niet laten ontsnappen’.” In die verklaringen zitten toch hoopvolle sporen van normaliteit. “Toen besloot ik het te redden.” “Het bloed droop achter me op de weg”: de plunderaar was zich bewust van dat detail, zo gewoon was het niet. “Blijf sterk, wij steunen jullie”: moorden gaat niet vanzelf, moorden is moeilijk, je moet er sterk voor blijven en daarvoor heb je steun nodig.

Waar was de wereld toen het Kwaad in Rwanda op aarde kwam? Die deed niks, die keek de andere kant op. In de laatste fase van het voorspel was er een VN-macht in Rwanda, Unamir. De bevelhebber van die macht was geïnformeerd over wat er op til was, berichtte zijn hoofdkwartier en vroeg om een ruimer mandaat. Geen antwoord. Toen het Kwaad materialiseerde werden tien Belgische soldaten afgeslacht waarop de Belgen de benen namen. De Fransen waren het ergst. In de laatste fase van het voorspel leverden ze nog wapens aan het Rwandese leger en trainden het. Ze waren ook direct betrokken. Een overlevende: “We waren de bossen op de heuvels ingevlucht. Toen kwamen de Fransen. Die zeiden dat we naar beneden konden komen, dat het veilig was en dat ze ons zouden beschermen. We kwamen van de heuvels en liepen regelrecht in de armen van de Interahamwe.” Emmanuel: “Aan het einde van de genocide kwamen de Verenigde Naties in actie. De Fransen bezetten de streek van Gikongoro en het RPF dat Butare [Huye] had ingenomen mocht hier niet komen. Maar het moorden ging door en de Fransen dekten de aftocht van de Interahamwe. Toen heeft het RPF ingegrepen en zijn de Fransen vertrokken.” Tussen de bijgebouwen van de dood staat een bord met het opschrift “Op deze plaats stond de Franse vlag tijdens Operatie Turquoise.” Even verderop staat nog een bord: “Hier volleybalden de Fransen.” Emmanuel wijst naar plaatsen erom heen: “U ziet, de Fransen volleybalden te midden van de massagraven.” De Franse regering ontkent de betrokkenheid maar in het herdenkingscentrum in Kigali hangt een foto waarop een Franse soldaat is te zien in gezelschap van leden van de Interahamwe, gewapend met messen en knuppels. Wie is die soldaat? Zou hij ooit met de foto zijn geconfronteerd en gevraagd “Wat deed jij daar?”?

Waar was God toen het Kwaad in Rwanda was? Ik geloof niet in een God die ingrijpt; niet in de Sinterklaasgod van de Katholieken – “Dank voor de genezing van vader” – en niet in de na-ijverige God van de Protestanten. Ik geloof ook niet in de God van de filosofen: de Schepper van Al, de First Mover, die geïnteresseerd toekijkt hoe het zijn schepping vergaat. Ik geloof in de God die naast me staat, die meegaat, die zegt “Ik ben bij je” als het moeilijk wordt. Dat is het beeld van God waarmee ik uit de voeten kan, waar ik als reiziger wat aan heb. Primo Levi verhaalt een gebeurtenis in Auschwitz (het staat in Het Periodiek Systeem of in Het Respijt en hij heeft het zelf meegemaakt of Simon Wiesenthal heeft het hem verteld). Er werd een kind gehangen. Als straf en de gevangenen moesten toekijken. Het kind was te licht om te verhangen. Het stierf niet onmiddellijk. De doodstrijd duurde wel een half uur en was zo hartverscheurend dat zelfs de SS het te kwaad kreeg. De verteller zei bij zichzelf “Godverdomme, waar is God?” Toen hoorde hij een stem: “Ik ben hier. Ik ben dat kind. Ik ben het kind dat gehangen wordt.” God was in Rwanda. Hij was bij de mensen in de kerk van Nyamata toen het Kwaad kwam. Hij werd uit Zijn tabernakel gesleurd en doodgeslagen. Hij bleef en stierf mee.

Honderd dagen heerste het Kwaad in Rwanda. En daarna? Bij de inname van Kigali troffen Kagames soldaten met lijken bezaaide straten aan. De stank was als die in Jeruzalem na de inname door de Kruisvaarders. De lijken werden aangevreten door de straathonden waarvan er honderden moesten worden afgemaakt. In andere delen van Rwanda troffen Kagames soldaten dezelfde nachtmerrie aan. Wraak lag voor de hand en daarom vluchtten de Hutu’s massaal naar buurland Congo. Het herdenkingscentrum in Kigali citeert een overlevende: “We zouden wraak kunnen nemen maar dat zullen ze zich herinneren en later weer wraak op ons nemen. Iemand moet die cirkel doorbreken.” Dat heeft Kagame gedaan. Er volgde geen bijltjesdag. De grote vissen staan terecht voor het internationale tribunaal in Arusha. De slachters zitten in de gevangenis. Ze zijn soms te zien, aan het werk op de velden of aan het onderhoud van de weg; groepjes gekleed in roze overalls. Ze wachten nog steeds op hun proces want het zijn er gewoon veel. Rwanda probeert dat op te lossen met dorpsrechtbanken die gericht zijn op schuld bekennen en verzoenen. Kagame verbrak in twee militaire campagnes de grip van de Interahamwe op de vluchtelingenkampen in Congo en liet de vluchtelingen terugkeren naar Rwanda. Hij nam Hutu’s op in de regering en in het overheidsapparaat. De aanduidingen ‘Hutu’ en ‘Tutsi’ zijn in Rwanda taboe; er zijn alleen nog Rwandezen. Hoe zag Rwanda er uit na de honderd dagen van het Kwaad? Twee derde van de bevolking was op de vlucht geslagen; de straten waren bezaaid met lijken, de waterputten ermee vergiftigd, de infrastructuur verwoest, klassen zonder leraar, leraren zonder klas. Rwanda had haar Stunde Nul. Het land is opgestaan, het werkt weer, het werkt samen. Rwanda is in Afrika een succesnummer. Er is een topprestatie geleverd.

 

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, Oost-Afrika en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s