Innocent

Dar es Salaam, het Huis van de Vrede, is een stad zoals een stad moet zijn: een ontmoetingsplaats van mensen. In Dar es Salaam: Afrikanen, Indiërs, Arabieren en ook wat Chinezen en Europeanen. Ze leven, werken, handelen in het Huis van de Vrede. Tegenover mijn hotel staat een uit afvalhout opgetrokken kiosk waar ik mijn sigaretten koop. Als de sigaretten uitverkocht zijn, dan gaat iemand een nieuwe slof halen op de markt. “Nee” wordt er niet verkocht. Ernaast moet een charitatieve instelling zitten want iedere ochtend verzamelt zich daar een grote groep vrouwen en invaliden. In Jamhuri Street zijn de winkels voor gereedschappen, voor reserveonderdelen van Atlas, Bosch, Dunlop en Toyota, winkels voor computers waar ook geprint en gelamineerd wordt, kantoorboekhandels, handelaren in koffie en thee. Straathandelaren verkopen sokken, zakdoeken, broeken, T-shirts, zeep, tandpasta, tandenborstels, andere borstels, telefoonopladers, speelgoed, ballonnen. Ik hoef niet naar de supermarkt behalve voor papieren zakdoeken. De handelaren klitten samen op de straathoeken en daar zitten ook de vrouwen met manden tomaten, uien, pepers en fruit en de verkopers van belkaarten en de reparateurs van horloges, scheerapparaten en mobieltjes en daartussen nestelt zich natuurlijk een provider met een standje. Kortom: op elke straathoek een markt. In de eerste zijstraat van Jamhuri Street zit een Indiase kapper waar ik mijn haar laat knippen – ik vraag of ze ook Europees haar kunnen knippen en dat is een domme vraag want Indiërs hebben Europees haar – en ernaast Chef’s Pride, een goed en betaalbaar restaurant en daarom druk en toch redelijk snelle bediening. Afrikanen eten met de vingers, Indiërs schuiven met een lepel de maaltijd naar binnen. Bier en wijn wordt er niet geserveerd want Chef’s Pride is islamitisch. Voor een biertje wandel ik daarom ’s avonds naar de belendende wijk Kariakoo – een volkswijk waar je beroofd wordt, zegt men – waar ik een Afrikaanse uitspanning heb gevonden. Zo een onder een afdak, met plastic tafels en stoelen, een biljart, blauw geverfde tl-buizen en een bar met tralies. Daar drink ik mijn biertje; ik kan er kiezen tussen koud en lauw bier. Tanzanianen houden van lauw bier. Zo is downtown Dar es Salaam: een plaats voor gewone mensen en met de geuren die horen bij veel-mensen-op-een-kluitje. Ik koop een nieuwe broek bij Woolworth en gymschoenen van Bata. Die kosten een tientje en heten ‘North Star’ om mee te kunnen liften op de naam van All Star; ze zien er ongeveer hetzelfde uit maar zijn wat minder hip afgewerkt.

De wereld waar de gewone mensen wonen, waar de kleine bedrijven zijn, waar de straten verstopt zijn – geblokkeerd door een vrachtauto met pech of een vrachtauto die uitgeladen wordt, omdat iemand dubbel heeft geparkeerd om even een boodschap te doen, omdat iemand bij het uitparkeren is klem komen te zitten tussen twee auto’s en nu voor- noch achteruit kan of gewoon zomaar verstopt – die wereld wordt begrensd door het Mövenpick Hotel, de Botanische Tuin en het Nationaal Museum. Daar achter ligt de wereld van Coco Beach en Oyster Bay, van Masaki en Msasani. Dat is de wereld van de expats, de gegoede klasse, de rijken. De wereld van ommuurde villa’s en veel bougainville, de wereld van shopping centres en heel upmarket winkels met verveeld kijkend personeel. Voorbij de wereld van het geld ligt de wereld zonder geld, de wereld van de dorpen en de slums want die zijn er ook in het Huis van de Vrede. Ik moet in de wereld van het geld zijn om een plantengids te kopen. Boekhandel A Novel Idea heeft downtown geen filialen maar wel in Sea Cliff Village, in Msasani Slipway en in Shoppers Plaza. Het filiaal in Sea Cliff Village heeft veel boeken van Jamie Oliver en fotoboeken van de Serengeti maar geen veldgids voor wilde planten. Het filiaal van Msasani Slipway heeft ook geen veldgids. Ze bellen voor mij naar het filiaal in Shoppers Plaza en daar zou wel een veldgids te koop zijn. Om van Msasani naar Shoppers Plaza te komen – dat is een heel eind – neem ik een tuktuk, een motortaxi met een zitplaats in een bakje. De bestuurder is een jonge jongen, zo een die overal de eerste wil zijn en rijdt als een duivel. Hij haalt de files in over de berm, slipt tussen de auto’s door, rijdt tegen het verkeer in. Het kan niet uitblijven maar ik had het toch niet verwacht: de tegenligger zal wel uitwijken of de tuktuk. De klap is hard, geluid van brekend glas, de tuktuk kapseist. De schade: een erg bloedende hoofdwond, een verzwikte voet, gekneusde knie, nieuwe broek kapot. Maar mijn bril is onbeschadigd en ook de fotocamera en de hoofdwond bloedt wel erg maar is een snijwond. De bestuurder zit veel meer onder het bloed maar ook bij hem zijn het snijwonden. Merkwaardigerwijs is de auto meer beschadigd dan de tuktuk. Van de tuktuk is de ruit kapot en de zijkant ingedeukt maar de auto heeft een afgebroken voorwiel. De politie komt en die wil me naar het ziekenhuis brengen vanwege de hoofdwond en voor onderzoek maar ik wil niet. De politie wil dat ik een taxi neem om terug te gaan naar mijn hotel maar ik heb nu even genoeg van taxi’s; ik wil terug lopen. De politieman: “U bent natuurlijk erg geschrokken, daarom wilt u geen taxi. Ik voel pole [Swahili voor ‘sorry’] voor u.” Ik loop terug naar downtown, koop weer een nieuwe broek bij Woolworth – waar ze ook pole voor me voelen – en dan terug naar Safari Inn – waar ze ook al pole voor me voelen – om te douchen, de wonden te verzorgen en om bij te komen. Iedereen voelt pole voor me en daardoor heb ik dat woord onthouden.

Doen een paar botjes pijn, dan gaan alle botjes pijn doen en als alle botjes pijn doen dan krijg je hoofdpijn en voel je je lamlendig en dan ben je ziek. Ik kan niet de hele dag in bed blijven liggen, omdat de schoonmaker komt en de hotelbaas en anderen om te zeggen dat ze pole voor me voelen, en een paar aspirientjes helpen en daarom ga ik voor de gemakkelijke uitjes: het Nationaal Museum en de Botanische Tuin. Het Nationaal Museum moet want daar wordt de schedel van de Zinjanthropus bewaard en ook voetafdrukken die gefossiliseerd zijn in vulkanische as. Ik vind dat ontroerend: afdrukken van mensenvoeten, 3,6 miljoen jaar oud, de dageraad van de mensheid. Mensenvoeten, geen apenvoeten! Het heeft overigens nog een dikke drie miljoen jaar geduurd voordat de mens salonfähig was; de natuur neemt de tijd om de evolutieklus stap voor stap af te werken. Al die stappen zijn te zien in het museum en ik zou er erg van hebben genoten als ik me niet lamlendig voelde. Ik zou dolgraag willen zitten op een koel plekje in de schaduw en ik verwacht zo’n plekje te vinden in de Botanische Tuin. Die ligt naast het museum en ik vind er ook een bankje in de schaduw. Veel tijd om bij te komen krijg ik niet want er komt een rijzige jongeman. Hij stelt zich voor, “Innocent”, is trainee bij de Botanische Tuin en wil me graag de tuin laten zien. “Dank je. Nu even niet.” Innocent is niet uit het veld geslagen; hij vertelt over de tuin: er is een teakboom van honderdveertig jaar oud, nog door de Duitsers geplant en er zijn verschillende soorten palmen. Hij vertelt over zijn achtergrond: Innocent is een Tutsi uit Burundi, woont met zijn jongere zus in een vluchtelingenkamp bij Kigoma, zijn ouders zijn dood want “ons huis werd opgeblazen”, mag tijdelijk werken in de tuin maar moet de zesentwintigste terug naar het kamp want dan zijn er verkiezingen in Tanzania. En hij vertelt over zijn welbevinden. Ik heb moeite met mijn eigen welbevinden maar Innocent is er beroerder aan toe: malaria, “Kijk maar in mijn ogen”. Zelfs met hoofdpijn lees ik de malaria in zijn ogen, van die gelige en bloed doorlopen ogen; je leert het herkennen als je een tijdje in Afrika bent. Hij is naar een hospitaal gegaan: de test, de medicijnen en het verblijf – want hij moet gedript worden (‘drippen’ is spreektaal voor ‘aan het infuus leggen’) – kosten samen vierentwintigduizend shilling en – hij haalt het geld uit zijn broekzak – hij heeft maar drieduizend (ongeveer twee dollar; vierentwintigduizend shilling is zestien dollar). De verhulde vraag hangt als een zwaard boven mijn hoofd. Verhulde vragen zijn altijd de ergste. Het is alsof iemand een touw voor je neerlegt en je begrijpt: je moet er een knoop in leggen om opgehangen te worden. Niet te negeren, het touw ligt er, behalve met statistiek. “Het aantal gevallen van malaria is in vijf jaar met twintig procent gedaald” en “De sterftekans bij malaria is gehalveerd” zijn goede alibi’s om de verhulde vraag te negeren. Maar met ons gesprek is Innocent uit de statistiek gekropen en van statistisch geval tot medemens geworden: hij heeft een gezicht, een naam, verleden, hoop voor de toekomst. Hij laat een afdruk achter in de ziel, zoals de Zinjanthropus in de vulkanische as. Wie geen medemens wil zien moet statistiek bedrijven. Ho ho, dat gaat zomaar niet! “Wat ga je doen om de rest van het geld bij elkaar te krijgen?” Innocent krijgt van mij dat touw terug. Hij heeft geprobeerd zijn schoenen te verkopen maar – “kijk maar” – de zijkanten zijn afgesleten en nu zijn ze onverkoopbaar. “En verder?” Innocent heeft een spijkerbroek (zo een met borduursel op de achterzakken; daar zijn Afrikanen dol op), een short natuurlijk, een grauw ondershirt en een glimmend bovenshirt met gouddruk. Wat hij heeft, heeft hij aan. Als zoveel Afrikanen: je kunt ze bij de voeten pakken, omkeren en uitschudden maar meer dan die drie bankbiljetten zullen er niet uit vallen. Ja, het mobieltje – ik weet zeker dat in de andere zak het mobieltje zit – maar vraag een Afrikaan niet zijn mobieltje te verkopen; hij gaat liever dood. “Waar is dat ziekenhuis?” vraag ik, vooral om tijd te winnen. “In Kariakoo.” Dat is aan de andere kant van het centrum. “Is er geen ziekenhuis in de buurt?” Jawel, het Aga Khan ziekenhuis en het ziekenhuis voor de Indiërs, maar daar begint de behandeling bij honderdduizend shilling, per dag. “Het ziekenhuis in Kariakoo is goedkoop en je krijgt er ’s morgens ook nog pap!” Zoals alle Afrikanen in dezelfde situatie (Charles was net zo): hij weet waar wat te halen valt. Ik heb een besluit genomen: hij krijgt dat geld niet, we gaan samen naar dat ziekenhuis en daar betaal ik, cash, aan dat ziekenhuis. Ik ben Gekke Gerrit niet, zomaar iemand twintigduizend shilling geven, ik wil zekerheid voor mijn geld! “Jij en ik gaan samen naar dat ziekenhuis en we gaan lopen want ik betaal geen taxi.”

201056044

Innocent; wat hij heeft, heeft hij aan.

Innocent en ik lopen door het centrum, langs de katholieke St-Joseph kerk met het Charitas centrum. Innocent is katholiek. “Heb je daar geprobeerd hulp te krijgen?” “Die zijn gesloten, hun budget is op.” Ik zei het al: Afrikanen van het type Innocent (en Charles) weten waar wat wel of niet te halen valt. Verder door Uhuru street en de Bibi Tibi Mohammed Road over naar de wijk Kariakoo. Ik bekijk hem van terzijde. Als bij alle Afrikanen is van zijn gezicht niets te lezen maar ik hoor hem een paar keer diep zuchten; hij heeft het zwaar. “Wil je misschien even rusten?” “Nee, laten we doorlopen naar het ziekenhuis.” We vervolgen Uhuru Street die ook de hoofdstraat is van Kariakoo. Dan een ongeplaveide zijstraat in en dan nog een straatje en daar is het: het Front Line Hospital (FLH). Dat is een erg weidse benaming voor de begane grond van een klein gebouw waarvan de verdiepingen behoren aan het Front Line Hotel (ook FLH). Binnen: een smalle gang met kale groen geschilderde muren, twee tl-balken aan het plafond, een paar kamers en houten banken. In een nis in de gang staat een bureautje en daarboven hangt een bordje ‘reception’. Innocent legt zijn drieduizend shilling neer en voor dat geld krijgt hij een inschrijfkaart en mag hij door naar de observation room. Dat is een kaal kamertje met twee bedden er in. Boven een bed hangt een klamboe maar de lakens ervan zijn met bloed bevlekt en daarom moet Innocent op het andere bed. Er zwerven een paar muggen rond, de brengers van malaria. De verpleegster van de receptie doet het onderzoek. Eerste actie: temperatuur meten, onder de oksel. 39 graden. Tweede actie: bloed prikken (de naald komt uit een steriele verpakking). Ze dropt een druppel op een microscoopglas en gaat daarmee naar de laboratory room. De diagnose is gauw gesteld; de dokter komt, bekijkt Innocent nog eens en zegt tegen mij: “hij zit tjokvol, hij heeft twee drippings nodig, twee dagen, dat kost vijfenveertigduizend shilling.” Ik ga met de dokter in onderhandeling want dat bedrag is twee keer zoveel als begroot. Het is omdat de behandeling eigenlijk al begonnen is of omdat de dokter nog wel een gaatje ziet of omdat de dokter zich nog de eed van Hippocrates herinnert of omdat de dokter gewoon een hart heeft, we zijn er gauw uit: dertigduizend shilling. “Voor twee drippings en twee dagen” zeg ik erbij. De dokter bromt (ik denk daarom dat hij een gaatje ziet). Ik betaal dertigduizend shilling en krijg ook een kwitantie. Innocent vraagt of ik water voor hem wil halen, want er is geen drinkwater in het ziekenhuis, “en misschien een appel” vraagt hij hoopvol. Het water krijgt hij, die appel niet. Als ik terugkom met het water is de dokter en de verpleegster bezig het infuus voor te bereiden. Ik wil nog wat zeggen over die appel maar dat hoeft niet meer want Innocent is inmiddels buiten westen. Die afgedwongen wandeling, bezuiniging op de taxi, was misschien toch wel wat grof.

De volgende ochtend ben ik naar het ziekenhuis gegaan om te zien hoe het met Innocent is. Hij is er niet. Ik vraag de dokter te spreken. “Hij heeft twee drippings gehad, voelde zich goed dus is hij weer terug gegaan naar zijn werk maar vanmiddag moet hij komen voor de injecties.” Ik ga door Kariakoo, door het centrum naar de botanische tuin. Innocent zit op een bankje. Hij ziet er monter uit en zegt dat hij zich beter voelt. “Hoeveel drippings heb je gehad?” “Twee. De eerste was klaar om tien uur. Ik voelde me beter en toen heb ik gelijk de tweede gekregen. Vanmiddag moet ik terug voor de injecties.” “Heb je ook pap gekregen?” “Ja, maar er zat geen suiker in. Bah, pap zonder suiker! en” vervolgt hij “nu heb ik reuze trek.” Die mededeling moet gehoord worden als een vraag. Ik neem hem mee naar Holiday Out, een Afrikaanse eettent aan de overkant van de straat. Holiday Out heet zo omdat het tegenover het Southern Sun Hotel ligt dat vroeger het Holiday Inn was. Afrikaans: plastic tafels en stoelen onder een afdak, zodat stof en roet in het eten kunnen waaien, een ruw houten tafel met gamellen en erachter een barbecue. Het menu: gegrild geitenvlees, lauwe friet en komkommer-tomatensla uit een grote plastic teil. De clientèle: ambtenaren uit de omliggende kantoren; wit overhemd, stropdas, tag om de hals. Het Afrikaanse eethuis is een stevig verankerd instituut. “Hoeveel betaalt de tuin je?” Ze hebben zijn treinreis naar Dar es Salaam betaald en betalen ook de terugreis naar Kigoma maar verder krijgt hij niet betaald. “Waar leef je dan van?” “Er is een vrouw die in de tuin de was doet en de afwas en van haar krijg ik eten. Pap.” Dat is Afrika: delen. Westerlingen verwarren het Afrikaanse delen nogal eens met gemeenschapszin en onderling vertrouwen maar tussen die begrippen bestaan grote verschillen. Delen gaat over het heden, onderling vertrouwen heeft te maken met toekomst. Er is in Afrika heel weinig onderling vertrouwen: “In het kamp kun je niemand vertrouwen. Ik zeg altijd tegen mijn zusje ‘Laat geen eten in de tent liggen.’” zegt Innocent. Ja, hij woont met zijn zus in een tent, al zeven jaar; “In de zomer is het erg heet.” De 26ste september moet hij weer terug zijn in het kamp. Hij heeft ook goed nieuws te melden, van het inkomensfront: hij krijgt “misschien wel” honderdvijftigduizend shilling. Van de FAO, als beloning: “Ze zijn komen kijken en hebben gezien dat de tuin er nu veel beter uitziet.” “Wat ga je doen met dat geld?” “Ik ga er boeken van kopen, Engelse boeken, voor mijn zusje. Misschien koop ik ook kinderboeken want ik doe vrijwilligerswerk in het kamp.”

Innocent en ik nemen afscheid want hij moet naar de dokter en ik terug naar mijn hotel. De maaltijd van Holiday Out blijkt de genadeslag voor mijn constitutie: zware hoofdpijn, hevige buikkrampen en vreselijke diarree. De rest van de dag heb ik zwetend in bed gelegen.

Dit bericht werd geplaatst in 2009-2011: Afrika, Oost-Afrika en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s